Bouwen in de Zaanstreek

Het streekeigene van de Zaanstreek is in het bijzonder tot uiting gekomen bij het bouwen. Dit werd veroorzaakt doordat, in tegenstelling tot de rest van Nederland, in het gebied tussen Amsterdam en Alkmaar, waarbinnen de Zaanstreek is gelegen, de bodem een te geringe draagkracht had om zware stenen gebouwen te kunnen dragen. Vanaf het begin van de permanente bewoning van de Zaanstreek in de 11e eeuw tot aan het jaar 1901, toen het bouwen van hout in het gehele land werd verboden, is vrijwel alles wat in de Zaanstreek is gebouwd in dit lichte bouwmateriaal opgetrokken.

De geringe draagkracht van de bodem werd en wordt veroorzaakt door de diepe ligging van de vaste pleistocene zandlaag, bijvoorbeeld in Zaandam op achttien tot twintig meter diepte, en de slappe samenstelling van de daarboven aanwezige veen- en kleimassa. Vanaf de 16e eeuw was het slechts mogelijk om met een door mankracht bediende heistelling korte palen van zes tot zeven meter de grond in te drijven. De draagkracht hiervan werd gevormd door de wrijving tussen deze palen en de omringende grondlagen. Dit werd 'op kleef heien' genoemd. Het 'op stuit heien' van palen van vijftien tot 25 meter werd pas sinds het laatst van de 19e eeuw mogelijk, toen mechanisch aangedreven heistellingen met zware heiblokken in gebruik kwamen.

Dat het bouwen in hout zo'n grote vlucht kon nemen werd mede veroorzaakt door de aanwezigheid van grote hoeveelheden hout, die vanuit het Rijnland en Scandinavië werden aangevoerd naar Amsterdam en andere steden langs de Zuiderzee.

1. Eerste bewoning

De eerste bewoning van de streek dateert blijkens bodemvondsten op z'n vroegst van 500 v.Chr. en duurde tot in de Romeinse tijd. Bebouwing vond plaats op de oeverwallen van veenkreken in Assendelft en Krommenie. De woningen en andere opstallen waren lichte gebouwen met een geraamte van ronde stammen en een dak van stro. Ze waren voorzien van wanden van tenen vlechtwerk, echter zonder vloer en fundering. Door stijging van het zeewater zijn de eerste bewoners tenslotte in de tweede en derde eeuw weggetrokken. Een tweede periode van, nu permanente, bewoning begon eerst honderden jaren later, in de 11e eeuw, toen het inmiddels ontstane hoogveen voor landbouwdoeleinden werd ontgonnen. Door het bezinken van zand in kreken en het oxyderen en inklinken van het hoogveen kwam het zand in de vorm van zanderige richels hoger te liggen dan het veen. De oudste bebouwing in de Zaanstreek vond plaats op deze iets hoger gelegen, en daardoor droge, richels en terpjes.

2. Bouwen in de 16e eeuw

In de 16e eeuw breidde de bebouwing van de uit de 13e tot de 15e eeuw stammende woonkernen zoals Assendelft, Krommenie, Westzaan, Zaandam, Oostzaan, Wormer en Jisp zich gestadig uit. De Zaanstreek leverde de sterk groeiende handelsstad Amsterdam zuivel, vis en gevogelte. Veel Zaankanters vonden werk als schepeling op Amsterdamse schepen. In Wormer en Jisp bloeide de eerste Zaanse levensmiddelenindustrie, het bakken van scheepsbeschuit. Ondanks deze betrekkelijke welvaart is helaas geen enkel houten of stenen pand uit deze eeuw overgebleven, deels doordat in de jaren 1572-1578 door de Spanjaarden veel panden zijn verwoest of verbrand, maar waarschijnlijk nog meer doordat woonhuizen met wanden van tenen vlechtwerk en nog met vloeren van aangestampte klei na de Spaanse tijd werden vervangen door panden met vrijdragende houten vloeren en wanden van houten planken.

Nadat in 1578 de stad Amsterdam de zijde van de Prins van Oranje had gekozen, kon tenslotte in vrijheid het herstel van de oorlogsschade in de Zaanstreek beginnen. Uit de 16e eeuw zijn slechts enkele onderdelen van de houtskeletten van boerderijen in Assendelft en Wormer over. Ook van de weinige stenen gebouwen uit deze eeuw is niets behouden gebleven. Hoogstwaarschijnlijk waren ze niet, of op te korte palen, gefundeerd, waardoor scheuren en verzakkingen ontstonden, zodat ze instortten of afgebroken moesten worden. Dit geschiedde met de gotische kerkjes te Wormer, verdwenen in 1807 en Jisp (1822), met de zogenoemde Stenen Kamer te Jisp en met de kerk in Krommeniedijk (1755).

Tenslotte viel de gotische toren van Westzaan door dezelfde oorzaak om in de Oudejaarsnacht van 1843.

3. Bouwen van hout in de 17e, 18e en 19e eeuw

In de 17e eeuw had de Zaanstreek haar groeiende welvaart enerzijds te danken aan de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam als aanvoerhaven van hout, zaden en Oosterse waren, maar anderzijds aan de eigen ontwikkeling van de scheepsbouw, de molentrafieken en de walvisvaart. Ook in het bouwen zijn beide facetten te onderscheiden. Aan de ene kant afhankelijkheid ten aanzien van de ontwikkeling van de stadse architectuur, maar aan de andere kant het vasthouden aan het bouwen in hout en een eigen ontwikkeling in de indeling van de huizen en in de vormgeving van het exterieur en interieur. In deze eeuwen verdichtte de bebouwing langs de Zaanoevers zich met woningen, bedrijfsmolens en pakhuizen. Daarnaast ontstond bebouwing langs paden en padsloten haaks op de dijken die de Zaan begrensden. Ondanks dit dichter op elkaar bouwen bleven de huizen de indeling en het woongerief houden van vrijstaande woningen. Alleen in Zaandam, op de Dam, langs de Hogendijk en rond de Oostzijderkerk ontstond een aaneengesloten bebouwing zoals in steden gebruikelijk was.

De noodzakelijke bescherming tegen verrotting van de grenen buitenwanden bestond aanvankelijk uit het teren ervan. Voor molens en pakhuizen zou dit nog tot op heden zo blijven. Voor woonhuizen ging men er spoedig toe over de teer te vervangen door groene verf. Tezamen met de witgeverfde kozijnen, waterborden en makelaars en met donkergroene of bruinrode luiken ontstond een bijzonder aantrekkelijke kleurrijke bebouwing, die sterk afweek van het straatbeeld in de steden. I

18e eeuw

In de 18e eeuw namen de scheepsbouw en de houtzagerij in Zaandam in omvang af, terwijl de papierindustrie en de olieslagerij in Zaandijk en Wormerveer een bloei beleefden. Als gevolg hiervan werden in Zaandijk door welgestelde kooplieden nieuwe panden gebouwd, danwel bestaande panden gemoderniseerd. Vele hiervan werden nu geheel of gedeeltelijk in steen opgetrokken. De hogere welstand maakte het sommigen mogelijk zich te ontspannen met boeierzeilen of te verpozen in tuinhuizen of koepels. Zowel aan de weg- als aan de Zaanzijde werd zo de Gortershoek de fraaiste woonbebouwing in de streek. Als gevolg van de grotere welstand werden tevens de gevels verfraaid door ze, naar het voorbeeld van de natuurstenen hals- en klokgevels in Amsterdam, te voorzien van gebeeldhouwde kuiven en krullen. In het binnenhuis bleef men de betegelde wanden versieren met blauwe of paarse tegeltableaus. Om de trek in schoorstenen te verbeteren, ontwikkelde men de geheel betegelde smuiger.

19e eeuw

De 19e eeuw bracht aanvankelijk een stilstand in het bouwen. De opleving na de Napoleontische oorlogen deed nog enige fraaie houten panden met siergevel ontstaan in Zaandijk en Krommenie, maar daarna werden dergelijke duurdere panden toch geheel in baksteen opgetrokken.

Voor de bouw van arbeiderswoningen, middenstandswoningen en winkels werd echter nog veel gebruik gemaakt van houten buitenwanden, hoewel de gevels aan de straat meestal in baksteen werden opgetrokken. De minder goede kwaliteit van de houten arbeiderswoningen leidde in 1877 in de gemeente Koog aan de Zaan tot een verbod op het bouwen van houten woningen. In de woningwet van 1901 kwam dit verbod voor het hele land te gelden.

4. Bouwen van baksteen in de 17e, 18e en 19e eeuw

Hoewel woonhuizen in de 17e en 18e eeuw voornamelijk in hout werden uitgevoerd waren er toch welgestelden die zich een huis van baksteen met een stadse allure lieten bouwen. Of nu alle muren van baksteen waren of alleen de voorgevel, vrijwel steeds was toch een inwendig houten skelet aanwezig. De baksteen verving slechts de houten gevel. Openbare gebouwen, zoals raad- en rechthuizen en kerken, werden in de meeste gevallen wel geheel in baksteen uitgevoerd. Uitgezonderd daarvan waren de kerken die geen eigendom waren van de hervormde gemeenten, zoals de (schuil)kerken van Doopsgezinden en Katholieken. De Lutherse kerk te Zaandam werd daarentegen in 1700 wel in baksteen gebouwd.

De meeste van de stenen woonhuizen werden in een sobere classicistische architectuur opgetrokken, zoals de panden te Zaandijk en Wormer die later als raadhuis in gebruik zouden worden genomen. Dezelfde eenvoud kenmerkte een aantal 18e-eeuwse weeshuizen in Zaandam, Westzaan en Krommenie, evenals de gesloopte raadhuisjes van Oost- en Westzaandam. Daarentegen zijn het raadhuis van Jisp en het rechthuis van Westzaan zeer opvallende gebouwen temidden van de houten woonbebouwing. Het raadhuis van Jisp, gebouwd in 1611 en verfraaid in 1650, staat aan de oever van de dorpssloot en is met zijn twee trapgevels en de fraaie, van zandstenen voluten voorziene halsgevel, een levend bewijs van de betrokkenheid van de scheepsbeschuit-industrie met het schiprijk Amsterdam in het begin van de 17e eeuw. Het rechthuis te Westzaan, in 1783 gebouwd als zetel van de Banne Westzaan, personifieert eveneens, maar op geheel andere wijze, de macht van het plaatselijk bestuur. Geplaatst in het hart van de Kerkbuurt paart het in zijn verschijning met het klassieke zuilenfront en koepeltorentje, sierlijkheid aan monumentaliteit.

De in steen uitgevoerde 17e- en 15e-eeuwse kerkgebouwen behoorden dus alle, met uitzondering van de Lutherse kerk te Zaandam (1700), aan de Hervormde gemeenten. De kerkgebouwen uit de 17e eeuw zijn alle voorzien van zeer grote ramen in spitsboogvorm, waardoor een overvloedig licht naar binnen viel, dat echter in veel gevallen werd getemperd door kleurige glas-in-loodramen met meestal profane voorstellingen. De kerken die in de 18e eeuw zijn gebouwd of vergroot, zijn van rondboogramen voorzien.

5. Houten bedrijfsgebouwen 1600-1900

De bedrijfsgebouwen die in de 17e en 18e eeuw ten dienste stonden van de Zaanse nijverheid en handel, zoals de industriemolens, de houtloodsen, schuren en pakhuizen, waren geheel van hout opgetrokken en wel om dezelfde redenen die hiervóór voor de woonhuizen zijn vermeld. Een verschil was echter dat de pakhuizen, waarin bijvoorbeeld balen lijnzaad hoog werden opgestapeld, voorzien werden van vele tussenstijlen, om de hoge vloerbelastingen te kunnen dragen. In 1731 waren zelfs 286 schuren en pakhuizen van hout in de Zaanstreek aanwezig. Ook in de 19e eeuw werden nog veel houten bedrijfspanden, pakhuizen en vemen gebouwd. In het zogeheten Pakhuisboek van 1905 staan nog 229 houten pakhuizen vermeld. Na 1901 werd bij de wet het bouwen in hout verboden, dus ook het bouwen van houten pakhuizen. De bouw van kleinere houten schuren en droogloodsen werd echter nog toegestaan.

6. Eigentijds bouwen in de 19e eeuw

Hoewel het bouwen in hout van eenvoudige woningen, schuren en werkplaatsen gedurende de 19e eeuw gebruikelijk bleef, werden de meeste grotere gebouwen zoals raadhuizen, kerken, fabrieken en woningen voor welgestelden, nu in baksteen opgetrokken. Verbeterde funderingstechnieken en meer inzicht in de draagkracht van heipalen maakten het bouwen van zwaardere stenen gebouwen op de slappe ondergrond in de Zaanstreek mogelijk.

De Doopsgezinde kerk in Wormerveer was de eerste kerk die in 1830 in een eigentijdse architectuur, een mengeling van classicistische vormen in een strenge Empire-stijl, werd opgetrokken. In het algemeen had het eigentijds bouwen in de 19e eeuw echter niet zozeer nieuwe vormen ten gevolge. Met de grote vooruitgang in bouwtechniek door de toepassing van gietijzer, gewalst staal en grote glasruiten, werd het bouwen gedwongen in vormen van bouwstijlen van voorafgaande eeuwen.

Vanaf circa 1850 kan de architectuur worden onderscheiden in stromingen als neogotiek, neorenaissance, neobarok en neoclassicisme. Tegen deze stijlnamaak of eclecticisme, ontstond in Frankrijk en Engeland in de laatste helft van de 19e eeuw oppositie en als gevolg hiervan een herleving van functioneel onderbouwde vormgeving in de toegepaste kunst en architectuur. In Nederland was dr. Jos Cuypers de belangrijkste voorman, waarbij hij de functionele constructies en bouwvormen van de gotiek als uitgangspunt nam. Hij en zijn medestanders bouwden honderden Katholieke kerken in deze gotische traditie. Behalve de kerken in Assendelft en Wormerveer zijn alle overige Katholieke kerken in de Zaanstreek in deze stijl opgetrokken.

De stenen woonhuizen die in de 19e eeuw in de Zaanstreek werden gebouwd onderscheidden zich vóór circa 1870 door uiterste soberheid, gepaard aan goede verhoudingen. Daarbij moet de naam worden genoemd van de gemeente-architect Ludovicus Johannes Immink. Na 1870 volgde navolging van de vele neostijlen en hun mengvormen. Veel invloed hierbij oefenden tevens de openbare gebouwen uit die in deze tijd in Amsterdam werden voltooid, zoals het Centraal Station, het Rijksmuseum en het Rijkspostkantoor.

Ook het werk van dr. Hendrik Petrus Berlage, die aanvankelijk werkte in de neo-renaissancestijl maar na circa 1880 tot een functionele vormgeving kwam, vond in de Zaanstreek navolging in de toepassing van natuursteen en zichtbare draagconstructies. De nieuwe raadhuizen van Zaandam, Koog en Wormerveer, alsmede Doopsgezinde kerk, de Doofpot en de synagoge te Zaandam, de voorbouw van de Noordervermaning te Westzaan en een groot aantal woningen voor welgestelden in Zaandam en Wormerveer werden opgetrokken in een stijl, die in het jaar van de bouw in den lande gebruikelijk was.

7. Eigentijds bouwen ín de 20e eeuw

In de periode 1900-1914 werd het bouwen in de Zaanstreek bepaald door de ontwikkeling van de architectuur en bouwtechniek in den lande. Voornamelijk Amsterdamse architecten bouwden hier fabrieken, woningen voor welgestelden en de arbeiderswoningen die ingevolge de Woningwet van 1901 met financiële steun van het rijk konden worden gebouwd. Maar in deze periode kregen ook, meer dan voor 1900, plaatselijke aannemers die tevens als architect optraden opdrachten voor het ontwerpen van fabrieken en woningen. Tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog verrichtte de toen jonge architect Martinus Joannes Stam uit Wormerveer baanbrekend werk als architect en constructeur van geheel uit gewapend beton opgetrokken fabrieksgebouwen.

Tussen de beide wereldoorlogen ontwikkelde de bouwnijverheid zich voorspoedig door de bouw van nieuwe fabrieken, onder andere Bruynzeel en silo's te Zaandam. Voor de groeiende bevolking werden nieuwe woonwijken ontsloten, vooral na de totstandkoming van de Provincialeweg (N203) Amsterdam-Alkmaar. Tevens kwam een aantal openbare voorzieningen tot stand, zoals het Algemeen Slachthuis voor de Zaanstreek, de Centrale Ambachtsschool voor de Zaanstreek en het Gemeentelijk Ziekenhuis voor de Zaanstreek, alle te Zaandam. Deze ontwikkeling werd tenslotte sterk afgeremd door de economische crisis in de jaren '30 van de twintigste eeuw.

Na 1945

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het bouwen langzaam op gang. De streek was voor oorlogsverwoestingen gespaard gebleven en het verkeersoponthoud bij de ponten over het Noordzeekanaal vormde een belemmering voor de vestiging van nieuwe industrieën. Pas na het gereedkomen van de Coentunnel in 1966 kwam hierin verbetering. Industrieterreinen werden in Zaandam, Krommenie en Wormer aangelegd voor nieuwe bedrijven en voor bedrijven die voor verplaatsing uit woongebieden in aanmerking kwamen. In de jaren '70 en '80 werd door de sluiting van bijvoorbeeld Verblifa (Verenigde Blikfabrieken), Van Gelder en delen van Bruynzeel en door verplaatsing van andere bedrijven naar buiten de Zaanstreek een gevoelige slag toegebracht aan de Zaanse industrie.

Ook de woningbouw kwam na de Tweede Wereldoorlog slechts langzaam op gang. De totstandkoming van de Coentunnelweg was mede aanleiding tot de aanleg van nieuwe stadsdelen te Zaandam tussen de Oostzijde en de nieuwe Rijksweg A8. Deze bebouwing ten oosten van de Zaan vond zijn voltooiing in de nieuwe wijk tussen de oude buurtschap het Kalf en het ten behoeve van de zandwinning gegraven meer de Jagersplas. Voor het eerst werd in de Zaanstreek hoogbouw in 14 lagen toegepast in het Zaandamse Peldersveld, tevens kwam in de nieuwe wijken aantrekkelijke laagbouw tot stand. Ten westen van de spoorlijn door de Zaanstreek ontstond de nieuwe wijk Westerkoog, daarop in het zuiden aansluitend werd in de jaren '80 de wijk Westerwatering aangelegd.

In Krommenie ontstonden ten noorden van de oude dorpskern bijzonder aantrekkelijke wijken met een gemengde bebouwing van laagbouw en etagebouw. In al deze nieuwe uitbreidingen en wijken werden allerlei wijkvoorzieningen gerealiseerd, zoals bejaardenhuizen, buurthuizen, scholen voor lager en middelbaar onderwijs, winkelcentra enzovoort. In de wijk Rooswijk werd na de tot standkoming van de gemeente Zaanstad een nieuw raadhuis De Bannehof gebouwd, terwijl in 1987 een grote uitbreiding is gegeven aan het streekziekenhuis De Heel.

8. Kerkbouw in de 19e en 20e eeuw

De algemene verarming tengevolge van de Napoleontische oorlogen, had tot gevolg dat in de eerste helft van de 19e eeuw weinig nieuwe kerken werden gebouwd. De bouw van de hervormde kerken in Jisp en Wormer (1809 en 1822) was noodzakelijk, omdat deze nieuwe gebouwen ter vervanging dienden van zeer bouwvallige gotische kerken. Ook de bouw van de doopsgezinde kerk te Wormerveer (1830) was ter vervanging van een houten schuilkerk. Op theologisch gebied, alsook op het gebied van de organisatie van het kerkelijk leven, bracht de 19e eeuw evenwel veranderingen die grote gevolgen hadden voor de kerkbouw.

De scheiding van kerk en staat was in 1795 afgekondigd, alle kerkgenootschappen werden toen gelijkberechtigd. Het gevolg was dat de Hervormde kerk haar bevoorrechte positie als staatskerk verloor. Anderzijds ontstond in deze kerk oppositie tegen de moderne geest des tijds (het Réveil) dat in 1834 tot afscheiding van de Gereformeerden van de Hervormden leidde. De Gereformeerden waren genoodzaakt om zelf nieuwe kerken te stichten. In alle Zaangemeenten bouwden zij hun meestal kleine kerkgebouwen, in een stijl die gebruik maakte van classicistische en neo-gotische vormen.

Tenslotte vormde het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 aanleiding tot de bouw van vele nieuwe Katholieke kerken, onder andere in Zaandam, het Kalf, Wormer, Wormerveer, Krommenie en Assendelft. Ze zijn alle gebouwd door leerlingen of volgelingen van dr. Pierre_Cuypers, die in zijn architectuur uitging van constructies uit de gotiek, zoals gemetselde gewelven, spitsboogramen, steunberen en hoge spitse torens. Voor het overige bouwden de Doopsgezinden nieuwe kerken in Zaandam en Wormerveer, terwijl in Zaandijk, na een verwoestende brand in 1878, de Hervormde kerk in een toen moderne stijl werd herbouwd. In 1865 bouwde de Joodse Gemeente de Synagoge te Zaandam.

Na de Tweede Wereldoorlog werd als gevolg van de bevolkingsaanwas en de aanvankelijk oplevende kerkelijke belangstelling een groot aantal moderne kerkgebouwen gebouwd in opdracht van de bestaande kerkgenootschappen. De voornaamste was de Paaskerk te Zaandam waarin ramen van gekleurd glas van Karel Appel zijn aangebracht. Tenslotte kan vermeld worden dat een aantal kleine kerkgenootschapjes kerken stichtten in de Zaanstreek.

9. Bedrijfsgebouwen, baksteen, gewapend beton, staal 1850-heden

De intrede van de stoommachine in de Zaanstreek als aandrijfkracht bracht grote veranderingen in de bouw van fabrieken en pakhuizen. De zware belasting door de stalen stoomketels, machinerieën en de hoge schoorstenen, en het brandgevaar door de vuren en de afvoer van de hete sintels leidden ertoe dat de ketelhuizen van fabrieken en watergemalen met bakstenen muren en vloeren werden uitgevoerd.

Ingrijpende wijziging onderging ook het productieproces. Speelde dit zich voorheen af op de begane grond van de molens, de schaalvergroting in de productie noodzaakte om deze op meer verdiepingen te doen plaatsvinden. De ruwe grondstoffen werden naar de bovenste verdieping getransporteerd. Deze grondstoffen passeerden vervolgens de op lagere verdiepingen gelegen bewerkingsmachines, om tenslotte als gereed product op de begane grond aan te komen. Voor deze nieuwe productiewijze waren gebouwen nodig van drie tot zes verdiepingen, uitgevoerd met zware stenen muren, waartussen vloeren of kolommen van staal of gewapend beton. Deze bouwwijze bepaalde het beeld van de industriële bebouwing tot 1940. Kort voor en na de Eerste Wereldoorlog ontstonden tevens bedrijfsgebouwen en graansilo's die geheel uit gewapend beton waren opgetrokken. Nadien zouden nog vele graansilo's het silhouet van de Zaanstreek mede gaan bepalen.

Na 1945 traden grote veranderingen in de fabrieksbouw op. Het wegvervoer verdrong het vervoer te water. Nieuwe industrieterreinen werden in Zaandam, Krommenie en Wormer aangelegd. Uit Amerika werden nieuwe machines geïmporteerd, die uitgingen van een compacte horizontale productielijn. Hierdoor keerde de bouw van fabrieken van een enkele bouwlaag weer terug. De omhulling van deze fabrieken behoefde geen zware belastingen meer te dragen en kon daarom licht worden geconstrueerd, door de toepassing van een geraamte van stalen stijlen en balken, bekleed met geprofileerde stalen platen. Een enkele maal ontbrak zelfs het omhullende gebouw, zoals bij de nieuwe raffinaderij van Loders-Croklaan te Wormerveer.

J. Schipper Jr.