Lürsen, Martinus Johannes ( Martin )

Wormerveer 1 april 1893 - Haarlem 1 september 1952

Martin Lürsen, componist en theoreticus, vanaf 1941 hoofdleraar aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag voor solfège, harmonieleer, contrapunt en algemene muziekleer.

Hij publiceerde onder andere 'De grondslagen der Muziektheorie' (2 delen, 1944), al decennia lang leidraad voor talloze muziekstudenten. Voor het 31-toonsorgel van prof. A.D. Fokker in het Teylers Museum te Haarlem componeerde hij zijn Modi Antichi, Musiche Nuove, (1945), een verzameling composities in de tien toongeslachten van de derde graad die gespeeld moesten kunnen worden op het Euler-orgel in Haarlem. Bij de prijsuitreiking werden de composities gespeeld door een strijktrio en in 1946 door Radio Herrijzend Nederland uitgezonden. Ze zijn in 1947 met uitgebreide toelichting uitgegeven door Teyler's Tweede Genootschap.

Lürsen schreef ook koorwerken en liederen. Adriaan Fokker schreef ter nagedachtenis aan hem en Willem Pijper een bundel solfège-oefeningen: Oor en Stem.

Lürsen was bestuurslid van de Haarlemse vereniging Vrijzinnig Hervormden.

Een korte samenvatting van Lürsen's inleiding over 'De ontwikkeling van de vioolsonate' voor het gehoor van de Haarlemse Vrijzinnig-Democratische Jongeren Organisatie op 17 januari 1940:

,,Door de primitiviteit van de instrumenten was de gecomponeerde muziek tot de 16e eeuw voornamelijk vocaal (mis, motet, madrigaal, chanson). De verbetering in de instrumenten in de tweede helft dezer eeuw had voorlopig op de composities nog geen uitwerking; de chansons werden geschreven om te zingen en te spelen. Hieruit ontwikkelde zich tenslotte de instrumentale muziek, die, in kleine bezetting gespeeld, sonate, letterlijk klankstuk genoemd werd.“

,,De volgende stap kwam door de ontwikkeling van de dansmuziek. Men gaf de sonate geheel of gedeeltelijk het karakter van een dans, twee vlugge, twee langzame delen. Deze vorm wordt suite of kamersonate genoemd; in langzaam tempo kerksonate. Vooral in Italië werden deze sonates, solo en trio, zeer veel gecomponeerd. Hier mengde men ook de dansdelen van de kamersonate met de ernstige delen van de kerksonate. In deze tijd maakte G. F. Händel van 1703 tot 1708 een studiereis door Italië. Kenmerkend bij hem zijn de heldere, krachtige melodie, religieus en toch diep menselijk, en een pittig ritme. Dit werd toegelicht met Händels 4e sonate in a grote terts.”

,,De volgende periode gaf de ontwikkeling van de Italiaanse Barokstijl naar de Weense Klassieke stijl, waarvan W. A. Mozart vertegenwoordiger is. Belangrijk was in de eerste helft 18de eeuw de uitvinding van het hamerklavier of piano, dat het klavecimbel verdrong. De piano had groter solistische mogelijkheid, en kregen dus ook de composities een belangrijker rol. De duosonate ontstond. Deze vorm heet klassieke sonate of hoofdvorm; het fugerende deel is eruit verdwenen. Eigenlijk heeft de Mozart-sonate nog maar drie delen; het langzame begin is geen aparte satz meer, maar een inleiding. Ook Mozart's muziek is een weergave van het gebeuren om hem heen, maar met behoud van een zeer persoonlijk element. Onder hem en Haydn bereikt de sonate haar hoogste bloei. Hierna werd een sonate van Mozart gespeeld.“

,,De 19de eeuw brengt de Romantische stijl. Naast hen die hun fantasie de vrije loop lieten, Liszt, Chopin, staat de groep die de bestaande vormen bezigt, zoals Grieg. Typisch voor deze groep, vooral voor de componisten uit de geïsoleerde landen, is het zich verdiepen in het nationaal bewustzijn, de folklore. Alle eigenschappen van het Noorse volk en land vindt men in Grieg's muziek terug. Het weemoedige, donkere van de fjorden, en het liefelijke van het landschap erachter. Een hierna ten gehore gebrachte sonate van Grieg toonde dit aan.”