Crisis jaren '30

Naam voor de economische malaise die zich in de jaren '30 van de 20e eeuw deed voelen. Voor Nederland lagen de crisisjaren vooral tussen 1932 en 1936. In de Zaanstreek werd de economische situatie minder slecht dan in omringende gebieden. De crisis van de jaren '30 zette in met de beurskrach van Wall Street op 'zwarte donderdag', 24 oktober 1929. De '“opgeblazen economie' van de Verenigde Staten zakte als een pudding ineen, Westeuropese economieen volgden. Het handelsrijke Nederland, en dat gold zeker ook de Zaanstreek, had een bijzonder open economie; de crisis werd hier dan ook al snel gevoeld. Grondstofprijzen daalden, in het bijzonder de toch al zwakke agrarische sector leed hieronder. Arbeiders van met name de oude industrieën werden en masse ontslagen. Zij waren aangewezen op de steun en moesten (veelal twee keer per dag) stempelen. Hun situatie was bijzonder slecht. De economische situatie van de arbeiders die hun werk behielden werd gunstig beinvloed door de prijsdalingen. De grondstofprijzen werden tussen 1929 en 1933 gehalveerd. Ten opzichte van de jaren '20 ging ook de situatie van arbeiders met werk achteruit, maar hun situatie was niet slechter dan die van omstreeks 1910.

De crisis duurde in Nederland langer dan in de omringende landen; het hoogste aantal werklozen werd pas in 1936 bereikt. Protectiemaatregelen van andere landen (voor handelsland Nederland zeer belemmerend) en het vasthouden aan de harde gulden door de kabinetten Colijn (eerst in 1936 werd de waarde van de gulden losgekoppeld van het goud), verslechterden de toestand. Overheidsuitgaven rezen de pan uit. Onvoorziene posten reduceerden het nut van begrotingen tot nul. Dit gold zowel de landelijke als de gemeentelijke overheden. Pas omstreeks 1938, toen de economie onder invloed van de politieke situatie in Europa verbeterde, konden weer normale begrotingen worden opgesteld.

Zaanstreek

De gevolgen van de crisis deden zich in de Zaanstreek minder hard voelen dan elders in Nederland, maar weken in principe niet af. Grote groepen arbeiders werden ontslagen, winkeliers hielden permanent uitverkoop of moesten hun zaak sluiten, doordat hun cliënten over onvoldoende geld beschikten. Er werd zwart gewerkt, er was straatverkoop, en de verzuiling (de vereniging binnen religieuze of ideologische stromingen) zette zich versterkt door. Arbeidsconflicten (zie: Arbeidsverhoudingen) en stakingen deden zich nauwelijks voor. Behoud van werk ging voor gunstiger lonen of Arbeidsomstandigheden.

De situatie in de Zaanstreek bleef minder ernstig dan elders. Hier waren betrekkelijk veel jonge industrieën aanwezig: Verkade, Hille, Albert Heijn (zie: Ahold), Simon de Wit en de Artillerie Inrichtingen, die tegen de verdrukking in groeiden. De op export gerichte bedrijven en de transport- en bouwbedrijven hadden het moeilijker. Ruim de helft van de 2500 Zaanse werklozen van 1936 had voorheen een baan in deze sectoren gehad. Andere getroffen sectoren waren houtbewerking, levensmiddelenbedrijf en metaalindustrie. De Zaanse werklozen wisten zich gesteund door een groot deel van de plaatselijke politici. De socialistische raadsmeerderheid in Zaandam wist lang de uitzending van werklozen ten behoeve van de werkverschaffing te voorkomen. Dwang uit Den Haag veranderde dit. Er moesten Zaandammers voor een project in Giethoorn worden geleverd, anders zou alle financiële steun uit Den Haag worden stopgezet. De Zaanse overheden bleven er daarna naar streven het lot van de hulpbehoevenden zo dragelijk mogelijk te maken. Er werden publieke werken uitgevoerd (onder andere de Haremakersluis te Zaandam en het Agathepark te Krommenie).

Gestreefd werd naar een goede steunverdeling en werkverruiming, waarbij de hoogte van de bestaande lonen zoveel mogelijk werd gehandhaafd. Dit laatste bleek evenwel niet haalbaar, waardoor de in de gemeentelijke werkverschaffing tewerkgestelden toch met een karig loon genoegen moesten nemen. Om hun situatie te verbeteren werd bijvoorbeeld in Wormer gemeentegrond afgestaan aan werklozen, die daar belastingvrij en met zaad van de gemeente hun eigen groenten konden kweken. Al deze maatregelen ten spijt waren de jaren '30 voor diegenen die het ongeluk hadden in de steun te komen een donkere tijd. Kledingstukken werden afgedragen tot zij tot op de draad versleten waren, voedsel was er soms tekort. De voor de crisis al structurele woningnood, werd in de jaren '30 aanmerkelijk groter.

Literatuur:

  • F. van der Putte en R. Hartmans, Zaandam in de crisis, Amsterdam, z. j.