Familiebedrijven

De eerste twee generaties Verkade: E.G. Verkade Sr. en zijn zoons Ericus Gerardus Jr. en Arnold in 1896

Bedrijven waarvoor opeenvolgende generaties van een familie zowel het benodigde bedrijfskapitaal als de leidinggevenden leveren. Van eind 16e eeuw tot in de 20e eeuw hebben familiebedrijven de economische structuur van de Zaanstreek grotendeels bepaald. Van de vele Zaanse familiebedrijven kregen de grote industriële ondernemingen de meeste bekendheid (zie verwijstableau). Daarnaast hebben uiteraard in de agrarische sector, maar ook in de dienstverlening en bijvoorbeeld de walvisvaart veel families van vader op zoon deelgenomen.

Toen na de Spaanse troebelen in deze streken eind 16e eeuw de handel zich wat herstelde, kwam met de komst van de industriemolen een snelle groei van allerhande productiebedrijfjes op gang. Maar de Zaanse ondernemer bleef lang voor alles koopman en handelaar en vaak was het productiebedrijf voor het zakendoen van minder betekenis.

Bovendien hadden de Zaanse ondernemers zeker in de 17e eeuw de neiging hun risico`s te spreiden door belangen te hebben in diverse activiteiten. Zo had Gerrit Jansz Vis (1658-1709) een stijfselmakerij annex -handel, een graanhandel, was hij deelgenoot in een walvisrederij en had hij een aandeel in een oliemolen. Men werkte voor de productie graag in compagnieën, waarbij vaak de grootste aandeelhouder, dan wel een terzakekundige als 'gaandehouder' voor een bepaalde vergoeding het eigenlijke molenbedrijf beheerde.

Ambachtelijke gildestructuren ontbraken, waardoor ieder naar hartelust kon experimenteren of zich allengs specialiseren. Bepaalde families legden zich op een bezigheid toe, zoals vele generaties scheepsbouwers in de familie Rogge, verfhoutmalers van de familie Heyme Vis en papiermakers bij de vele takken van de familie Honig(h). Soms ontwikkelde een latere hoofdactiviteit zich aanvankelijk als nevenactiviteit. De vroegste leden van de familie Van de Stadt waren 'waterschippers' die onder meer houtvlotten versleepten over het IJ, waaruit als nevenbedrijf de houthandel ontstond. De sleepactiviteiten werden later geliquideerd, maar de houthandel bleef bestaan. Ook bijvoorbeeld de oliezaken van de familie Kaars Sijpesteijn ontwikkelden zich eerst heel bescheiden naast de grote belangen in de zeildoekfabricage en de rederij op Oost-Indië.

Van onder meer de volgende geslachtsnamen, die aan een familiebedrijf zijn verbonden, is in de encyclopedie een vermelding opgenomen.

Bij het ontstaan van een familiebedrijf speelde de schoonfamilie vaak een beduidende rol. Zo trouwde Cornelis Simon Prins (1771-1843), zoon van een bakker in de Dubbele Buurt te Wormerveer, met de rijke erfdochter Trijntje Oot (1775-1852) die van haar moeder een fortuin erfde van de familie Vas, waarmee Cornelis zijn olieslagerij De Liefde kon beginnen, die zou uitgroeien tot een der grootste oliefabrieken van West-Europa.

Hendrik Sijpesteijn (1773-1835) huwde Bregje Kaars(1775-1863), waardoor hun zoon Willem Sijpesteijn (1800-1855) de zeildoekrederij van zijn grootvader Jan Kaars kon erven. Hoewel de familie Middelhoven niet onbemiddeld was, ontstond de firma Weduwe Stadlander & Middelhoven uit het houtbedrijf van Hendrik Stadlander, toen diens weduwe Antje van Eys (1747-1820) zich associeerde met haar schoonzoon Jacob Middelhoven (1785-1846).

Een enkele keer werd het bedrijf in vrouwelijke lijn voortgezet, die dan weer de naam van de mannelijke lijn aannam. Een voorbeeld is het verfbedrijf Schoen. Toen Pieter Simonsz Vrouwes, zoon van Aafje Jansz Schoen (1720-1758) en Symon Claasz Vrouwes, de zaken van zijn oom Jan Claasz Schoen (1718-1777) erfde, ging hij zichzelf maar Pieter Simonsz Schoen (1745-1807) noemen en ook al zijn nakomelingen noemden zich Schoen. Een ander voorbeeld is het ontstaan van de olie-activiteiten in de papiermakersfamilie Honig(h), waarbij Gerrit zoon van Stijntje Caescoper(1683-1722) en Cornelis Jacobsz Honig (1683-1755), in de zaken van zijn ongetrouwde oom Gerrit Claes Caescoper (1685-1749) werd opgenomen, die hij later tot grote bloei bracht, zich noemende Gerrit Caescoper Honigzoon. Zijn nakomelingen noemden zich echter weer Honig.

De Zaanse ondernemers hadden de naam sober en zuinig te zijn, vaak tweedehands machinerieën te kopen, weinig aan de weg te timmeren en bijvoorbeeld slechts met tegenzin in kantoorruimte te investeren. Wellicht had deze geaardheid te maken met de Doopsgezinde levenshouding waartoe velen zich aangetrokken voelden. Om als goede mennonieten 'buiten trouw' te vermijden huwde men veel in eigen kring, waardoor vele kruisverbanden ontstonden tussen de industriële families en vermogens bij vererving streekgebonden bleven. De grootste zorg was de continuïteit van de bedrijven, teneinde ook voor de komende generaties een bestaansmogelijkheid te bieden. Vaak werden de winsten grotendeels ingehouden en kregen de eigenaars maar een zeer bescheiden vergoeding voor hun aandeel.

Ettelijke familiebedrijven hielden op te bestaan bij gebrek aan opvolgers in de familie. Zo stierf het bloeiende houtbedrijf Mats uit met de laatste firmant Cornelis Mats (1853-1896). Het bekende papierbedrijf van de familie Van der Ley werd tenslotte door de aangetrouwde neef Jan van Vleuten voortgezet, die op zijn beurt moest liquideren bij gebrek aan opvolgers. Nog een voorbeeld is dat van Dirk Blaauw (1701-1782), stichter van het bekende Blaauwe Hof te Wormerveer. Als zoon van eenvoudige mensen kwam hij terecht in papierzaken, die hij met voortvarendheid uitbreidde. Aangezien zijn beide zoons voor hem overleden kwam nog bij het leven van Dirk Blaauw een einde aan diens droom een familiebedrijf te stichten.

Andersom dreigden er ook problemen als er teveel zoons aanspraken lieten gelden. Zo hadden de zeer vermogende Jacob Vis (1748-1828) en Aaltje van Bergen (1782-1830) maar liefst tien volwassen kinderen, waarvan acht zonen. Ook Cornelis van de Stadt (1773-1857) had bijvoorbeeld acht zonen. In beide gevallen werd het familiebedrijf versnipperd, ook al omdat de verschillende molens gemakkelijk als aparte bedrijfjes konden worden geëxploiteerd. Was bovendien, in die tijd althans, een aanzienlijk deel van het familievermogen belegd in staatspapieren, dan zorgde de door Napoleon doorgevoerde tiercering van de staatsschuld ervoor dat daarvan maar een derde overbleef. Als dat dan weer over tien kinderen moest worden verdeeld dan werd voor hen de financiële basis wel erg smal.

Het werd in bepaalde families gewoonte om niet alle zonen in het familiebedrijf op te nemen. Zo volgde bij de familie Duyvis, Teewis Duvvis Jansz (1825-1875) zijn vader Jan Spekham Duyvis (1800-1862) op, terwijl de tweede zoon Jacob Duyvis (geb. 1832) peller werd en stijfselfabrikant. Teewis werd weer alleen door zijn zoon Ericus Gerardus opgevolgd, terwijl de andere zonen spoorwegingenieur, koopman, fabrieksingenieur en arts werden. Ook bij de papiermakersfamilie Van Gelder kwamen de vier zoons van de stichter Pieter Smidt van Gelder (1762-1842), Martinus, Hendrik, Pieter en Arend van Gelder wel in de zaken, maar van de negen kleinzoons in mannelijke lijn werden alleen de oudste zonen van ieder gezin (allen Pieter geheten) in het bedrijf opgenomen. Uiteindelijk werd het papierbedrijf zelfs geheel door de nakomelingen van maar een der firmanten beheerd.

Lang niet altijd konden broers die in een familiebedrijf werden opgenomen het zakelijk goed met elkaar vinden, en moest men besluiten uit elkaar te gaan. Zo besloten Bregtus Kaars Sijpesteijn (1827-1870) en Pieter Hendrik Kaars Sijpesteijn (1834-1903) in 1861 hun firma-contract te beëindigen. Zelfs als de zaken goed gingen werd het bedrijf wel gesplitst, zoals bij de familie Van de Stadt, toen in 1828 na het overlijden van hun moeder Huybert van de Stadt (1786-1814) en Cornelis van de Stadt (1793-1857) besloten werd ieder zijns weegs te gaan.

Maar vaker had het beëindigen van het bedrijf een economische reden, zoals na de Eerste Wereldoorlog bij de rijstpellerijen van de families Kamphuys, Blans en Vis. Een enkele maal kon een teruggang worden omgezet in een alternatieve activiteit, zoals de stichting van de Nederlandse Linoleum Fabriek, toen de lijnoliezaken van de familie Kaars Sijpesteijn slecht gingen (zie: Forbo Krommenie). Ook bij het ontstaan van de grote werkloosheid door het wegvallen van de vraag naar zeildoek ten gevolge van de opkomst van de stoomvaart, is door de Krommenieër zeildoekfabrikanten geholpen bij de financiering van de opkomende blikfabrieken in Krommenie als vervangende werkgelegenheid (zie: Verenigde Blikfabrieken Verblifa).

Waren de bedrijven echter echt succesvol dan verloren ze op den duur hun besloten familiekarakter doordat men een beroep op de kapitaalmarkt moest doen voor de financiering van de groei. Zo werden Wessanen & Laan, Albert Heijn, Van Gelder en Zonen en Verkade open vennootschappen, hoewel vaak nog familieleden in de bedrijfsleiding een rol bleven spelen. Daarnaast werden succesvolle familiebedrijven vaak overgenomen door multinationals en werd langs die weg de financiering veilig gesteld, zoals bij Crok & Laan), Duyvis, Gerkens Cacao Industrie bv, Cacao de Zaan en Storm van Bentem & Kluyver.

Ir. E.B. van Gelder