Landschap

Een landschap is het totaalbeeld van aan het aardoppervlak waarneembare verschijnselen, dat zich als een zelfstandig geheel onderscheidt.

In veel publicaties wordt, afhankelijk van de specialisatie van de auteur, slechts een beperkt aantal van deze verschijnselen behandeld, zoals reliëf, begroeiing, bebouwing, enzovoort. De kenmerken van het landschap zijn onder meer het gevolg van aan en boven het aardoppervlak opgetreden en (nog) optredende natuurlijke processen, daarnaast werden en worden ze ook bepaald door menselijke activiteiten. Teneinde de inzichtelijkheid te bevorderen is bij de hier volgende beschrijving vooral uitgegaan van zichtbare terreinkenmerken. De ontwikkeling van de kolonisatie en vooral de verschillende nederzettingsvormen en de verkavelingswijzen komen bij de gehanteerde typologie duidelijk naar voren. Het huidige landschap in de Zaanstreek is het resultaat van de geologische ontwikkeling, ingezet na de laatste ijstijd en het ingrijpen van de mens in het laatste deel van deze geologische ontwikkeling. Zie ook Natuur in de Zaanstreek 1. en 5. 1.

1. Het ontstaan van het Zaanse landschap

Onder de geologische opbouw wordt verstaan de opbouw van de bodem tot op grotere diepte. De bodemgesteldheid heeft betrekking op de eerste meter van het maaiveld. Ongeveer 3000 voor Chr. drong de zee West- en Noord-Nederland binnen en ontstond een 'waddenmilieu', waarin mariene zanden en kleien over het eerder ontstane veen werden afgezet, oude zeeklei, afzettingen van Calais. Deze sedimentatie ging door tot in het sub-boreaal (3000- 1000 v. Chr. ). Rond 2200 v. Chr. nam de invloed van de zee in West-Nederland af. In deze periode werd in het kustgebied een reeks zandige ruggen door de zee opgeworpen, strandwallen, waardoor duinvorming plaatsvond. Er ontstond zo een lange kustbarrière met er achter een verzoetende lagune, waarin veengroei ging optreden. In het vooralsnog brakke water ontstond laagveen, eutroof veen, maar door de verticale groei van het veen kwam het steeds verder van het grondwater af te liggen en ontstond er hoogveen, oligotroof veen. Het zo ontstane veenpakket, Hollands veen, bereikte op sommige plaatsen een dikte van 7 meter en bedekte op het laatst heel West-Nederland.

De afwatering verliep via veenstroompjes, die samenkwamen aan de randen van de veenkussens en daar kleine riviertjes vormden, zoals Spaarne, Liede, Zaan, Dye en Wormer. Langs deze riviertjes was het milieu meer voedselrijk, zodat daar nog eutroof veen groeide. Gedeeltelijk via deze riviertjes breidde de zee haar invloed later weer uit door stijging van de zeespiegel. Het werden zee-armen van waaruit het veengebied werd aangetast. Deze aantasting deed geulen en meren ontstaan en ook werd op vele plaatsen een kleidek afgezet, jonge zeeklei, afzettingen van Duinkerken. Zo ontstond ten westen van het Flevomeer, het huidige IJsselmeer, een groot plassen- en merengebied. Hierin lagen de Schermer, de Purmer, de Beemster en vele andere plassen, over het algemeen natuurlijke veenwateren; dit in tegenstelling tot de Wormer, die door vervening en afslag ontstond.

Tot in de Middeleeuwen was de Zaanstreek een onderdeel van het uitgestrekte veengebied. Door de vele overstromingen werd het veen met grote hoeveelheden zout doordrenkt. Met name het brakke water had bijzondere invloed op de karakteristiek van de Zaanstreek. De periode van geologische veranderingen eindigde met de permanente vestiging van de mens, welke mogelijk werd door het maken van dammen en dijken. Hierdoor verdween grotendeels de invloed van de zee. Deze ontwikkeling begon ergens tussen de 10e en 12e eeuw. Zo werden in de 13e eeuw Waterland en de landen van Westzaan en Assendelft beide omdijkt. De Zaan stond aanvankelijk in verbinding met de zee en was toen een eb- en vloedstroom.

2. Occupatie van de Zaanstreek

Onder occupatie verstaan we de menselijke ingebruikneming of permanente vestiging van een gebied. Zoals boven vermeld dateren de eerste menselijke activiteiten van enige omvang uit de 10e tot 12e eeuw na Chr. Voor het ontginnen van het drassige veengebied was veel doorzettingsvermogen vereist. Het gebied was slecht begaanbaar en mede als gevolg daarvan slecht bestuurbaar. De eerste bewoners van de Zaanstreek hielden zich bezig met de jacht en de visserij. In eerdere tijden was er wel sprake van tijdelijke bewoning, maar deze heeft geen zichtbare invloed op het landschap achtergelaten, zie Archeologie. De aanwezigheid van grote aanééngesloten onbestuurbare moerasgebieden was de feodale graven en bisschoppen een doorn in het oog. De wildernis moest ontgonnen, en onder een vorm van bestuur gebracht worden.

Het begaanbaar maken van deze gebieden zou onmogelijk geweest zijn wanneer de zee en de rivieren in die periode niet vrij rustig waren gebleven. De rivierbeddingen waren nog niet door hoge dijken versmald. De hoge waterstanden in het voorjaar konden dus betrekkelijk rustig afvloeien. Zolang het moerasgebied niet bedijkt en ontwaterd was, kon het veen niet inklinken en lag het oppervlak boven NAP. Nu, na eeuwenlange klink, liggen deze gebieden ruim één meter beneden NAP. Op de hoger gelegen strandwallen woonden reeds lang mensen. Vanuit deze gebieden vonden de eerste ontginningen plaats. De graven van Holland wisten deze te bevorderen door het verlenen van privileges aan mensen die de schop ter hand namen. Het doel der ontginningen was in eerste instantie akkerbouw mogelijk te maken. De wijze van ontginning was telkens hetzelfde; vanuit een veenstroom of riviertje en/of weg werd het omringende veenland verkaveld in lange. veelal smalle stroken loodrecht of schuin op de ontginnings-as.

De afwateringsgreppels die de kavels omsloten, liepen, om een goede afwatering te verkrijgen, zoveel mogelijk loodrecht op de 'hoogtelijnen' van het veenpakket. Om te voorkomen dat water van de nog niet ontgonnen gronden over de ontgonnen percelen zou stromen, werden aan het eind van de kavels dwarssloten gegraven die rechtstreeks loosden op het buitenwater zoals de Gouw en de Watering. Een dergelijke ontginning ging meestal in slagen; één slag omvatte circa 800 tot 1200 meter. De gegraven dwarssloot vormde in feite elke keer de basis voor een nieuwe slag. Op deze wijze begon het Zaanse landschap de vorm te krijgen zoals die nu nog zichtbaar is en ontstond het zo karakteristieke Slagenlandschap, ook wel veenpolderlandschap met strokenverkaveling genoemd. De ontginning heeft naar de Zaan toe plaatsgevonden. Al snel bleek dat door het onttrekken van water het veen ging inklinken. Dit is een proces van verterings- en zakkingsverschijnselen van ontwaterde veengronden. Hierdoor kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De mogelijkheden om af te wateren werden daardoor moeilijker. Om de afwatering intact te houden, moesten de afwateringsgreppels telkens uitgediept worden. Het gevolg was echter dat de greppels steeds breder werden, met name de hoofd-ontwateringssloten. Dit proces werd voortgezet tot een grondwaterniveau was bereikt waarbij verder uitbaggeren geen zin meer had. Voor akkerbouw waren deze kavels niet langer geschikt; veeteelt werd de belangrijkste activiteit.

Op veel plaatsen werden de aanwezige sloten nog verbreed door wilde verveningen vanwege het turfsteken. Door de overheersende westenwinden werden de noordoostoevers vaak aangetast. Op andere plaatsen vond daarentegen verlanding plaats. Tussen de brede sloten zijn laaggelegen legakkers blijven bestaan, die vaak apart werden bemalen door zogenaamde Petmolens. Het was als het ware drijvend land dat door bemaling in het midden inklonk, tot zelfs onder het peil van de aangrenzende sloten. Door het geringe verschil tussen maaiveld en slootwaterpeil is dit een sterk opvallend landschapstype met veel water. In de Zaanstreek kunnen twee vormen van het slagenlandschap onderscheiden worden:

  • Het waterrijke slagenlandschap. Dit is het type dat hiervoor is beschreven. De polder Westzaan, de polder Oostzaan, de Kalverpolder, Wormer- en Jisperveld en de Krommenieër Woudpolder behoren hiertoe.
  • Het slagenlandschap. Dit is een landschap waar als gevolg van de betere bodemgesteldheid minder en smallere ontwateringssloten noodzakelijk waren. Tijdens de pré-Romeinse transgressiefase is over het veen een kleilaag afgezet; met name aan de westkant van Assendelft is dat landschapstype goed zichtbaar. Mede als gevolg van ruilverkaveling kon het slootwaterpeil lager gehouden worden dan in bijvoorbeeld de polder Westzaan.

Bij deze twee vormen van het slagenlandschap hoort het zogenaamde weg-streekdorp als nederzettingsvorm. Kenmerken van deze dorpen zijn het agrarische karakter en de lintvormige opzet. Met uitzondering van de Wijde Wormer zijn alle Zaanse dorpen van oorsprong weg-streekdorpen. Opvallend zijn daarbij de typische stolpboerderijen, die in de 17e eeuw tot ontwikkeling kwamen. Bij de dorpen direct langs de Zaan en Krommenie heeft zich echter een andere, industriële ontwikkeling voorgedaan. Duidelijk zal zijn dat alle weg-streekdorpen in de Zaanstreek een verschillende ontwikkeling hebben doorgemaakt. De aanzet hiertoe ontstond in de Gouden Eeuw. De uitbreiding vond op drie manieren plaats:

  • op oude weide-eilanden (Krommenie) als gevolg van industrialisatie, dus geen agrarische bebouwing;
  • door verdere bebouwing langs de lengte-as (Wormer, Westzaan, voor een deel ook Krommenie, Oostzaan en Jisp);
  • bij een verdere groei, zoals in de al vroeg geïndustrialiseerde dorpen direct langs de Zaan, werden de dorpen in de lengte, maar tevens binnendijks verder uitgebreid langs oude sloten en paden.

De bedrijvigheid werd vaak op buitendijkse gebieden langs de Zaan gesitueerd zoals bij Wormerveer, Zaandijk, Koog aan de Zaan en Zaandam. De agrarische bedrijvigheid werd vervangen door handel en nijverheid. Teneinde de kenmerken per gebied aan te geven volgt nu een korte beschrijving van de te onderscheiden eenheden in het slagenlandschap.

3. Waterrijk slagenlandschap

3.1. De polder Westzaan

De polder Westzaan omvat de gebieden Guisveld, Noorderveld, het Reefgebied en het Westzijderveld. Deze polder geldt als fraai voorbeeld van het waterrijke slagenlandschap met een nog goed bewaard gebleven nederzettingsvorm weg-streekdorp. Het veenweide-karakter is duidelijk herkenbaar. De polder is naar alle waarschijnlijkheid ontgonnen vanuit de Reef en de Nauernasche vaart. Deze laatste was voorheen een veenstroom, genaamd Twiske. Het veenweide-karakter van de polder is intact gebleven. Voor andere agrarische activiteiten is het terrein te nat en niet te bewerken. De volgende elementen zijn kenmerkend voor het landschap van Westzaan:

  • A. de bijzondere langgerekte kavelvorm;
  • B. de grote openheid. Opgaande begroeiing en bebouwing ontbreken vrijwel in het weidegebied;
  • C. de rietstroken. Deze bepalen in hoge mate de verschijningsvorm, waarbij het seizoenaspect een belangrijke rol speelt, geel in de winter, groen in de zomer;
  • D. de geringe drooglegging. Het water tekent zich daardoor sterk af in het landschap;
  • E. de hoogteverschillen. Deze zijn het gevolg van onregelmatige inklinking, de aanwezigheid van baggerstroken en voorkomende kleibanen in het veen;,
  • F. de sterke dynamiek. Deze wordt veroorzaakt door processen die zich in de vegetatie voltrekken en met de wind samenhangende waterbewegingen, die de karakteristieke erosie- en aanslibbingsverschijnselen tot gevolg hebben;
  • G. ontbreken van wegen in het weidegebied. Vervoer over water is kenmerkend, met uitzondering van de Guisweg als verbinding met Zaandijk;
  • H. weide-karakter;
  • I. weg-streekdorpkarakter van Westzaan. Het dorp is gegroeid langs het Zuideinde, de J.J. Allanstraat en de Middel. Oorspronkelijk liep er langs deze ontsluitingen een wegsloot. Het bij het graven van de sloot vrijkomende materiaal werd gebruikt om een dijkje op te werpen. Hierop werden de genoemde wegen aangelegd. De karakteristiek wordt tevens bepaald door de aanwezigheid van stolpboerderijen en de voor Westzaan zo kenmerkende met pannen beklede hooihuizen, alsook door de aanwezigheid van erfbeplanting, zoals kastanjebomen in voortuinen van de boerderijen;
  • J. de Westzanerdijk en de Overtoom met doorbraakkolken zijn voorbeelden van vroege dijkaanleg in Noord-Holland;
  • K. de Nauernasche vaart. Deze vaart is een historisch voorbeeld van een in de 17de eeuw gekanaliseerde en ingedijkte veenkreek. De Nauernasche vaart is het directe gevolg van de drooglegging van de Beemster en de Schermer. De vaart is historisch gezien van grote economische betekenis geweest voor Krommenie.

De toekomst van de Westzanerpolder als waardevol landschap lijkt gegarandeerd nu de overheid van de waarde overtuigd is. Grote delen zijn eigendom van Staatsbosbeheer en de Nederlandse Vereniging tot bescherming van vogels.

3.2. De polder Oostzaan

De polder Oostzaan vormt in feite het spiegelbeeld van de polder Westzaan. De ontginning is vanuit het oosten in de richting van Zaandam op gang gekomen. De Kalverpolder is een onderdeel van dit oorspronkelijke ontginningsproces. De bij Westzaan genoemde landschappelijke kenmerken zijn voorzover genoemd van A t/m H gelijk. Specifiek voor Oostzaan zijn tevens:

  • het weg-streekdorp karakter. Met name De Heul en De Haal hebben dit karakter behouden. Evenals in Westzaan vormen de stolpboerderijen, hooihuizen en erfbeplanting de hoofdstructuur van het dorp;
  • op sommige plaatsen is de dynamiek van het landschap bijzonder groot, hier bestaan grote watergangen en brede rietkragen;
  • de aanwezigheid van het Weerpad als historische verbinding met Zaandam.

De Oostzanerpolder vormde een onderdeel van het Nationaal Landschap Waterland. Staatsbosbeheer bezit in dit gebied veel gronden. De toekomst van de polder Oostzaan moet als gevolg van dit overheidsingrijpen als redelijk veilig worden omschreven. Via beheersovereenkomsten met de boeren (zie Natuur in de Zaanstreek 6) zal geprobeerd worden extensieve veeteelt mogelijk te laten blijven.

3.3. De Kalverpolder

De Kalverpolder is een onderdeel van de ontginning die vanuit de Haal gestart is. Tot 1634 waren er geen ontwateringsproblemen. Toen echter de Wijde Wormer in 1622 en de Enge Wormer in 1634 werden ingepolderd, gingen twee belangrijke boezemwateren verloren. Het gevolg was een grote wateroverlast, waardoor de Kalverlanden onbegaanbaar werden. In 1637 werd daarom besloten van de Kalverpolder een apart bedijkte polder te maken. Ook in de Kalverpolder heeft wilde vervening plaatsgevonden.

De voor de Zaanstreek belangrijke industrialisatie heeft hier zijn sporen nagelaten. Met name langs de Zaan oever kwamen in de periode van de Spaanse overheersing veel molens, later werden ook in het aangrenzende deel molens gesitueerd. In de 18e eeuw kwam er een kentering ten gunste van het agrarisch karakter. Als gevolg hiervan trok de industrie zich terug op de Zaanoevers. Zo ontstond het karakteristieke beeld van de Kalverpolder, dat gevormd wordt door de sterke tegenstelling tussen de molens, de industrie en het waterrijke slagenlandschap.

In 1935 werd de Leeghwaterweg aangelegd, die via de Julianabrug toegang geeft tot de westelijke oevers van de Zaan. Het gebied verloor daardoor zijn geïsoleerde karakter. Met de Kalverpolder vormt de buurtschap Haaldersbroek één geheel. Het geïsoleerde karakter heeft zichtbare gevolgen gehad voor de ruimtelijke en sociale structuur van deze buurtschap. Haaldersbroek is te beschouwen als een mini-variant van het weg-streekdorp. De Kalverpolder vormt evenals Oostzaan een onderdeel van het Nationaal Landschap Waterland. Staatsbosbeheer is hier de grootste eigenaar. De voor de Kalverpolder kenmerkende landschappelijke elementen zijn:

  • Haaldersbroek. voor wat betreft bebouwing en erfbeplanting;
  • de molens langs de Kalverringdijk;
  • de Zaanse Schans;
  • de Gortershoek als begrenzing aan de westkant;
  • de Amerikaanse windmolen De Hercules.
  • de Enge Wormerringdijk;
  • de Braaksloot.

3.4. Het Wormer- en Jisperveld

Het Wormer- en Jisperveld, ook wel: polder Wormer, Jisp en Nek, omvat ruim 2000 ha onbebouwd water en land. Alle kenmerken van het waterrijke slagenlandschap komen hier in hoge mate voor, zie kenmerken A-H bij Westzaan. Het gebied ligt ingeklemd tussen de droogmakerijen de Starnmeer, de Beemster, de Wijde en de Enge Wormer. De ontginning heeft naar alle waarschijnlijkheid plaatsgevonden vanuit het zuiden, wellicht vanuit de veenstroom 'de Worme', op de plaats waar nu de Wijde Wormer ligt. Wellicht is ook vanuit het noorden in zuidelijke richting een aantal slagen gemaakt, en vanuit de Stierop en de vroegere Bamestre, een veenstroom door de huidige Beemster.

Wormer heeft als weg-streekdorp een afwijkende situering ten opzichte van de Zaan, namelijk haaks erop en niet evenwijdig eraan. In meerdere opzichten verschilt het Wormer- en Jisperveld van de andere waterrijke slagenlandschappen in de Zaanstreek. Het is minder brak dan de overige gebieden. Dit heeft gevolgen voor de vegetatie. Zo groeit er veel meer riet. De situering in een groter open landschap maakt dat de horizon veel minder verstedelijkt is dan elders in de Zaanstreek. De dynamiek is als gevolg van de aanwezigheid van grote waterpartijen bijzonder groot. Er heeft veel vervening en afkalving plaatsgevonden. Het bijzondere karakter van de meren wordt nog versterkt door het feit dat juist daar ruime rietvelden aanwezig zijn.

Ten noorden van Jisp zijn een aantal berkenbroekbosjes aanwezig, de zogenaamde baanakkers. Deze bosjes geven het verder open veenweide-gebied een eigen gezicht. In de beginjaren van de industrialisatie stonden er veel molens. Toen echter in de 18e eeuw de agrarische sector een ongekende opbloei doormaakte, werden de molens en andere industriële activiteiten naar de oevers van de Zaan teruggetrokken. De aanwezigheid van veel meren en de Zaan noodzaakte de overheden in 1630 het Wormer- en Jisperveld van een ringdijk te voorzien. Tegen het einde van de 18e eeuw moesten deze dijken verhoogd en verbreed worden. Oorspronkelijk waren er zes sluizen, waarvan er nog vier min of meer aanwezig zijn: de Poelsluis, de Knollendammersluis, de Bartelsluis, en de Jispersluis.

Wormer en Jisp hebben als weg-streekdorp een afzonderlijke ontwikkeling doorgemaakt. Dit is goed te zien aan de bajonetaansluiting die nodig is om beide dorpen te verbinden. Ook het Wormer- en Jisperveld vormt een onderdeel van het Nationaal Landschap Waterland. Een groot deel is eigendom van Natuurmonumenten. In het kader van een landinrichtingsproject is op een aantal plaatsen het vaarpolderkarakter aangepast en zijn ontsluitingen gemaakt, die deels ook een recreatieve functie hebben.

3.5. Krommenieër Woudpolder

De Krommenieër Woudpolder heeft alle kenmerken van het waterrijke slagenlandschap. Het weg-streekdorp Krommeniedijk vormt een kenmerkende nederzetting langs een dijkje; opvallend daarbij is dat de aanvankelijke bebouwing aan slechts één zijde heeft plaatsgevonden.

3.6. Het slagenlandschap rond Assendelft

Dit slagenlandschap wordt gevormd door de Noorder- en Zuiderpolder. Als gevolg van kleiafzettingen is de bodemgesteldheid anders dan in bijvoorbeeld Westzaan, vooral in de westhoek. In de beginperiode van de ontginningen was het de boeren niet onwelkom dat het land af en toe door zeewater werd overspoeld waardoor een klein laagje klei achterbleef. De west- en zuidkant grenzen aan het Oer-IJ, van hieruit werd het gebied regelmatig overspoeld. De Kaaik en Delft vormen de grenzen van de eerste ontginningen. Assendelft heeft zich als weg-streekdorp met prachtige stolpboerderijen en boerenerven ontwikkeld tussen deze twee waterpartijen in. Waarschijnlijk was dit de hoogste, dus veiligste, plek voor bewoning. De rand van het slagenlandschap wordt aan de zuid- en westkant gevormd door de Assendelver Zeedijk, die het gebied beschermde tegen het water van het Oer-IJ.

Het zuidelijk deel van Assendelft is nog goed bewaard gebleven als weg-streekdorp. Zoals reeds gesteld, is dit gebied veel minder opvallend als slagenlandschap dan de waterrijke slagenlandschappen, die hiervoor zijn beschreven. Dit geldt met name voor het meest westelijke deel van Assendelft. Ook in Assendelft werd al vrij snel na de eerste ontginningen overgeschakeld naar de veeteelt. In de 17e eeuw was er een flink aantal industriemolens aanwezig, die zich in de 18e eeuw na de opbloei van het agrarisch bedrijf terugtrokken op de Zaanoevers. Als gevolg van de voornamelijk agrarische structuur is er tot ver in de 19e eeuw weinig veranderd in Assendelft.

Daarna ging de vorm van het dorp veranderen. Het dorpspad was in 1815 nog de enige weg waarlangs bebouwing stond. Dit pad was ongeveer een meter breed en werd bij iedere sloot onderbroken door een vlonder. Het zuidelijkste gedeelte kwam uit bij het veer naar Haarlem, het meest noordelijke liep door in de landerijen. Verder liepen er wat landwegen op de dijken van de vaarpolder. Sinds de ruilverkaveling vindt het agrarisch transport via de weg plaats. In 1846 werd de Zaanlandse Communicatieweg aangelegd. In 1890 werd, in het kader van de Stelling van Groot-Amsterdam, de Genieweg aangelegd.

De in 1968 begonnen ruilverkaveling heeft een aantal gevolgen voor de polder gehad: verlaging van het polderpeil; boerderijverplaatsing midden in het gebied, vér buiten het historische weg-streekdorp Assendelft; nieuwe wegen, zoals de Noorderweg; nieuwe sloten; de aanleg van een hoogwatersloot rondom de Dorpsstraat en introductie van recreatieve voorzieningen en beplantingen, veelal op onrendabele hoeken. Met betrekking tot kenmerkende hoogte-verschillen in het landschap zijn de volgende elementen van belang:

  • de kleiruggen, die zich als duidelijk morfologisch gegeven, met name in het weidegebied, aftekenen;
  • de opvallend hoge dijken, die veel minder dan in Westzaan, door bebouwing aan het oog worden onttrokken. Vergelijk Assendelver Zeedijk en Westzanerdijk; langs de Assendelver Zeedijk zijn enkele doorbraakkolken aanwezig;
  • de grote verschillen in vorm van de kavels. De Noorder- en Zuiderpolder zijn, zeker in vergelijking met Westzaan, Wormer, Jisp en Oostzaan, goed functionerende veeteeltgebieden, met in het zuidelijk deel een aantal in het landschap opvallende kascomplexen. De noodzaak om tot een bijzondere beheersvorm te komen, zoals in de andere gebieden, is hier niet aan de orde.

Een aparte vermelding verdient de Noorderpolder in de buurt van een al even karakteristiek element; de Watertoren. Deze hoek van het Noorderveld was zo slecht van structuur, dat er in het verleden rond 1804 vervening mocht plaatsvinden. Daarna is een deel met vuil opgevuld en later verwilderd. Thans is het een gebied van grote biologische betekenis. De aanwezigheid van broekbossen, struwelen en rietlanden geeft aan Assendelft een bijzonder karakter.

4. Het broekontginningslandschap

Ten westen van Zaanstad ligt een gebied, dat de overgang vormt tussen het slagenlandschap en de mozaïekverkaveling van de hogere geestgronden. Het betreft de Uitgeesterbroekpolder, polder de Noorderbuitendijken en Wijkerbroekpolder en een deel van de Wijkermeerpolder. De verkaveling is onregelmatig met relatief veel sloten; de bodem bevat relatief veel jonge zeeklei. De overgang naar het slagenlandschap van dit type gaat geleidelijk, waarbij een scherpe grens moeilijk is te trekken. Het gebied is ontstaan op de plaats van de vroegere Wijkermeer en het Kromme IJ . De afdamming had een sluis niet ver van de uitmonding van het Kromme IJ in het Lange Meer, zodat doorvaart mogelijk bleef. Door deze afdamming slibde het Kromme IJ dicht.

Al in 1565 waren er plannen om een deel van de Wijkermeer droog te maken, in 1588 is dit gelukt. Dit gebied is in feite buitendijks land dat, naarmate de techniek vorderde, verder in cultuur werd gebracht. Dit proces is begonnen na de afdamming van het Kromme IJ. Opvallend voor dit landschap is het grote aantal dijken. In 1890 werden in het kader van de Stelling van Groot-Amsterdam in het gebied langs de dijk een aantal forten aangelegd. Deze forten vormden karakteristieke elementen in het open landschap. De zuidhoek van het gebied is tot de Nieuwendijk in gebruik als landbouwgrond. Dit geeft een bijzonder karakter aan het landschap. De noordkant is, evenals de meeste gebieden in de Zaanstreek, in gebruik als grasland.

5. Droogmakerijen

Tussen het slagenlandschap zijn de oude droogmakerijen gelegen. Zowel de Beemster als de Schaalsmeerpolder, Enge Wormer, Vlietpolder en Wijde Wormer stammen uit de eerste helft van de 17e eeuw. Veel Amsterdamse handelslieden hadden toen een flink fortuin opgebouwd. In eerste instantie werd dit geld gebruikt om op het oude land buitenplaatsen te stichten, zoals de Vechtstreek en 's-Graveland. In het begin van de 17e eeuw begon men belangstelling te krijgen voor de grote meren, die het veengebied bedreigden. De techniek was zover dat droogmaken mogelijk werd en beleggingen in drooggelegde goede kleigrond maakte een en ander financieel mogelijk. Het rationele denken van de renaissance is goed terug te vinden in de strakke, haast mathematische indeling van deze droogmakerijen. De Beemster uit 1612 is hiervan het mooiste voorbeeld. De opzet was landbouwgrond te verkrijgen. Thans worden deze gronden veelal als grasland gebruikt.

6. De Wijde Wormer

De Wijde Wormer, of zoals vroeger genoemd de Wormer, is van oorsprong een ontgonnen veengebied, slagenlandschap. Als gevolg van wilde verveningen en met name als gevolg van golfslag verdween het veen en werd het een groot meer. In 1622 werd het meer drooggemaakt. Rond de dijk werd een ringsloot gegraven, die een probleemloze waterafvoer moest garanderen, zonder dat het omringende slagenlandschap gevaar zou lopen. De polder werd op rationele wijze volgens de principes van de renaissance verkaveld. Herkenbaar zijn de zeer modern uitziende blokverkavelingen, verenigd tot rechthoeken, hoewel dit laatste beeld verstoord is door de aanleg van de snelweg Purmerend-Amsterdam. In het graslandgebied zijn verder geen landschappelijke elementen aanwezig.

De bij de Wijde Wormer behorende hoofdwegen lopen evenwijdig aan elkaar in de lengterichting van de polder: de Noorder- en Zuiderweg. Langs deze op verhogingen gelegen wegen zijn de stolpboerderijen met erfbeplantingen gesitueerd. Langs de wegen is veel laanbeplanting aanwezig. Op regelmatige afstand zijn de Noorder- en Zuiderweg verbonden door dwarswegen; ook dit beeld is ernstig verstoord door de snelweg. Naast grasland zijn op een aantal plekken nog boomgaarden aanwezig, vooral in de zuidoosthoek. Zij vormen een onderbreking van het verder open gebied.

In de buurt van Zaandam bevindt zich een kwel; hier komt als gevolg van een breuk in de ondergrond water uit de aangrenzende polder Oostzaan omhoog. Op deze plek was een zwembad, het Wormerbad met bijbehorende beplanting. Het verschil met het slagenlandschap is dat water en riet veel minder aanwezig zijn, terwijl het maaiveld van de polder beduidend lager ligt dan de kruin van de ringdijk. De ringvaan met rietkragen tekent zich echter duidelijk in het landschap af.

7. De Enge Wormer

Dit is eveneens een drooggemaakt meer, waarin het vroegere slagenlandschap verloren is gegaan. Toen de Enge Wormer te gevaarlijk werd voor de omgeving is hij in 1634 drooggemaakt. Door zijn geringe omvang is niet goed zichtbaar dat ook deze polder in de renaissance is drooggemaakt. De polder vormt ruimtelijk één geheel met de Kalverpolder en het Wormer- en Jisperveld. Beplanting is zo goed als niet aanwezig, slechts langs de randen bevinden zich verspreid liggende boerderijen met erfbeplanting.

8. De Schaalsmeerpolder

Deze polder is drooggelegd in 1633 en vormt ruimtelijk één geheel met het Wormer- en Jisperveld.

9. De Vlietpolder

Deze is gelegen in de Zuiderpolder in Assendelft. Het meer is in 1638 drooggelegd en vormt ruimtelijk en voor wat betreft het gebruik een eenheid met de Zuiderpolder.

10. Jongere droogmakerijen

Tot de jongere droogmakerijen worden polders gerekend die na 1800 zijn drooggelegd, met uitzondering van de IJ-polders, die apart worden behandeld. Het betreft de Assendelverveenpolder en het Twiske. De Assendelverveenpolder is van oorsprong een stukje verveend slagenlandschap, waarvoor in 1804 de eerste vergunningen tot vervening werden gegeven.

Na 40 jaar was dit proces voltooid. Het veen bleek van slechte kwaliteit en in 1845 werd het gebied drooggelegd. De eerste oogst werd reeds in 1848 binnengehaald. In tegenstelling tot de oude droogmakerijen, waarbij de oude blauwe zeeklei aan de oppervlakte is gekomen, bestaat de bovenste laag van dit gebied uit meer venige klei. Dit is een veel armere grond, die alleen geschikt is als grasland. Het verschil met het slagenlandschap is de zeer regelmatige kavelvorm. In de polder zijn geen landschappelijke elementen aanwezig; de boerderijen staan aan de rand. In het kader van de ruilverkaveling is in de noordhoek een kavel ingeplant.

De Twiskepolder, of beter gezegd het Twiske, is één van de laatste droogmakerijen in ons land. In de crisistijd werd met de inpoldering begonnen, men is toen halverwege gestopt. In het begin van de jaren zeventig heeft men zand gewonnen in de polder en is het gebied ingericht als zogenaamd 'groene ster project'; dat wil zeggen als recreatiegebied. Het is nu een gebied met een parkachtig karakter, met pseudo-slagenlandschap kenmerken.

De IJ-polders, Westzanerpolder, Nauernasche polder, Wijkermeerpolder, en Zaandammerpolder, zijn drooggelegd in samenhang met het graven van het Noordzeekanaal in 1872. Het is een zeer open landschap met als gevolg van de aanwezige kleigrond weinig opvallende watergangen. De schaal is groot door het ontbreken van landschappelijke elementen. Kenmerkend is het gebruik, vooral als landbouwgrond, waar de seizoenen goed afleesbaar zijn. De boerderijen staan aan de randen. In het vlakke land vormt de kronkelende zeedijk, aan de noordkant, een kenmerkende begrenzing. Alleen de Westzanerpolder en deels de Wijkermeerpolder zijn nog intact, de andere twee polders zijn in gebruik als vuilstortplaats en industriegebied. In de Wijkermeer is tevens een dijk met fort aanwezig, die een onderdeel vormt van de Stelling van Groot-Amsterdam uit 1890.

F.J. Bakker

Literatuur:

  • Arthur Steegh, Kleine monumenten atlas van Nederland, 1976;
  • Maurits F. Mörzer Bruijns e.a, Nederlandse landschappen, Spectrum atlas 1979;
  • Cees Mol, Uit de geschiedenis van Wormer, 1966;
  • W.F.H. Verhoeff, De terreinvormen en het landschap in de polders Assendelft en Westzaan, 1976;
  • Jan T.P. Bijhouwer, Het Nederlandse Landschap, 1971;
  • dr. Margaretha A. Verkade, Den derden dach, 1982;
  • Leendert J. Pons, M.F. van Oosten, De bodem van Noord-Holland, 1974;
  • Structuurschets voor Zaanstad, 1981.

11. Industrieel landschap

Bij de hiervoor behandelde landschapsbeschrijving is in beperkte mate aandacht gegeven aan de bebouwing van onze omgeving. Het Zaanse landschap is daardoor echter mede bepaald geweest. Zeker de laatste decennia is het bebouwings-aspect in toenemende mate een zaak van overheidszorg en publieke discussie. Hoewel het hiervoor beschreven 'natuurlijk landschap' feitelijk mede ontstond door menselijke invloeden, zodat beter van een cultuurlandschap kan worden gesproken, zijn het ook de industriële activiteiten en de daardoor sterk toegenomen woonbebouwing die de Zaanse omgeving, dus het landschap, mede hebben beïnvloed.

Het open land telde sinds de 17e eeuw langs de Zaan en vooral ook langs de haaks op de Zaan staande sloten een zeer groot aantal molens. Bij deze concentratie kon met recht van een molenlandschap worden gesproken. Toen zich in de tweede helft van de vorige eeuw uit een aantal molenbedrijven werkelijke industrieën ontwikkelden, gekenmerkt door grote en dikwijls hoge bedrijfspanden, werden deze veelal op en bij de bestaande molenlocaties gebouwd. De bereikbaarheid via vaarwegen was daarbij van belang. Het gevolg was echter een sterk verbrokkeld industrieel landschap, dat de skyline van de Zaanstreek tot op de dag van vandaag is blijven bepalen.

Concentraties van fabrieken vindt men bijvoorbeeld, naast de inmiddels verdwenen groepering van zagerijen en houtloodsen in het Westzijderveld, langs de oevers van de Binnenzaan in Zaandam, op de Koger Hem, aan de Poel, langs de Zaan in enkele gedeelten van Wormerveer en Wormer en westelijk van de Nauernasche vaart in Krommenie. Tussen deze fabrieksconcentraties bleef het landschap een open karakter behouden, of werd met woningbouw opgevuld. Dit kenmerkende patroon kon alleen ontstaan in samenhang met de industriële ontwikkeling in een tijd waarin men zich niet of nauwelijks met ruimtelijke ordening bezighield. Elders en later ontstane industriegebieden zijn dan ook meer overwogen ingedeeld dan het oude Zaanse industriële landschap.

Na de Tweede Wereldoorlog is het gemeentelijk beleid waar mogelijk gericht op de inrichting van industriegebieden met een meer gegroepeerde invulling. Dat werd in de hand gewerkt door de toename van het wegverkeer en de afname van het belang van nabijgelegen vaarwater. Evenals de zeer omvangrijke nieuwbouw van woningen ging de inrichting van deze industrieterreinen ten koste van vrij grote oppervlakten natuurlijk landschap. Het bestaande industriële landschap, voornamelijk langs de Zaan, bleef visueel nog lang in grote lijnen ongewijzigd en zal ook in de toekomst in belangrijke mate het karakter van de Zaanstreek blijven bepalen. Een aantal sterk verouderde panden is of zal worden gesloopt, zodat op langere termijn wellicht een meer geordende situering van de industrie in de Zaanstreek zal worden bereikt. Het is onzeker in hoeverre recente plannen tot uitbreiding van de woningbouw langs de Zaanoevers, het Zaanoeverproject) dit proces van ordening zullen beïnvloeden.

K. Woudt