Bewoningsgeschiedenis

Bodemvondsten hebben aangetoond dat de Zaanstreek reeds vóór het begin van de jaartelling bewoners had. De oudste sporen daarvan zijn in 1975 aangetroffen in het westelijk deel van de Assendelver polders, de daar tot nu toe gevonden vroegste bewoning dateert van omstreeks 600 jaar v.Chr. Zie: Archeologie De prehistorische bewoning bleef beperkt tot het gebied nabij Assendelft, was naar omvang bescheiden en eindigde in de derde eeuw na Chr. als gevolg van stijging van het (grond) waterpeil.

Pas in het begin van de 11e eeuw brak een volgende bewoningsperiode aan. Daarmee is niet gezegd dat het gebied in de tussentijd niet werd betreden, zelfs niet dat er zich geen enkele bewoner had gevestigd. Bij de afzonderlijk behandelde geschiedenis van de Zaanse dorpen is bij Assendelft aangeduid dat dit dorp is ontstaan uit een nederzetting rond een in de 8e eeuw gestichte kapel. Van het dorp Wormer Sluis is bekend dat in 1063 belasting werd afgedragen aan de Abdij van Egmond; verondersteld wordt dat er voordien al enige bewoning was.

Krommenie, Oostzaan en Westzaan ontstonden ongeveer in dezelfde tijd, als voorlopig zeer kleine nederzettingen. Hetzelfde geldt voor het verdwenen dorp Zaanden. In de Zaandorpen (West- en Oostzaandam, Koog (aan de Zaan), Zaandijk en Wormerveer) was sprake van bewoning aan het eind van de 15e eeuw, of iets daarna, ze werden vanuit de toen al bestaande nederzettingen bevolkt. Van het ontstaan van Jisp, tenslotte, is te weinig bekend om een datering te geven; aangenomen wordt dat de oorsprong in de 13e eeuw moet worden gezocht. Vóór de bedijking van IJ en Zuiderzee, dat wil zeggen vóór omstreeks 1300, bleef de bewoning in de gehele Zaanstreek van bescheiden aard ten gevolge van de regelmatige overstromingen. Dit is ook de oorzaak van het betrekkelijk late ontstaan van de langs de Zaan gelegen dorpen.

Eerst na afdamming en bedijking was hier bewoning mogelijk. De ontwikkeling tot industriegebied, aanvangend rond het begin van de 17e eeuw (zie: Economische geschiedenis geschiedenis) had voor alle genoemde dorpen verstrekkende gevolgen. De bewoning nam sindsdien snel toe. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een sterke toename in de 17e eeuw werd gevolgd dooreen langzame daling in de 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw, waarna weer toename volgde. Een en ander liep ongeveer parallel met de economische ontwikkelingen. De aanvankelijk 'autochtone' bevolking was van Fries-Germaanse herkomst. De vraag naar arbeidskrachten in vooral de 17e eeuw, maar ook daarna, heeft een voortdurende en soms vrij omvangrijke migrantenstroom veroorzaakt. Velen uit West-Friesland trokken naar de Zaanstreek in de verwachting hier werk te vinden.

Het grote aantal familienamen gebaseerd op Noord-Hollandse plaatsnamen, toont daarvan nog enig bewijs: Hoorn, Van Enkhuizen, Blokker, Zwaagdijk, Hoogwoud, Bobeldijk, Schagen, Edam, enzovoort. Deze migranten hadden dezelfde herkomst als de oorspronkelijke bewoners van de Zaanstreek. Er kwamen echter ook grote aantallen bewoners uit andere streken van ons land en uit het buitenland. Van de laatsten hebben Basken en Denen (Jutten), die voor de walvisvaart werden aangemonsterd, zich niet in de Zaanstreek gevestigd. Dat was wel het geval met Noord Franse en Zuid-Belgische steenhouwers die ten behoeve van de molennijverheid werden geworven.

Hun namen (bijvoorbeeld Gobielje, Poulain, Podevin) komen nog steeds voor. Een niet te verwaarlozen aantal Noordwest Duitse Lutheranen, in de 18e eeuw (vooral) naar Zaandam getrokken, heeft zich in de streekbevolking gemengd (enkele namen: Husslage, Eijer. Eilmann. Thie. enzovoort). Ook in de 20e eeuw konden groepen bewoners van andere gebieden naar de Zaanstreek trekken. Eind jaren '20 -beginjaren '30 vestigde zich een flink aantal Urkers in de Zaanstreek (enkele namen: Kramer, Gnodde, Pasterkamp), en vooral vanaf de jaren `60 was er (ten gevolge van de overlooppolitiek`) een grote instroom van Amsterdammers.

De bewoning van het gebied ontwikkelde zich voornamelijk in lintbebouwing. Dat daardoor zeer langgerekte dorpen ontstonden, is een logisch gevolg van de landschappelijke structuur. De aanvankelijke bebouwing vertoonde een open karakter met veel doorkijkjes naar de horizon; na intensivering van de bewoning werden deze gaten gevuld. Assendelft, Oostzaan, Westzaan, Wormer en Jisp bestonden zeer langdurig uit vrijwel uitsluitend aan weerszijden van een rechte polderweg gesitueerde lintbebouwing. De Zaandorpen waren aanvankelijk eveneens langgerekt evenwijdig aan de Zaan gebouwd. In de 17e eeuw ontstonden de haaks op de Zaandijken aangelegde paden. Voor zover deze een padgemeenschap vormden, zijn hun namen als trefwoord opgenomen.

Aan de dijk langs de Zaan woonden voornamelijk de beter gesitueerden, langs de paden werden arbeidershuisjes gebouwd. De uitbreidingen die ten behoeve van de toenemende bevolking in de tweede helft van de 19e eeuw vooral in Zaandam werden gerealiseerd, doorbraken het 'halve-visgraatpatroon' van de dijk met dwars daarop geplaatste paden. Na de oorlog 1914-18 zijn meer dergelijke uitbreidingen ontstaan ook in Koog, Zaandijk en Wormerveer. In Zaandijk ontstond toen ook als eerste een woonwijk ten westen van de spoorlijn (Rooswijk).

De grote stadsuitleg, met wijken als Poelenburg, Hoornseveld, Plan Kalf, Westerwatering, enzovoort, dateert eerst van na de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de aanvankelijke lintbebouwing nog herkenbaar bleef. is het karakter van de Zaanstreek door de stadsuitbreidingen in een betrekkelijk klein aantal jaren sterk veranderd.

Zie: Economische geschiedenis geschiedenis 1.1.2., 1.2.4.. 2.9.1. en 3.101, Bevolking en Demografie` Landschappen]] en Ruimtelijke Ordening Ordening.