2.1. Inleiding

2 De structuur van de Zaanse economie

Uit de algemene inleiding is gebleken dat in beginsel een reeks van structuurbepalende elementen en factoren bruikbaar is om een goed beeld te geven van de economie van de Zaanstreek. Er zijn ook verscheidene rapporten en andere publicaties over dit onderwerp beschikbaar (zie de bronvermelding). In het beperkte kader van een encyclopedie bijdrage zou het te ver voeren alle aspecten in beschouwing te nemen. Bovendien zijn bij de statistische bureaus niet altijd voldoende betrouwbare en tevens actuele gegevens aanwezig, zodra men 'afdaalt' van een algemene (macro)benadering naar het (meso-)niveau van bedrijfstakken en kleinere regio's. Dat houdt verband met de geheimhoudingsplicht inzake individuele bedrijfsgegevens en vooral ook met de beperkte middelen die de ambtelijke bureaus ter beschikking staan (in de Zaanstreek de afdeling Onderzoek en Planning vroeger het Sociografisch Bureau Zaanstreek).

We moeten derhalve volstaan met enkele hoofdzaken en specifieke onderwerpen en de in meer bijzonderheden geïntresseerde lezer verwijzen naar de bronpublicaties. Ook andere artikelen in de encyclope die bevatten veel details over de ontwikkeling van de Zaanse economie en het Zaanse bedrijfsleven (zie daarvoor het hieraan voorafgaande artikel *Economischc geschiede nis, met het verwijstableau)

2 2 Het Zaanse product een mand vol guldens

Een van de manieren om het reilen en zeilen van de Zaanse economie te beschouwen is door middel van de geldwaarde van de productie van goederen en diensten. Daarbi] gebeurt in beginsel op streekniveau hetzelfde als op nationale schaal namelijk de berekening van het regionaal product vergelijkbaar met het nationaal product. Schematisch is de berekening als volgt, met cijfers van 1984 (latere jaren zijn nog niet gepubliceerd)

a productiewaarde van alle in de Zaanstreek geproduceerde goederen en diensten door bedrijven en overheid ƒ 8 077 miljoen
b waarde van verbruikte grondstoffen, materialen brandstoffen diensten, enzovoort ƒ 4 935 miljoen
c toegevoegde waarde of regionaal product (ƒ 8 077 miljoen minus ƒ 4 953 miljoen = ) ƒ 3 124 miljoen

Het Zaanse product had dus in 1984 een berekende (geschatte) marktwaarde van ruim acht miljard gulden.

Voor de provincie Noord Holland was het vergelijkbare bedrag bi|na ƒ 133 miljard en voor geheel Nederland bijna ƒ 790 miljard. De Zaanstreek zorgt dus voor 6 procent van de provinciale productie en voor 1 procent van de totale binnenlandse productie. De echte Zaanse productie bedroeg ruim drie miljard gulden dat is de waardevermeerdering die in de Zaanse bedrijven plaats vond, de zogenaamde toegevoegde waarde (productiewaarde minus verbruikswaarde).

De vergelijkbare cijfers voor Noord Holland en Nederland zijn respectievelijk ƒ 72 mil jard en ƒ 398 miljard. Omdat dergelijke bedragen ons normale voorstellingsvermogen te boven gaan zullen we er met langer bij stil staan en ons liever verdiepen in enkele facetten van het totale 'financiële plaatje'. Vanuit dit totaalbeeld kunnen we iets meer zeggen over de Zaanse economie namelijk over de herkomst en de bestemming van de productiewaarde waar gaat de mand vol Zaanse guldens naar toe en wie precies heeft hem gevuld. We zagen reeds dat van de ƒ 8 miljard bijna ƒ 5 miljard betrekking heeft op ingekochte goederen en diensten. De overblijvende ruim ƒ 3 miljard worden als volgt 'verdeeld' (afge rond) lonen en salarissen van werknemers, sociale lasten betaald door werkgevers, indirecte belastingen na aftrek van prijsverlagende subsidies, overige inkomens (huren pachten, rente, afschrijvingen winsten) 1400 mln 400 mln 300 mln 1000 min.

We zien dus dat ruim 45 procent van de toegevoegde waarde naar de werknemers gaat meer dan 20 procent naar de overheid en de rest - minder dan 35 procent komt terecht bij grondeigenaren, financiers en aandeelhouders of blijft in de bedri|ven. Samen vormen deze bedragen de zogenaamde beloningen voor de productiefactoren arbeid, kapitaal, grond en ondernemersactiviteit. Het antwoord op de vraag wie in 1984 de Zaanse productenmand heeft gevuld levert een globaal beeld van de productiestructuur.

In een schematisch overzicht beperken we ons eerst tot de vier genoemde productiesectoren (de primaire of agrarische sector de secundaire of industriële sector inclusief de bouw, de tertiaire of commerciële diensten sector en de kwartaire of niet commerciële dienstensector) en de overheid., De financiële gegevens zijn vermeld in miljoenen guldens het arbeidsvolume (werknemers) in arbeidsjaren (voltijdbanen).

Ter vergelijking zijn de cijfers van 1974 vermeld waardoor ook structuurwijzigingen zichtbaar worden. Uit globale cijfers kunnen uiteraard geen specifieke conclusies worden getrokken maar het globale beeld wordt al duidelijk de economische structuur wordt niet meer uitsluitend bepaald door de industrie. Weliswaar is de productiewaarde van de nijverheid veruit de grootste, maar na aftrek van de verbruikswaarde blijft een Zaans industrieproduct over dat niet meer domineert, zoals dat tien jaar eerder nog het geval was. De inhoud van de Zaanse industnemand wordt gelijkwaardig bepaald door de industrie en de commerciële diensten, door de fabrieken en de kantoren. Ook in de werkgelegenheid is de structuurverandering duidelijk zichtbaar: het industriële arbeidsvolume is in tien jaar fors teruggelopen (rond 30 %), terwijl de marktsector van de dienstverlening nauwelijks heeft moeten 'inleveren'. Dat werkt natuurlijk ook door in de loonsommen en daarmee indirect in de bestedingen van consumenten. In 1974 betaalde de industrie meer aan lonen en sociale lasten dan alle andere sectoren bij elkaar, de overheid inbegrepen. Van elke tien guldens kwamen er zes uit de industrie. Tien jaar later waren dat er nog vier en een half.

De kwartaire sector en de overheid vertonen ten opzichte van de commerciële diensten een eigen ontwikkeling. Enerzijds neemt het gezamenlijke arbeidsvolume toe in de beschouwde periode, met name bij de overheidsdiensten, anderzijds blijft de groei van hun dienstenpakket iets achter bij die van de commerciële sector.

2.3 Het Zaanse product nader bezien

De onmiskenbare verschuiving binnen de economische structuur van de Zaanstreek - van dominante industrie naar gelijkwaardige dienstverlening - heeft geleid tot verschillende, afwijkende uitspraken over het karakter van de Zaanse economie. Is nog steeds, als vanouds, sprake van een typisch industriegebied, of is dat een historische benaming?' Voor het antwoord op deze vraag beperken wij ons tot een drietal recente uitspraken en verwijzen voorts naar andere artikelen (Economische geschiedenis, Arbeidsplaatsen en bedrijfsgrootte).

Een onafhankelijke Zaanse commissie (de Commissie-Verzijl, naar haar voorzitter) is in een beknopt en bondig rapport 'Zaanstreek de moeite waard' van mening dat de betekenis van de nijverheid binnen de Zaanstreek niet meer zodanig is dat de Zaanstreek nog als industriegebied aan te merken valt. De commissie baseert haar uitspraak op de ontwikkeling van het arbeidsvolume in de nijverheid en de dienstverlening. Het aandeel van de nijverheid (exclusief de bouwnijverheid) daalde in de periode 1975-1983 van 45% naar 35% terwijl de totale dienstverlening (zonder onderscheid tussen commerciële en maatschappelijke diensten) in diezelfde periode steeg van 45% naar 55%. Voor de commissie spreken deze globale cijfers duidelijke taal vandaar de geciteerde uitspraak. Het rapport vermeldt ook dezelfde gegevens voor geheel Nederland. De industrie lag al op een tamelijk laag niveau (24%) en daalt langzaam door naar 21%.

De reeds sterk dominerende dienstverlening stijgt verder (van 60% naar 66%). In de conclusie over de Zaanse industrie spelen deze cijfers echter geen rol. De tweede uitspraak treffen we aan in de periodieke rapportage van de gemeente Zaanstad opgesteld door de hoofdafdeling 'Onderzoek en Planning de Zaanstreek' is nog steeds als vanouds een typisch industriegebied in Nederland. Deze uitspraak is juist wel gebaseerd op de vergelijking van de Zaanse industrie met die van Nederland als geheel. Hier is dus sprake van een andere belichting van de Zaanse industrie: niet ten opzichte van andere Zaanse bedrijven maar in relatie tot de landelijke industriële ontwikkeling. Hiermee wordt beklemtoond dat de Zaanse industrie (en andere sectoren) niet op een economisch eiland ligt maar onderdeel vormt van een grotere en open economie, die onderhevig is aan vele externe invloedsfactoren.

Het (relatief) industriële karakter van de Zaanstreek blijkt uit de cijfers zoals hieronder vermeld (voor 1977 geen vergelijkbare gegevens beschikbaar), exclusief bouwnijverheid, incl openbare nutsbedrijven. Uit deze cijfers met name uit de berekende percentages blijkt inderdaad dat de Zaanse economie aanmerkelijk meer door de industrie wordt bepaald dan de Nederlandse economie in haar geheel. Dat geldt vooral voor de werkgelegenheid in mindere mate ook voor de toegevoegde waarde (het regionaal product).
Overigens moet ook geconstateerd worden dat de positie van de industrie in de Zaanstreek sneller terugloopt dan gemiddeld in Nederland, althans in de periode 1977-1984. Het lijkt er zelfs op dat de Nederlandse industrie zich enigszins herstelt, hetgeen allerminst van de Zaanse industrie gezegd kan worden.

De derde uitspraak wordt gedaan in een provinciaal rapport 'Economische perspectieven voor de Zaanstreek', opgesteld door de Economisch-Technologische Dienst (ETD) voor Noord Holland. Uitgaande van het onderscheid tussen stuwende en verzorgende (of bevolkingsvolgzame) activiteiten wordt berekend dat 60% van de stuwende economische bedrijvigheid industrieel gericht is (of, anders gezegd 60% van de stuwende werkgelegenheid is industrie). De overige 40% bevindt zich in enkele tertiaire bedrijfstakken, zoals de groothandel, het transport, de zakelijke dienstverlening, enzovoort. De bouwnijverheid wordt nauwelijks als stuwende bedrijvigheid bestempeld, evenmin als de kwartaire sector. We zullen op de provinciale methodiek verder niet ingaan en volstaan met een overzicht van de werkgelegenheid in de Zaanstreek, onderscheiden naar stuwend en bevolkingsvolgzaam ('verzorgend' ) per sector. De cijfers zijn in procenten van de totale werkgelegenheid in 1981 (recentere gegevens zijn niet beschikbaar).

Het behoeft geen toelichting dat op grond van deze werkgelegenheidsanalyse de conclusie van de ETD-Noord-HoUand luidt dat de kracht van de Zaanse economie voor een groot deel ligt in de van oudsher gevestigde industrieën de voedings- en genotmiddelen industrie, de metaalindustrie, de hout- en meubelindustrie, de textielindustrie, de chemische industrie, de papierindustrie en de grafische nijverheid. Al met al is de conclusie gewettigd dat de economische structuur van de Zaanstreek nog steeds in overwegende mate een industrieel profiel heeft. Voor de Zaanstreek geldt bepaald nog niet dat zij op weg is naar de 'post-industriële samenleving', waarin de industrie plaats heeft moeten maken voor 'distributie en communicatie'. Zulks blijkt ook uit recente cijfers van het aantal arbeidsplaatsen in het gebied van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zaanland (Databank, december 1987). De gegevens zijn weliswaar niet direct vergelijkbaar met de eerder vermelde CBS-cijfers, maar geven wel een eigen, actueel beeld van de regionale structuur (inclusief enkele plaatsen buiten de Zaanstreek).

Van de ruim 38 000 arbeidsplaatsen, bezet de industrie (zonder nutsbedrijven) er 14.400 (38%), de detailhandel 5.300 (14%), de zakelijke dienstverlening 4.700 (12%), de bouwsector 3.900 (10 %), de verzorgende dienstverlening en de groothandel beide ruim 2.600 (dus elk 7%). De resterende ruim 4.100 arbeidsplaatsen (11%) worden bezet door de groep 'holdings' die niet naar sectortype is gespecificeerd. We mogen aannemen dat deze groep vooral betrekking heeft op enkele concerns in de voedingsindustrie (cacao) en de detailhandel (Ahold).

2.4 Enkele industriële bedrijfstakken naar waarde geschat

Binnen de totale Zaanse nijverheid, de secundaire sector, hebben zich in de loop der jaren wel verschuivingen voorgedaan. Financiële gegevens over de toegevoegde waarde zijn voor een aantal bedrijfstakken, afzonderlijk of samengevoegd, beschikbaar. De cijfers betreffen de waarde van het regionaal product in miljoenen guldens, voor twee peiljaren, 1974 en 1984. De cijfers tussen haken zijn groeipercentages in die periode. Uit deze globale cijfers blijkt dat de totale Zaanse nijverheid weliswaar met bijna 25% in waarde steeg, maar dat dat ook toe te schrijven is aan de nutsbedri|ven en de bouwsector en niet alleen aan de industrie. Deze nam gemiddeld slechts met 16 % toe.

Alleen de groep van metaalproducten en machines (incl. electrotechniek en transportmiddelen) heeft een forse groei doorgemaakt (75 %), de meeste andere bedrijfstakken bleven daar ver onder terwijl de textielgroep zelfs een negatieve groei doormaakte, de voedings- en genotmiddelenindustrie is nog steeds de grootste industriegroep met vanouds bekende grote ondernemingen, deels zelfstandig (Verkade, Wessanen,e.a.) deels tot internationale concerns behorend (Cacao De Zaan, Duyvis, e.a.), en daarnaast ook kleinere 'provisiekast-bedrijven', - de Zaanse metaal- en machine industrie neemt de tweede plaats in, deze groep wordt gevormd door een grote verscheidenheid van kleine en middelgrote bedrijven, en een enkele grote onderneming zoals Eurometaal, - de Zaanse textielindustrie is minder veelzijdig en wordt in hoofdzaak bepaald door de linoleumproductie (Forbo Krommenie) en industriële textielproducten (transportbanden bijvoorbeeld met vier kleine bedrijven - de chemische industrie in de streek is niet zozeer een basisindustrie die ruwe grondstoffen verwerkt, als wel een die voornamelijk eindproducten maakt.

Traditioneel is er de verf- en zeepproductie, van jongere datum onder andere de groeiende geneesmiddelenindustrie (Medicopharma en Norit), - enkele traditionele Zaanse industrieën zijn sterk in betekenis verminderd. Dat geldt vooral voor de hout- en meubelindustrie na het uiteenvallen van het vroegere Bruynzeelconcern in Zaandam. De papierindustrie is na de sluiting van Van Gelder Papier te Wormer voornamelijk gericht op de fabricage van verpakkingsmateriaal, onder andere voor de eigen voedingsmiddelenindustrie, en daardoor alleszins een kansrijke bedrijfstak. De grootste producenten zijn Bolding en 'De Hoop' tenslotte enkele kleine bedrijfstakken, de grafische industrie en de electrotechnische industrie. 'Klein maar fijn' is hier wellicht de beste omschrijving. Grote ondernemingen in deze industrieën kent de Zaanstreek niet, die zijn elders in de provincie gevestigd (Amsterdam, Haarlem en het Gooi). Of deze zogenaamde kansrijke activiteiten ook in de Zaanstreek van groter belang zullen worden, hangt mede af van het vestigingsklimaat. Over dat onderwerp gaat de volgende paragraaf

2.5. Het industriële productiemilieu

Ligt de kracht van de Zaanse economie voor een niet onbelangrijk deel in de van oudsher gevestigde industrieën, het is tevens haar Achilleshiel. Immers, het zijn vaak de traditionele industrieën die in de moordende concurrentiestrijd op de wereldmarkt alle zeilen moeten bijzetten en fors moeten herstructureren om hun marktaandeel te kunnen behouden.

Met deze uitspraak in het eerder genoemde ETD rapport over de economische perspectieven voor de Zaanstreek geraken we bij het vraagstuk van de toekomstige ontwikkeling van de Zaanse economie, in het bijzonder van de Zaanse industrie. We zullen ons uiteraard niet wagen aan afzet en winstprognoses. Wel kunnen we enkele sterke en zwakke kanten van de Zaanse economie betrekken op de ontwikkelingsmogelijkheden van de Zaanse industrie. Daartoe lijkt het zinnig om een globale evaluatie te hanteren van een aantal factoren van het zogenaamde productiemilieu. Het onderstaande overzicht is grotendeels ontleend aan het ETD-rapport. De sterkte- en zwaktesymbolen hebben de volgende betekenis de Zaanstreek scoort minder dan Noord-Holland gemiddeld - , de Zaanstreek onderscheidt zich niet van het gemiddelde o, de Zaanstreek onderscheidt zich positief binnen Noord-Holland -f

Het resultaat van het meten en wegen van deze indicatoren is een globaal totaal oordeel over de kwaliteit van productiemilieu en -structuur. Al met al wordt de Zaanstreek gekwalificeerd als een 'gemiddelde' regio of wellicht iets daarboven. Daarmee bevindt zij zich in het provinciale gezelschap van onder andere de IJ-mond en de regio Alkmaar, alsmede van twee andere traditionele industriegebieden, namelijk Twente en westelijk Noord-Brabant. Hoger in de rangorde bevinden zich bi|voorbeeld de agglomeratie Haarlem en Groot-Amsterdam (inclusief onder andere Waterland, Amstelveen en Haarlemmermeer/Schiphol), lager gekwalificeerd is onder andere de Kop van Noord-Holland.

Nader bezien, worden als zwakke punten van de Zaanstreek met name genoemd het ontbreken van instellingen voor hoger beroepsonderwijs (HBO) en het wellicht mede daardoor lager dan gemiddelde opleidingsniveau van de Zaanse beroepsbevolking, alsmede (oorzaak of gevolg) het ontbreken van kenniscentra en van een sterke, moderne electrotechnische industrie. Van geheel andere aard is het relatief minder aantrekkelijke woonmilieu in de Zaanstreek. Bij dit 'Rapport' over het Zaanse productie milieu moeten enkele kanttekeningen worden geplaatst - de keuze van de indicatoren en de daaraan toegekende gewichten is in zekere mate arbitrair en mede afhankelijk van beschikbare en betrouwbare gegevens. Niet alles kan worden gemeten. Zo is het alleszins denkbaar dat binnen de muren van Zaanse ondernemingen meer kennis en innovatie aanwezig is dan volgens een wetenschappelijk model kan worden gesignaleerd, - er is sprake van een momentopname in een bestaande situatie waarbij toekomstige veranderingen weinig gewicht in de schaal leggen. Men denke aan de Voorzaanbrug en de 'tweede Coentunnel', aan het veranderende beleid inzake erfpacht enzovoort, het betreft hier globale meso- of zelfs macro indicatoren, die met voor elke bedrijfstak in dezelfde mate van belang zijn, laat staan voor elke onderneming.

In beginsel heeft elke bedrijvigheid haar eigen productiemilieu en stelt zij eigen eisen aan het gebied van vestiging. Daardoor kunnen grote verschillen voorkomen in de waardering van de indicatoren, bijvoorbeeld ten aanzien van de bedrijfsruimte. Daarover zal het midden- en kleinbedrijf allicht anders oordelen dan het grootbedrijf, - niet alle indicatoren zijn even 'hard', dat wil zeggen objectief meetbaar. Soms spelen meer subjectieve, moeilijk meetbare elementen een rol. Het (Zaanse) woonmilieu zou hiervan een voorbeeld kunnen zijn, - tenslotte een laatste, maar niet het minste, punt het aanpassingsvermogen van ondernemingen. Het ondernemerschap is naar haar aard de kunst van het combineren en variëren, en zo nodig improviseren. In de encyclopedie worden hiervan vele voorbeelden genoemd. Aanpassen aan veranderende omstandigheden is eigenlijk het dagelijkse werk in de (gezonde) onderneming. Zo zullen zwakke facetten in het regionaal productiemilieu veelal door de belanghebbende onderneming zelf worden gecorrigeerd. De soms moeilijke bereikbaarheid van de Zaanstreek zou hiervan een voorbeeld kunnen zijn. Een en ander neemt niet weg dat ook de overheid kan bijdragen tot een goed productiemilieu, zij het veelal in bescheiden mate. Strikt financieel-economisch gezien zijn haar middelen zeer beperkt, maar armslag is er in het vlak van 'bedrijfsvriendelijke' bestuursmaatregelen. Daaraan wordt in de encyclopedie apart aandacht geschonken (zie Overheidszorg)

drs. F.J. Noorbergen

Literatuur

  • Economisch-Technologische Dienst voor Noord-Holland, Economische perspectieven voor de Zaanstreek, Haarlem, 1985,
  • Commissie Verzijl, Zaanstreek, 'de moeite waard', Zaanstad, 1985,
  • Economisch-Technologische Dienst voor Noord- Holland, Cijfernota 1986, Haarlem, 1987,
  • Gemeente Zaanstad Zaanstreek de moeite waard, Zaanstad werkt eraan, Zaanstad, 1986,
  • Centraal Bureau voor de Statistiek Regionale economische jaarcijfers, Voorburg, diverse jaren.
  • Gemeente Zaanstad, hoofdafdeling Onderzoek en Planning Werken langs de Zaan, Zaanstad, diverse jaren