Natuur in de Zaanstreek

Natuur is het totaal der levende organismen, inclusief hun onderlinge relaties. De betrekkingen van organismen (micro-organismen, planten, dieren en mensen) met hun omgeving vormen het studieterrein van de ecologie. In dit artikel wordt vanuit ecologisch standpunt een zo overzichtelijk mogelijke beschrijving gegeven van de natuur in de Zaanstreek. Zie ook: Landschap

1.1. Veenweidelandschap

Bepalend voor de natuur in deze streek is dat zij deel uitmaakt van de veenweidegebieden. De veenweidegebieden hier staan niet op zichzelf. In Nederland ligt er zo'n 300.000 hectare veenweidegebied. Hiermee vormen de Nederlandse veenweidegebieden de grootste min of meer aaneengesloten laagveengebieden van Noordwest-Europa. Laagveen ontstaat onder het wateroppervlak. Veenweidegebieden zijn rijk aan natuur. Dit komt door de variatie in het landschap, in samenhang met een relatief extensief (dit is: niet-intensief, dus beperkt) landbouwkundig gebruik. Het op het eerste gezicht monotone veenweidelandschap kent een grote afwisseling aan weilanden (met verschillen in gebruik), sloten, slootoevers, meertjes, rietlanden en soms bossages. Een belangrijke factor voor de rijkdom aan natuur is het landbouwkundig gebruik.

De ligging van veenweidegebieden in Nederland (uit 'Veenweide ', 1988). Laagveen, aan of dicht aan de oppervlakte, is zwart aangegeven. Gearceerde gedeelten: hoogveen.

De landbouw heeft het landschap gemaakt tot wat het nu is. Zij heeft het gebied ontgonnen en zorgt er nu voor dat het open blijft. Door verschillen in gebruik van de weiden (de cultuurdruk) creëert zij ook verschillen in de planten- en dierenwereld van deze streek. Grofweg komen de verschillen in het landgebruik door de landbouw op het volgende neer:

* de percelen dicht bij huis worden intensief gebruikt;

* de veebezetting (aantal koeien per ha) is er relatief hoog; er wordt veel mest op het land gebracht en vaak en vroeg gemaaid;

* de verderweg liggende percelen worden minder intensief gebruikt;

* de verstweg liggende percelen tenslotte worden niet of nauwelijks beweid, er wordt geen of slechts incidenteel mest opgebracht en er wordt slechts één of twee maal per seizoen gemaaid op een laat in het seizoen liggend tijdstip, zodat ook de laatbroedende vogels hun nageslacht kunnen veiligstellen (extensief gebruik).

De landbouw speelt een belangrijke rol in het beheer van de natuurlijke rijkdom. Vergeleken met andere gebieden in Nederland is de intensivering in de landbouw in veenweidegebieden niet zover doorgevoerd. Intensivering betekent verhoging van de productie door verbetering van de ontwatering, vergroting van de percelen, verbetering van de ontsluiting door de aanleg van dammen, bruggetjes of nieuwe wegen en het gebruik van meer (kunst)mest. Dat deze intensivering in de veenweidegebieden niet zover is doorgevoerd, komt vooral doordat dergelijke ingrepen in deze gebieden vaak duurder zijn dan elders. Bovendien is de belangrijkste ingreep, de verbetering van de ontwatering, hier slechts van tijdelijke aard. Veen dat droog komt te liggen verteert namelijk, waardoor het land langzaam zakt tot het weer vlak boven het waterpeil ligt. De snelheid waarmee dit gaat, varieert van enkele millimeters tot enkele centimeters per jaar. Bij diepere ontwatering komt er meer veen bloot te liggen en neemt de zaksnelheid toe.

1.2. Veenweidegebieden in de Zaanstreek

Wat hierboven in algemene termen over veenweidegebieden gezegd is, geldt natuurlijk ook voor de Zaanstreek. Als we echter beter naar deze streek kijken, dan blijken er aspecten te zijn die de natuur binnen deze veenweidegebieden een eigen karakter geven. Bepalende factoren voor dit karakter zijn het water, de bodem en de mens. Deze factoren beïnvloeden elkaar wederzijds. De wetenschap die de relatie tussen klimaat, bodem, water en de mens beschrijft heet de landschapsecologie. Voor een goed begrip der relaties is het nuttig eerst de factoren apart te bekijken.

1.2.1. Water

Het Noordhollands veenweidelandschap neemt in Nederland een aparte positie in, omdat het ontstaan is onder zoute, of brakke, omstandigheden; dit in tegenstelling tot andere gebieden, waar zoet water bepalend is geweest. Het zoute water was zo bepalend doordat Noord-Holland als schiereiland regelmatig te maken had met inbraken en overstromingen door de zee. Daarnaast kwam er veel zout naar binnen door kwel uit de zoute Zuiderzee en later ook door het inlaten van water dat in contact staat met het Noordzeekanaal. Dit Noordzeekanaalwater was zout door het schutten (doorsluizen van schepen) bij de zee. Een maat voor het zoutgehalte van water is het Chloridegehalte (Cl-), uitgedrukt in milligram per liter (mg/l). De tabel hieronder geeft enkele getallen aan. Het zoutgehalte van het water is van grote invloed op de planten- en dierenwereld. Veel planten verdragen maar een bepaalde hoeveelheid zout. Wordt het teveel dan verdwijnen zij, of ze worden verdrongen door soorten die het zout beter verdragen. Bij het ontstaan van het veen in de Zaanstreek was er overal sprake van een hoge zoutconcentratie. Nu heeft er al geruime tijd geen overstroming meer plaatsgevonden (de laatste in 1916), de zoute Zuiderzee is veranderd in het zoete IJsselmeer en het waterinlaat- en schutbeleid zijn zodanig gewijzigd dat er via het Noordzeekanaal ook bijna geen zout meer naar binnen komt. Het zoutgehalte van het water in de Zaanstreek loopt dan ook al sinds vele jaren terug. Hoe snel dit gaat is te zien in Oostzaan. In 1939 werd er in het zomerhalfjaar nog een zoutconcentratie van meer dan 2500 milligram Cl- per liter gemeten. In 1976 was dit teruggelopen tot rond de 400 milligram. Tussen de diverse gebieden in de Zaanstreek zijn er echter grote verschillen. Redelijk zout zijn nog de Schaalsmeerpolder, de Wijde Wormer, de Enge Wormer en de Assendelverveenpolder.


Zoutgehalte (chloride in milligrammen per liter) van oppervlaktewater

type Cl- (mg/l) enkele kenmerkende soorten
zoet water <100 krabbescheer, driehoeksmossel,voorn
oligohalin 100- 1000 aasgarnaal, driehoeksmossel
mesohalin 1000- 10000 brakwatergarnaal brakwaterpoliep, brakwatergrondel, darmwier
polyhalin >10.000 brakwatergarnaal

(In de Noordzee is het Chloridegehalte ongeveer 18.000 mg/l)

Hier worden nog zoutconcentraties van rond de 1000 milligram per liter gevonden. De polder Oostzaan en de Kalverpolder zijn het zoetst. Hier ligt de zoutconcentratie in de zomer tussen de 200 en de 300 milligram per liter. Ook binnen de gebieden zijn er overigens verschillen in zoutconcentraties. Zo zijn in Westzaan de onderbemalen sloten twee keer zo zout als het water waarop uitgeslagen wordt. Dit ligt vermoedelijk aan de aanwezigheid van zout in de bodem. Bij onderbemaling wordt door het toestromende water dit zout opgelost. De verwachting is dat dit zout langzaam maar zeker verdwijnt, zodat over een aantal decennia de Zaanstreek zoet genoemd kan worden.

De verschillen in zoutconcentraties worden weerspiegeld in de plantesoorten in en langs het water. In de relatief zoutere gebieden zijn er nog volop zoutindicatoren te vinden (plantesoorten die alleen gedijen in relatief zout water). In andere gebieden zijn de zoetwater indicatoren volop in opmars.

1.2.2. Bodem

Na de laatste ijstijd (meer dan 10.000 jaar geleden) begon zich in een aantal delen van Europa een veenpakket te vormen van soms tientallen meters dikte. Dit gebeurde ook in het westen en noorden van wat nu Nederland is. In dit veen zijn nog verschillen in samenstelling te zien. In onze streek komen voor: het zeggeveen, het rietzeggeveen, het veenmosveen en bagger. De naam - die van bagger uitgezonderd - geeft aan uit welk plantenmateriaal het veen is ontstaan. (Bagger is venig materiaal, bijvoorbeeld opgebracht uit sloten. Hierin is de plantaardige herkomst niet meer te herkennen).

Rietzeggeveen 'groeit' onder relatief voedselrijke omstandigheden. Veenmosveen ontstaat onder voedselarme omstandigheden. De voedselrijkdom heeft te maken met het al dan niet in contact staan met voedselrijk water, of een voedselrijke bodemlaag. Deze voedselrijke laag is dan meestal klei. Plaatselijk zijn er in het veenpakket kleilagen aangebracht door overstromingen. Gebieden met zo'n kleilaag (met name aan de oppervlakte, of dicht hieronder) hebben voor de landbouw een hogere waarde. De bodem is er voedselrijker en (wat momenteel belangrijker is) draagkrachtiger. Door de kleilaag was deze bodem in het verleden ook niet interessant voor vervening (uitgraven van het veen voor de turfwinning). In de polders Westzaan, Oostzaan en het Noorderveen heeft wel vervening plaatsgevonden, met name voor brandstofwinning voor plaatselijk gebruik. Een aantal gebieden in de Zaanstreek heeft een kleiondergrond. Hier ontbreekt het veen totaal. Dit zijn de zogenoemde droogmakerijen. Deze zijn ontstaan door het droogmalen van plassen, die waren ontstaan doordat het veen er door overstromingen en stormen was weggeslagen.

1.2.3. De mens

De mens (lees: de boer) begon in de vroege middeleeuwen invloed uit te oefenen op de Zaanstreek. Door het te ontginnen maakte hij van een in die tijd haast ondoordringbare moerasvegetatie een open gebied. Door de eeuwen heen heeft hij het bewerkt, ontwaterd, vergraven en opgehoogd. De mens is hierdoor de meest bepalende factor geworden in het natuurbeeld dat wij nu van deze streek hebben. De menselijke invloed is echter niet alleen bepalend voor het totaalbeeld. Ook op microschaal bepalen de ingrepen van de mens in hoge mate welke soorten een kans krijgen zich te ontwikkelen. Zie punt 6.

1.2.4. Het klimaat

Het klimaat, als belangrijke factor voor het karakter van de natuur, is hiervoor nog niet genoemd. Dit komt doordat het een aparte plaats inneemt tussen de andere factoren. Enerzijds is het klimaat natuurlijk van het allergrootste belang voor de bodemvorming en de wateraanvoer en -afvoer en zodoende ook voor de natuur. Anderzijds is het klimaat gedurende zeer lange tijd nagenoeg constant. Extremen (bijvoorbeeld koude winters of droge zomers) zijn wel van invloed op het aantal exemplaren van een soort dat op een bepaald moment in een gebied leeft (de zogenoemde populatie). Deze invloed is echter slechts van tijdelijke aard en herstel volgt. Of het klimaat ook de komende eeuwen hetzelfde zal blijven, valt nog te bezien. Discussies over de gevolgen van kooldioxyde-uitstoot (door de industrie, het autoverkeer en huishoudens) zijn nog niet ver genoeg uitgekristalliseerd om als basis te dienen voor voorspellingen. Vroegtijdig hierop inspelen is echter van eminent belang.

2. Flora en Vegetatie

In de natuur staan planten niet op zichzelf. Er bestaan relaties tussen de diverse plantensoorten. Op basis van die relaties worden er plantengezelschappen onderscheiden. Dit zijn groepen die bij elkaar voorkomen en in hun samenhang iets zeggen over het milieu waarin zij staan (zoutgehalte, zuurgraad, voedselrijkdom en dergelijke). Een plantengezelschap is overigens niet altijd volledig ontwikkeld in een gebied; dat wil zeggen dat er wel eens soorten kunnen ontbreken.

Een samenhangend plantendek, bestaande uit één of meer gezelschappen, heet een vegetatie. De samenstelling van een vegetatie hangt af van het milieu, het beheer en het stadium van de successie waarin de vegetatie verkeert. Successie is een opeenvolging in de tijd (jaren) van plantensoorten op een bepaalde plaats. Er kan sprake zijn van successie doordat een milieu verandert. Deze verandering kan optreden door ingrepen van de mens, door geologische processen (bijvoorbeeld overstromingen) of door processen binnen de plantenwereld zelf (bijvoorbeeld het door veenvorming loskomen van de invloed van het polderwater). Door veranderingen in het milieu worden de omstandigheden voor een bestaande vegetatie minder gunstig, of zelfs onmogelijk. Andere soorten krijgen dan juist een kans zich ergens nieuw te vestigen. Op den duur ontstaat een stabiele situatie; dat wil zeggen dat de vegetatie gedurende lange tijd dezelfde blijft.

2.1. Verlanding

Successie in een laagveengebied heet verlanding. Door de afzetting van resten van afgestorven planten onder water ontstaat geleidelijk een veenpakket dat boven water uitsteekt, of op het water drijft. Deze verlanding is hier zo'n 10.000 jaar geleden begonnen. Zij vindt echter nog steeds plaats in sloten en vaarten. In de grotere wateren hoopt zich aan de luwtezijde (de westzijde) bagger op. Op deze bagger vindt de verlanding plaats. Verlanding is een proces in de tijd en in de ruimte. Het kan vele eeuwen duren voordat er een stabiel stadium is bereikt. Menselijke ingrepen kunnen dit proces echter versnellen, of sturen in een richting die van nature niet voorkomt. Ruimtelijk gezien is het een proces waarbij er op één tijdstip verschillende fasen te zien zijn, soms vlak bij elkaar. Deze fasen verlopen parallel aan de oever, vanaf de waterkant landinwaarts. De invloed van het polderwater neemt landinwaarts af. Daarmee neemt dus ook de invloed van het zout en de voedselrijkdom af. Soms zijn er scherpe grenzen te zien tussen stroken waar het water nog van invloed is en het voedselarmere centrum van een verlanding. Naarmate een verlanding ouder en hoger ontwikkeld is, zijn de grenzen sterker. Bij jonge verlandingen en op smalle perceeltjes zijn de overgangen vager.

De verlanding onder brakke omstandigheden verloopt anders dan in de zoete veengebieden van Utrecht en Zuid-Holland. Een aantal karakteristieke planten ontbreekt in de brakke gebieden (bijvoorbeeld de Gele plomp, de Gele lis, de Krabbescheer en de Zwanenbloem).

Andere soorten komen juist weer alleen in deze gebieden voor. De meest karakteristieke is wel het Echt lepelblad. Deze oeverplant zorgt in het vroege voorjaar voor een witte omlijsting van de percelen. De verlanding in brak milieu verloopt in principe als volgt (naar B. Korf, Biologische betekenis van het buitengebied van Zaanstad):

Op plaatsen waar door een of andere oorzaak het water ondiep is geworden, ontstaan vestigingsmogelijkheden voor plantensoorten, die boven het wateroppervlak uitsteken, maar er beneden (in de bodem) wortelen, zoals Ruwe bies, Kleine lisdodde en in bepaalde gevallen ook Zeebies. In vele gevallen lijkt bij ons ook Riet als pionier op te treden, maar dan door middel van uitlopers vanuit een bestaande rietkraag. Deze verschijnselen worden echter door het toegepaste slootonderhoud vaak verhinderd.

In een dergelijke vegetatie blijft eventueel drijvend materiaal hangen, en samen hiermee vormen de wortelstokken van Riet, Lislodde of Ruwe bies na verloop van tijd een min of meer drijvende mat. Indien het riet gemaaid wordt, draagt uiteraard ook het oude riet bij tot de vorming van een dergelijke mat. Hierdoor ontstaan mogelijkheden voor andere plantensoorten: Waterzuring, Bitterzoet, Moeraswalstro en langs de waterkant de typische brakwaterplant Lepelblad. Wanneer dergelijke rietkragen rijk zijn aan (plante-)voedingsstoffen (door verterend aanspoelsel of door afgemaaid riet dat is blijven liggen) vestigt zich hier een aantal hoog opschietende ruigteplanten, in het Duits treffend Hochstauden geheten. In ons onderzoeksgebied zijn dat Harig wilgeroosje, Koninginnekruid, Moerasmelkdistel, en op enkele plaatsen ook Heemst.

In dit stadium, dat wij het ruige rietland kunnen noemen, staat het plantengezelschap nog geheel onder invloed van het open water, dat voedingsstoffen aanvoert. Wordt deze invloed geringer door een voortschrijdende verlanding, of door ophoping van oud plantenmateriaal, dan zal na verloop van tijd het riet ijler worden en zullen genoemde ruigteplanten geleidelijk verdwijnen. In plaats daarvan komen plantensoorten, die kennelijk een minder grote behoefte aan voedingsstoffen hebben, of althans bij een te grote voedselrijkdom niet met de ruigteplanten kunnen concurreren. Dan treden soorten op als Kale jonker, Engelwortel, Koekoeksbloem, Moerasrolklaver, Reukgras, Rood zwenkgras en Witbol. Soms kan men ook Gevleugeld Hertshooi, Melkeppe of de vrij zeldzame Rietorchis in dit vegetatietype aantreffen. Op sommige plaatsen - met name in het Noorderveen - kan de Moerasvaren sterk gaan optreden. In het Noorderveen treedt echter vaak eerst nog een tussenstadium op, dat elders, in zoetere veenmoerassen, veel algemener is. Dit is een rietland met allerlei kleurig bloeiende, middelhoge, en aan relatief voedselrijke omstandigheden gebonden soorten uit het zogeheten Moerasspireaverbond. Vooral Valeriaan, Kattestaart, Wederik, Watermunt, Wolfspoot, hier en daar ook Poelruit en Moerasspirea zelf vallen dan sterk op naast de al genoemde soorten. De geleidelijke verarming aan plantevoedingsstoffen - die overigens een verrijking aan soorten tot gevolg had - krijgt een versnelling wanneer in bovenstaand plantengezelschap, dat wij het kruidenrijke rietland zouden kunnen noemen, veenmossen gaan optreden. Dit veenmosdek verhoogt actief de zuurgraad van het grondwater, waardoor de voedingsstoffen moeilijk bereikbaar worden. Dit optreden van veenmossen, en dientengevolge een verzuring in een zo vroeg successiestadium, is gebonden aan brak water, en daarom een specifiek kenmerk van de Noordhollandse brakwatervenen (Westhoff e.a., 1971).

Vooral bij een beginnende verzuring treden allerlei interessante soorten op, zoals Addertong, Welriekende nachtorchis, Veenpluis en Veenreukgras. Bij voortgaande verzuring en verarming wordt het riet ijler en ontwikkelt zich een gesloten veenmosvegetatie; de soorten van het kruidenrijke rietland verdwijnen en daarvoor in de plaats komen zuurminnende soorten als Ronde zonnedauw en Kruipganzerik. Soms echter treden grote aantallen varens op, vooral de Smalle stekelvaren en de Kamvaren en in mindere mate en slechts op sommige plaatsen de Moerasvaren. Op enkele plaatsen kunnen Koningsvaren, Brede stekelvaren en Kamperfoelie, die zich elders als bosplanten gedragen, in veenmosrietlanden worden aangetroffen (vergelijk Westhoff & Reinink 1967). Als de verzuring ver genoeg is voortgeschreden, treden tenslotte heide-achtigen op, in het onderzoeksgebied Kraaiheide en Dopheide en voorts een aantal typische hoogveenmossen (Sphagnum magellanicum, Sphagnum papillosum en Pohlia nutans).

Voorlopig is met deze veenheiden een eindstadium bereikt. Op sommige plaatsen echter- en weer is dit vooral in het Noorderveen het geval - treedt opslag van berken op en vindt zo bosvorming plaats. Daarmee komt dan vaak een einde aan de verarmende en verzurende tendens, doordat deze broekbosjes in het overigens kale land vogels aantrekken, waarna door hun uitwerpselen een verrijking aan voedingsstoffen plaatsvindt. In dergelijke bosjes verdwijnen de veenmossen (mogelijk ook door bladval) en maken plaats voor meer algemene soorten als Witbol, Reuk- gras, Ruwbeemdgras en Vogelmuur.

Het hiervoor beschreven proces van geleidelijke verarming en verzuring in de loop van de verlandingsserie wordt versneld als het riet gemaaid en afgevoerd wordt, daarentegen vertraagd als er wel gemaaid wordt maar de afvoer achterwege blijft. Vroeger werd het kruidenrijke rietland vaak als hooiland in gebruik genomen. Omdat door maaien in de zomer, in tegenstelling tot 's winters maaien, de groei van het riet sterk vermindert, verandert het aspect van de vegetatie dan aanzienlijk. Er ontstaat, zolang bemesting achterwege blijft, een zeer kruidenrijk type hooiland, in zekere zin vergelijkbaar met het blauwgrasland van de zoetere gebieden.

De reeds min of meer legendarisch geworden Harlekijnorchis vindt in dergelijke onbemeste en laat in de zomer gemaaide schrale hooilanden zijn optimale standplaats. Dergelijke hooilandtypen zijn echter vrijwel verdwenen. Wanneer namelijk bemesting en beweiding plaatshebben, verdwijnen de meeste kruiden, en ontstaan graslanden van de meer gebruikelijke samenstelling. Ook binnen de graslandgezelschappen zijn nog twee hoofdgroepen te onderscheiden: een groep, die relatief minder intensief wordt gebruikt, en een groep die zeer intensief wordt bemest en beweid. Botanisch gezien worden graslanden van de eerste groep gekenmerkt door het optreden van soorten als Reukgras, Kamgras, Beemdlangbloem, Rode klaver, en soms ook Gewone zegge en Waterkruiskruid. Graslanden van de tweede groep missen deze soorten en vertonen een homogene grasmat met voornamelijk Engels raaigras, Kweek, Ruwbeemdgras, Veldbeemdgras en, onder nattere omstandigheden, Fioringras. In sommige gevallen wordt het agrarisch gebruik van graslanden om de een of andere reden plotseling beëindigd. Met name gebeurt dat in gebieden waarvan de bestemming in de nabije toekomst lijkt te zullen veranderen. In dergelijke graslanden treden in eerste instantie de vaak toch al aanwezige 'storingsindicatoren' Kweek, Witbol of Fioringras massaal op. Naderhand verschijnen ook Riet, Oeverzegge en soms Liesgras, die dan vaak zeer soortenarme vegetaties vormen door verdringing van de oorspronkelijke graslandsoorten. In andere gevallen ontstaan meer soortenrijke ruigten, die soms qua samenstelling gelijkenis vertonen met het ruige rietland uit de verlandingsserie. Doordat de bovengrond meestal veel droger en voedselrijker is dan bij laatstgenoemd gezelschap, zijn de milieuomstandigheden zodanig afwijkend dat de verdere successie ook anders verloopt. In dergelijke vegetaties treedt op enkele plaatsen wat opslag op van Vlier of Schietwilg. In vergelijkbare situaties op drooggevallen platen in het Veerse Meer bleken dergelijke ruimtevegetaties vele jaren ongewijzigd te blijven voortbestaan. (Beeftinck, Daane & de Munck, 1971). Ruigtevegetaties kunnen ook op andere wijze ontstaan, namelijk uit pioniervegetaties op open grond. Wanneer door baggerwerkzaamheden, graafwerk of anderszins ergens een onbegroeide bodem wordt gevormd, zal daar vrij snel een pioniervegetatie optreden, waarin - naast andere stikstofminnende soorten- Klein hoefblad een belangrijk en kenmerkend element is. Onder zeer natte omstandigheden daarentegen treden Ruwe bies, Grote lislodde, Zulte en Moerasandijvie als pioniersoorten op. Afhankelijk van de omstandigheden zullen dergelijke pioniervegetaties na verloop van tijd veranderen in een soort ruigte, of onder natte omstandigheden in een soort ruig rietland. Ook in dit laatste geval zal echter een vegetatiesuccessie door verarming en verzuring vooralsnog achterwege blijven.

2.2. Ontwikkelingen in de tijd

Vanwege de op handen zijnde herinrichting voor Westzaan zijn er hier nog onlangs uitgebreide karteringen uitgevoerd. Aan de hand hiervan is een aantal ontwikkelingen waar te nemen. Hieronder zullen deze kort geschetst worden zoals ze in Westzaan waargenomen zijn. Hoewel er in andere gebieden in principe soortgelijke ontwikkelingen te vinden zullen zijn, is het niet correct aan te nemen dat dit overal precies zo verloopt.

2.2.1. Verzoeting

Door verzoeting van het water moet voor de toekomst rekening gehouden worden met een afname van brakwaterindicatoren die vooral langs de wateren op polderpeil voorkomen, zoals Echt lepelblad, Moerasmelkdistel en Heemst. Daarnaast kan een toename worden verwacht van indicatoren voor zoet water, zoals Kalmoes, Gele lis en Liesgras. Bij brakwaterindicatoren in onderbemaling, zoals Schorrezoutgras, Melkkruid en Zeeaster, hoeft een dergelijke afname nog niet te worden verwacht, omdat er hier voorlopig nog sprake is van een aanvoer van Chloride uit de ondergrond. De aantals-ontwikkeling en verbreiding van deze soorten hangt sterk af van het toekomstig beheer. Bij extensivering van het sloot- en oeveronderhoud valt er op korte termijn zelfs een toename van brakwaterplanten in onderbemaling te verwachten. Op lange termijn lijkt echter een verzoeting van het hele gebied, en daarmee het verdwijnen van brakwaterindicatoren, onvermijdelijk.

2.2.2. Vervuiling

Onder vervuiling wordt hier vooral verstaan: de toename van de voedselrijkdom in het water (door afspoelen van mest en overstort van riolen). Dit wil niet zeggen dat er geen andere vormen van vervuiling voorkomen. Van zulke andere vormen is echter de invloed op de natuur minder duidelijk. Het water in de grotere sloten en watergangen is zeer voedselrijk en met name in de zomer troebel door algvorming. Waterplanten krijgen onvoldoende licht om zich te ontwikkelen. Slechts incidenteel komt er in deze waterlopen nog vegetatie voor. Als er al planten voorkomen zijn dit met name Schedefonteinkruid-, Zannichella-, Darm- en Draadwier-, Bultkroos-, of Veelworteligkroosvegetaties. Dit zijn alle indicatoren van zeer voedselrijk water. In de smallere sloten is de troebeling en de voedselrijkdom minder. Hier is dan ook vaker begroeiing te zien. Dit zijn dan echter ook vaak weer de hiervoor genoemde vegetaties, of Puntkroos-, Kikkerbeet-, of Gedoornd hoornbladvegetaties. Ook dit zijn indicatoren van grote voedselrijkdom.

2.2.3. Cultuurdruk

Onder cultuurdruk verstaan we de beweiding, bemesting, ontwatering en het maaien van de percelen. Deze cultuurdruk neemt toe met de omvang en de mate van bereikbaarheid van de percelen. Behalve variatie tussen de percelen zijn er ook verschillen binnen de percelen. In het midden is de druk hoger dan aan de randen. Met deze verschillen in cultuurdruk verschilt ook de vegetatie. Uit vergelijking van de graslandvegetaties tussen 1975 en 1983 blijkt dat in het hele gebied van Westzaan een afname is opgetreden van graslandvegetaties gebonden aan een lage cultuurdruk.

3. Paddestoelen

Sinds de jaren '50 is er een forse achteruitgang te constateren van het aantal paddestoelen in Europa. De oorzaken hiervan zijn het biotoopverlies en de luchtvervuiling. De paddestoel blijkt nog meer dan de plant gevoelig voor luchtvervuiling en zure regen. In hoeverre deze achteruitgang van paddestoelen ook voor de Zaanstreek geldt, valt moeilijk te zeggen. Over de verspreiding van paddestoelen in deze streek is helaas weinig bekend. Wel worden in de literatuur enkele karakteristieke soorten genoemd. Deze komen vooral op de zogenaamde veenmos-rietlandjes voor en zijn: Veenmosgrauwkop, Veenmosvuurzwammetje, Vlokkig veenmosklokje en de Moeraszwavelkop.

4. Fauna

Behalve de bestaande wisselwerking tussen planten is er ook een wederzijdse beïnvloeding van planten en dieren. Groepen plante- en diersoorten die in nauwe relatie met elkaar staan heten levensgemeenschappen. De wetenschap die deze relaties beschrijft is de ecologie. Een ecosysteem is een geheel van levende organismen en hun milieu, met hun onderlinge relaties. In de Zaanstreek bestaan diverse ecosystemen, waarvan overigens nog lang niet alle relaties voldoende bekend zijn. Om het overzicht te behouden wordt hier niet verder ingegaan op de ecosystemen, maar wordt de fauna apart behandeld. Deze inleiding is slechts bedoeld om aan te geven dat een en ander niet op zichzelf staat.

4.1. Avifauna (vogels)

De in de Zaanstreek meest in het oog springende fauna is de avifauna. Daarom wordt deze ook als eerste behandeld. Over Zaanse vogels zijn vele boeken geschreven. Vooral de activiteiten van de Vogelwacht Zaanstreek zijn op dit punt belangrijk. Hieronder volgt een beknopt overzicht van de diverse groepen vogels. Vogels kunnen onderscheiden worden naar de diverse landschapstypen waarin zij broeden en/of fourageren. Voor de Zaanstreek zijn vanuit dat onderscheid de volgende groepen van belang: weidevogels, moeras/rietlandvogels en watervogels. Daarnaast is er vanuit de streek gezien nog onderscheid te maken tussen vogels die er broeden en vogels die er merendeels alleen fourageren.

4.1.1. Broedvogels

Weidevogels zijn vogels die broeden en fourageren in open lage vegetaties. Sommige hier als weidevogel bekend staande soorten komen van oorsprong voor op de strandvlakten en de kwelders (Kluut, Scholekster). Andere kwamen met name voor op de Noord-Europese toendra's (Kemphaan). Wat hen naar de weiden trekt is de lage begroeiing en de hoge voedselrijkdom die samenhangt met een zekere mate van landbouwkundig gebruik. Daarom zijn de dichtheden van sommige soorten hier ook veel groter dan op de Russische toendra's. Nederland heeft voor de weidevogels een grote internationale verantwoordelijkheid. Van verschillende soorten broeden aanzienlijke delen van de Noord-Westeuropese populatie in ons land. Van de Grutto is dit zelfs zo'n 90 %. Van de weidevogels in ons land broedt een niet onaanzienlijk deel in de Zaanstreek. Deze streek geniet hierdoor landelijke en zelfs internationale bekendheid. De tabel op deze pagina geeft voor enkele soorten aan hoeveel exemplaren in de Zaanstreek broeden. In de Zaanstreek horen zo'n 20 soorten weidevogels tot de regelmatig terugkerende broedvogels. De verschillende soorten zijn aan verschillende biotopen gebonden (de biotoop is de natuurlijke leefomgeving van een soort). Deze biotopen hangen nauw samen met het beheer. De meest algemene broedvogels (Grutto, Kieviet, Scholekster) broeden op de meest intensief gebruikte delen. Op de nattere gronden zien we de Watersnip en de Tureluur en op de extensieve percelen de Kemphaan. Nagenoeg verdwenen is de Zwarte stern, die ook op de meest extensief gebruikte percelen aanwezig was. Van deze zwaluwachtig uitziende vogel broedden er tot de jaren '60 nog enkele honderden paren in de Zaanstreek. Daarna liep het aantal snel terug. Zij broedden bij voorkeur op waterplanten en darmwier. Of het verdwijnen van deze vegetatie de oorzaak is van de verdwijning van de Zwarte stern uit de streek is niet duidelijk, maar wel aannemelijk.

De Kemphaan en de Watersnip zijn ook kritische soorten; dat wil zeggen dat hun biotoop-eisen zeer nauw omschreven zijn. Bij intensivering van het landgebruik zijn zij de eerste soorten die verdwijnen. Hun aantal is dan ook de laatste decennia afgenomen. Ook het areaal van andere weidevogels staat echter onder druk. Alle weidevogels hebben behoefte aan rust en open land. Bossages en rietlanden worden als broedgebied gemeden, evenals wegen of bebouwing. Verstedelijking van de Zaanstreek, doorsnijding met wegen en hoogspanningskabels en intensivering van de landbouw, maar ook de verwaarlozing van percelen hebben geleid tot een flinke achteruitgang van de weidevogelstand sinds het begin van deze eeuw. Zo verdween er een kemphanen-baltsplaats (ook wel stoeiplaats genoemd) onder de nieuwbouwwijk van Westerkoog. Tijdens de aanleg van de wijk baltsten de kemphanen nog wel op het opgespoten zand. Met de komst van de bebouwing verdwenen zij uiteraard. De bouw van nieuwe woningen in het Guisveld en het Westzijderveld betekende eveneens een aanzienlijke aanslag op de weidevogelstand. De Vogelbeschermingswacht en milieu-organisaties waren steeds bijzonder alert, maar konden de aantasting van de Zaanse vogelweidegebieden niet voorkomen.

Toch is het niet alleen maar kommer en kwel in de vogelwereld. Er zijn de laatste decennia in de Zaanstreek ook weidevogelsoorten bijgekomen (Scholekster, Kluut). Ook de bescherming is beter geregeld. Er worden geen eieren meer geraapt, zoals enkele tientallen jaren geleden gewoon was. Door natuurbeschermers worden er op sommige plekken nestbeschermers geplaatst om te voorkomen dat de nesten door het vee vertrapt worden of sneuvelen bij de bewerking van het land. Er zijn verschillende reservaten ingesteld en tevens groeide bij de landbouwers meer belangstelling voor het weidevogelbeheer, dit mede als gevolg van het instellen van de mogelijkheid tot het sluiten van beheersovereenkomsten.

Aantal broedparen (gemiddelde over een periode van 5 jaar)
soort Zaanstreek Noord-Holland Nederland
kemphaan 60-210 200-300 800-1000
watersnip 140-250 350-400 4.000-5000
slobeend 750-800 2400-3200 10000-14000
scholekster 1300-1400 17500-19000 80000- 100000
kievit 2250-2300 25000-28000 200000-275000
grutto 2200-2250 12500-14000 75000-95000
tureluur 620-650 4600-5200 23000-30000
zomertaling 20-40 200-400 1250-1750

De verwaarlozing en verruiging van percelen (dichtgroeien met riet en later met struiken en bomen) leidt tot gebiedsverlies voor weidevogels, maar levert nieuwe biotopen op voor al even waardevolle riet/moerasvogels. De laatste tijd lijkt de weidevogelstand in de Zaanstreek zich te stabiliseren. Dit heeft plaats op een niveau waarvan nog steeds gezegd kan worden dat de Zaanstreek een waardevol vogelweidegebied is. Het unieke van deze streek is bovendien dat er hier naast veel weidevogels in het zelfde gebied ook grote aantallen andere vogels voorkomen (nl. watervogels en riet-/moerasvogels).

De rietkragen, rietvelden en verruigde percelen herbergen talloze broedvogels. De meeste soorten horen tot de zogenaamde riet/moerasvogels. De opvallendste soort die we veel in de Zaanstreek zien is de Bruine kiekendief. Deze stootvogel broedt in rietlanden van enige omvang. Ze is hier enige tijd afwezig geweest door het gebruik van zware, moeilijk afbreekbare bestrijdingsmiddelen (zoals DDT), maar de laatste tijd neemt het aantal in heel Nederland en ook in de Zaanstreek weer toe. In 1990 broedden er weer enkele tientallen in de Zaanstreek. De meeste riet-/moerasvogels hebben een klein en onopvallend uiterlijk, zoals de Snor, de Kleine karekiet en de Rietgors. Veel van deze vogels weten echter op te vallen door hun karakteristieke geluid. De Roerdomp bv. is al van verre herkenbaar door zijn diepe luide 'woep'-geroep. (De Latijnse naam van dit dier, 'Botaurus stellaris', betekent vrij vertaald: 'brul-os'.)

Ook voor de riet-/moerasvogels geldt dat elk weer zijn voorkeur heeft voor een bepaalde samenstelling van de beplanting in een gebied. Sommige soorten prefereren jong riet, andere juist weer ouder riet (zogenoemd overjarig riet, dat een of meer jaren niet gemaaid wordt). Dit heeft te maken met de zaden, of de specifieke insecten die in het riet leven. Zo leeft het Baardmannetje 's zomers van insecten en 's winters van rietzaad, waardoor deze vogel hier kan overwinteren. Er zijn ook vogels die juist de voorkeur geven aan een afwisseling van riet en houtige beplanting. Het nat of droog zijn van een rietvegetatie (de fase in het verlandingsproces) is ook van invloed op de broedvogelsamenstelling. Daar waar de bomenopslag grotere gebieden beslaat, broeden soms ook zogenaamde bosvogels, zoals Ekster, Zwarte kraai en Ransuil en soms ook Fitis, Kneu, Tjif tjaf en Bosrietzanger. In de Zaanstreek zijn deze laatstgenoemde vogels misschien zeldzaam, landelijk gezien zijn ze dat beslist niet. Voor een aantal in deze streek voorkomende rietvogels geldt precies het omgekeerde. Veel van deze vogels worden landelijk gezien bedreigd, met name door biotoopverlies. In de Zaanstreek is het aantal soorten rietvogels nog aanzienlijk. Wel zijn er over de jaren sterke fluctuaties te zien. Dit heeft velerlei oorzaken. De Rietzanger is sinds de jaren '70 in aantal afgenomen door de droogte in zijn overwinteringsgebied de Sahel. De Snor nam eind jaren '60 sterk in aantal toe door de ontginning van de Flevopolders. Het riet werd er toen platgebrand, zodat de vogels naar andere gebieden moesten uitwijken. Door de planologische onzekerheid was het Guisveld in de jaren '70 sterk verriet. Het verbeterde beheer van dit gebied in de jaren '80 heeft tot een achteruitgang van de stand van een aantal rietvogels geleid, waaronder de Kleine karekiet. Al met al is er voor de Zaanstreek echter geen reden tot ongerustheid over de stand van deze vaak onopvallende, maar luidruchtige vogels. Karakteristiek voor de Zaanstreek is de afwisseling van smalle (soms verlandende) sloten en grote oppervlakten open en ondiep water, veelal omzoomd met rietkragen. Dergelijke gebieden zijn zeer aantrekkelijk als broed- en fourageergebied voor watervogels. Deze zijn voor hun voedsel afhankelijk van hetgeen het water hun biedt. Het lijkt erop dat de watervogelstand als geheel in de Zaanstreek nu vrij stabiel is. Wel vinden er in de soortensamenstelling verschuivingen plaats. De Dodaars - het kleine verlegen broertje van de Fuut - was in de jaren '40 een regelmatig voorkomende broedvogel in deze streek. Rond 1990 is hij nagenoeg verdwenen. Men vermoedt dat dit samenhangt met de verzoeting van het water. Hierdoor is het Darmwier (het zogenoemde Flap), dat als nestmateriaal werd gebruikt, verdwenen. Ook de Steurkrab, het voedsel van de Dodaars, is door de verzoeting verdwenen. De wilde eend is in de jaren '70 door de eutrofiëring (toename van de voedselrijkdom) van het water in aantal toegenomen. Daarentegen is de Slobeend in die periode in aantal achteruitgegaan. De Krakeend is sinds het eind van de jaren '70 een nieuwkomer in de Zaanstreek. Andere soorten fluctueren in aantal met de jaren. Dit heeft waarschijnlijk te maken met wisselingen in het rietbeheer en schommelingen in het klimaat.

4. l. 2. Niet-broedvogels

De niet-broedvogels zijn vogels die merendeels elders broeden maar wel in de Zaanstreek foerageren. Sommige broeden in kolonies niet zo heel ver buiten de streek en ondernemen trektochten op zoek naar voedsel. De bekendste soorten zijn de Lepelaar en de Aalscholver. Deze vogels zijn soms in redelijke aantallen in de streek aan te treffen. De hier foeragerende Lepelaars komen met name uit kolonies in Zuidelijk Flevoland. Zij komen bij voorkeur in groepen foerageren in ondiepe sloten. Daarbij maaien ze met hun snavel over de bodem van de sloot, op zoek naar prooidiertjes zoals de stekelbaars. Tegen het eind van de zomer trekken deze vogels weg naar de waddengebieden van Noordwest-Afrika.

De Aalscholver wordt hier in toenemende mate waargenomen, doordat door beschermende maatregelen het totale aantal in Nederland toeneemt. Ze verschijnen zowel in de zomer als de winter in groepjes in de Zaanstreek op zoek naar vis. Deze vogel broedt in kolonies in bomen. Met name de kolonie in het Naardermeer is zeer bekend. Andere niet-broedvogels die hier fourageren komen uit veel noordelijker streken en zijn hier vooral in het winterseizoen te vinden. Op doortrek naar zuidelijker streken rusten zij hier uit en fourageren. Er zijn er ook die besluiten hier de winter door te brengen als het niet te koud wordt. Deze wintergasten bestaan uit zwanesoorten, gansachtigen en eenden. (Gegevens afkomstig uit: Watervogels in de Zaanstreek, Vogelbeschermingswacht Zaanstreek, 1986.)

Zwanen zijn onze grootste watervogels. In Nederland komen drie soorten voor; de Knobbelzwaan, die het hele jaar aanwezig is, de Wilde zwaan en de Kleine zwaan. Deze laatste twee zijn wintergasten. Zwanen zijn vegetariërs, ze zoeken hun voedsel in ondiepe wateren en op de oever. In de Zaanstreek worden 's winters flinke aantallen zwanen waargenomen. Het betreft dan vooral Wilde zwanen en Knobbelzwanen. De Kleine zwaan wordt meestal alleen in de lucht boven de Zaanstreek in V-formatie waargenomen.

In Nederland verblijven er gedurende een bepaalde tijd in de winter zo'n half miljoen Ganzen. Hun aantal is sinds de jaren '70 duidelijk toegenomen. Dit heeft te maken met de afname van de geschikte overwinteringsplaatsen buiten Nederland en het stoppen van de jacht in een aantal landen. De Zaanstreek behoort niet tot de veelbezochte Nederlandse pleisterplaatsen. Toch worden er hier vele duizenden waargenomen, met een waarnemingspiek in januari. Dit betreffen dan meestal overvliegende ganzen. De veel waar genomen soorten zijn: de Kolgans, de Grauwe gans en de Rietgans.

Eenden zijn in drie subgroepen onder te verdelen: de Grondeleenden, de Duikeenden en de Zaagbekken. De Zwem-, of Grondeleenden hebben een aantal eigenschappen gemeen. Een relatief langgerekt lijf, korte poten en een relatief brede snavel met goed ontwikkelde zeefranden. Ze fourageren op of net onder het wateroppervlak. De Zaanse polders en plassen zijn rijk aan grondeleenden. De meest geziene soorten zijn: de Smient, de Krakeend, de Wintertaling, de Wilde eend, de Pijlstaart en de Slobeend. De Zomertaling is in de winter een incidentele bezoeker. De Wintertaling is de kleinste van de Grondeleenden die hier voorkomen. In zeer ondiepe sloten, bij slikkige oevers, op ondergelopen weilanden en in oevervegetaties verzamelt hij zijn voedsel: plantaardige kost, vooral kleine zaden. Deze vogel is hier het talrijkst in de maanden oktober en november. Er worden dan enkele honderden exemplaren waargenomen. De andere soorten zijn aanzienlijk groter van afmeting. De Slobeend als grootste zeefspecialist zoekt met zijn grote spatelvormige snavel het wateroppervlak af naar dierlijk en plantaardig voedsel. De Pijlstaart en de Krakeend zijn grondelaars in ondiep water en op ondergelopen weilanden. De Krakeend was zo'n tien jaar terug hier nog een zeldzame verschijning. De laatste jaren worden er in de winter honderden exemplaren met name in het Twiske geteld. De Smient is een specialist in het grazen. Overigens is deze soort de meest voorkomende wintergast in de Zaanstreek. Sommige winters worden er wel zo'n 50.000 exemplaren geteld. Dit is ongeveer 4 % van de populatie van Noordwest-Europa. Het grootste deel van de Zaanse populatie Smienten is te vinden in het Twiske. In de polder Oostzaan verblijft zo'n 29 % van deze soort. De Wilde eend is de bij iedereen bekende alleseter. De Bergeend is vooral een kust- en wadvogel, die in de Zaanstreek in slikkige sloten en op ondergelopen land voedsel zoekt. Zijn menu bestaat in tegenstelling tot de andere grondeleenden vooral uit dierlijk voedsel.

De groep Duikeenden bestaat uit een aantal soorten, waarvan er drie regelmatig in de Zaanstreek voorkomen. Dit zijn de Kuifeend, de Tafeleend en de Brilduiker. Andere soorten zijn slechts incidenteel te zien. De Duikeenden zoeken hun voedsel in diepere waterlagen. In voedselsamenstelling en duikvermogen zijn er overigens aanzienlijke verschillen tussen de verschillende soorten. De Brilduiker kan het diepst en langst duiken van de drie genoemde soorten. Hij kan ook snel bewegende prooien te pakken krijgen, Kuif- en Tafeleend kunnen dat niet. De Kuifeend is een betere duiker dan de Tafeleend. Deze Kuifeend heeft een aanzienlijke hoeveelheid driehoeksmosselen op zijn menu staan. De Tafeleend is in de winter nagenoeg vegetariër. De Duikeenden worden hier vooral op de open wateren waargenomen. De grootste aantallen zijn te vinden in de Rothoek en op de Zaan. De vogels zijn echter enorm mobiel, zodat hun aantallen per dag sterk wisselen.

Zaagbekken zijn zeer gespecialiseerd in hun voedselpakket. Zij zijn in staat snelzwemmende vis te vangen. Dat is dan ook hun voornaamste voedsel. In Europa komen drie soorten zaagbekken voor: de Grote zaagbek, de Middelste zaagbek en het Nonnetje. Zij broeden alle in noordelijker regionen, maar zakken in de winter af, waarbij ons land een belangrijk overwinteringsgebied is. Terwijl de Middelste zaagbek meer langs de kust te vinden is, verblijven de andere twee vooral op zoet water. Deze twee soorten zijn iedere winter in de Zaanstreek waar te nemen. Het betreft dan enkele tientallen exemplaren, vooral in het Wormer- en Jisperveld. De Middelste zaagbek verschijnt hier alleen in zeer koude winters. Niet alle wintergasten zijn overigens overal even welkom.

Sommige kunnen met hun fourageer-gedrag in combinatie met hun aantal aanzienlijke schade aan weilanden aanrichten. Dit vraagt om regulering. Voor de Smient, die hier in enorme aantallen kan voorkomen, heeft dit geleid tot een speciaal beheersplan. Dit plan gaat uit van drie typen gebieden:

* Kerngebieden, waar Smienten moeten worden opgevangen. Deze gebieden, in beheer bij natuurbeschermingsorganisaties, moeten aantrekkelijk gemaakt worden door ze in het najaar weinig kunstmest te geven en in de winter onder water te zetten (plasdras). In deze gebieden mag er op de Smienten niet gejaagd worden.

* 31 januari-gebieden, waar Smienten getolereerd worden. Voor bejaging na 31 januari wordt geen vergunning afgegeven.

* Overige gebieden, waar Smienten met nadruk bejaagd dienen te worden (ook na 31 januari).

Doel van dit beleid is het terugdringen van Smienten naar gebieden van de natuurbescherming, zodat elders de schade wordt beperkt. Gezegd moet worden dat het beleid in 1990 onvoldoende werkt. De kerngebieden, in de Zaanstreek zijn die gelegen in het Wormer- en Jisperveld en de polder Oostzaan, zijn te klein om de grote aantallen Smienten te kunnen herbergen. Daarnaast blijken de bewegingen van de Smient moeilijk te sturen. Zij fourageren vooral 's nachts en verplaatsen zich dan vanaf hun rustplaats naar de fourageergebieden. Bejaging is dan haast niet mogelijk.

Samenvattend kan gesteld worden dat de Zaanstreek van groot belang is voor diverse vogels. Duidelijk is ook dat deze vogelrijkdom geen vaststaand gegeven is; sommige soorten worden bedreigd, andere zijn al verdwenen. Van weer andere is het aantal toegenomen. De toekomstige ontwikkeling van de vogelstand hangt in belangrijke mate af van de ontwikkeling van de streek. Sommige invloeden liggen echter buiten de streek en zelfs buiten ons land.

4.2. Zoogdieren

In de Zaanstreek komt nog een flink aantal kleine zoogdieren in het wild voor. Soorten die hier gezien worden zijn: Otter (?), Hermelijn, Wezel, Bunzing, Watervleermuis, Meervleermuis, Dwergvleermuis, Laagvlieger, Waterspitsmuis, Huisspitsmuis, Bosspitsmuis, Bosmuis, Huismuis, Dwergmuis, Veldmuis en Noordse woelmuis, Haas, Mol, Egel, Bruine rat en Waterrat. Lang niet alle soorten zijn voor onze streek kenmerkend. Alleen voor de Zaanstreek karakteristieke soorten worden hierna behandeld.

4.2.1. Noordse woelmuis
Verspreidingsgebied (vangplaatsen) van de Noordse woelmuis boven het Noordzeekanaal. Gearceerd de venige gronden van Zaanstreek en Waterland (Naar 'De Levende Natuur', 1968)

Deze muis is sterk gebonden aan veenweidegebieden, zoals ook blijkt uit de kaart. Nederland is de meest zuidelijke punt van het verspreidingsgebied van de Noordse woelmuis. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de Nederlandse populatie een geïsoleerde is. Het is een relict uit de laatste ijstijd. De Nederlandse populatie vormt een ondersoort, die alleen in ons land voorkomt. De biotoop is zeer nat terrein bestaand uit rietland, moerasbos, natte hooilanden en dergelijke. Bij verbetering van de ontwatering of opheffen van de isolatie wordt deze soort verdrongen door de Veldmuis. De Noordse woelmuis is dan ook een bedreigde diersoort in Nederland.

4.2.2. Marterachtigen

Van de marterachtigen is de Hermelijn de meest voorkomende soort in veenweidegebieden. Nabij boerderijen wordt nog wel eens de bunzing waargenomen, omdat hij zijn schuilplaats in een hooiberg of houtstapel zoekt. De wezel is aanwezig in ruigte-vegetatiegebieden.

4.2.3. Otter

De otter is een visser die zijn prooi vangt door hem achterna te duiken. Het dier heeft een groot aaneengesloten gebied nodig van enkele vierkante kilometers om aan zijn voedsel te komen. Binnen dit gebied heeft hij behoefte aan helder water met een dekking biedende randbegroeiing. In het begin van deze eeuw was de otter in Nederland nog een veel voorkomend dier. De laatste tijd is het aantal flink teruggelopen als gevolg van watervervuiling en het doorsnijden van leefgebieden (wegen, spoorwegen, e.d.). De laatste sporen van otters in de Zaanstreek zijn enkele jaren terug in Westzaan gevonden. In de winter 1988-1989 zijn er nog sporen gevonden bij het Alkmaardermeer. Er wordt in 1990 wordt sterk aan overlevingskansen voor het dier in Nederland getwijfeld.

4.3. Amfibieën en Reptielen

In de Zaanstreek worden de volgende soorten vrij algemeen aangetroffen: Groene kikker, Bruine kikker, Kleine watersalamander. Plaatselijk zeer talrijk, met name in het Guisveld is ook de Rugstreeppad. Internationaal gezien is deze soort schaars. Zeer plaatselijk wordt de levend barende hagedis aangetroffen. De Bruine kikker heeft een voorkeur voor sloten met een rijke flora. Bij de Groene Kikker is deze voorkeur minder duidelijk aanwezig. De Rugstreeppad heeft geen duidelijke voorkeur. Voor al deze dieren geldt dat zij in hun voortbestaan bedreigd worden als het zoutgehalte van het water te hoog wordt. Bij gehalten hoger dan 1000 milligram chloor per liter worden er geen eierklompen meer gevonden.

4.4. Hydrobiologie (onderwaterleven)

4.4.1. Vissen

In de Zaanstreek komen zo'n 20 soorten vissen voor van de in Nederland ongeveer 60 bekende soorten. De hier voorkomende soorten zijn merendeels gebonden aan milieus met stilstaand water en zachte bodem. De Karperachtigen vormen de grootste groep van de in deze streek voorkomende soorten. Hiertoe horen de volgende: Karper (in zuivere vorm); Boerenkarper (alsook diverse bastaarden), Zeelt, Voorn (diverse soorten), Brasem, Kolblei, Kleine modderkruiper en Grote modderkruiper. Andere soortgroepen zijn de Baarsachtigen (Baars, Snoekbaars en Pos), de Aalachtigen, de Snoek en de Stekelbaars (de driedoornige en de tiendoornige). Incidenteel worden er ook andere soorten aangetroffen, zoals de Spiering. Karakteristiek zijn hier de Boerenkarper, de Snoek, de Snoekbaars, de Baars en de Paling.

Door de vervuiling en de vertroebeling van het water worden met name de zogenaamde oogjagers (de Snoek, de Baars, de Rietvoorn en de Kroeskarper) bedreigd. Andere soorten (de karper en de brasem) gedijen juist goed in dit vervuilde milieu en houden het zelfs in stand. Dit systeem werkt als volgt: door het voedselrijker worden van het water neemt de algengroei toe. Het water wordt troebeler en de bodem slapper onder andere door de afgestorven algen. Waterplanten krijgen hierdoor minder kansen om te groeien. Hierdoor verdwijnen schuilmogelijkheden voor jonge roofvissen. Door de vertroebeling nemen ook de jaagmogelijkheden voor alle roofvissen (oogjagers) af. De prooidieren als de Brasem en Karper nemen in aantal toe. Deze vissen eten zoöplankton, kleine diertjes, waaronder watervlooien. De watervlooien eten algen, maar door de toename van bijvoorbeeld de Brasem neemt het aantal vlooien af. De algengroei wordt dus minder geremd. Door de manier van fourageren van Brasem en Karper neemt de vertroebeling nog verder toe. Zij woelen namelijk de bodem om, zodat er meer voedsel voor de algen beschikbaar komt.

Aan deze vicieuze cirkel kan een einde gemaakt worden door een uitgekiend programma van baggeren, verbeteren van de waterkwaliteit, wegvangen van Brasem en uitzetten van snoek op het moment dat er weer waterplanten groeien.

4.4.2. Macrofauna en microfauna

Hiermee worden onder andere bedoeld: diverse larven, wantsen, slakken, garnaaltjes, watervlooien en algen. (Macro betekent: wel zichtbaar met het blote oog; micro betekent: niet zichtbaar met het blote oog.) Inventarisaties wijzen in één richting: in deze streek komen relatief weinig soorten voor door de combinatie van brak vervuild water en weinig waterplanten. Specifieke zoetwatersoorten ontbreken hier. Aanwezig zijn zouttolerante soorten die ook nog kenmerkend zijn voor zeer voedselrijk water. Voor wat betreft de macrofauna zijn er nog wel verschillende biotopen te onderscheiden, namelijk de perceelsloten en de grote open wateren (doorbraken, watergangen en dergelijke). De perceelsloten zijn het soortenrijkst, vooral uit de groepen Watermijten, Kevers en Waterwantsen. In de grotere wateren is het milieu veel stabieler. Daar zijn Crustaceeën (Garnaalachtigen) en Kokerjuffers veel algemener. De meest voorkomende Garnaalachtigen zijn de (massaal voorkomende) Vlokreeft en de Aasgarnaal. De Steurkrab (het voedsel van de Dodaars) is bij recente inventarisaties in Westzaan niet meer aangetroffen. Een bepaald Waterpissebed (Proasellus coxalis), die pas vrij recent in Nederland voor het eerst is aangetroffen, blijkt nu overal in Westzaan aanwezig te zijn.

4.5. Geleedpotigen

Hiertoe behoren de insecten en de spinnen. Ook een deel van de macrofauna behoort hiertoe.

Deze groep diertjes heeft niet ieders sympathie. Zo omvangrijk hij is (tienduizenden soorten alleen al in Nederland), zo weinig is ervan bekend. Dit geldt ook voor de geleedpotigen in de Zaanstreek. Echt uitgebreid onderzoek is er alleen gedaan in het Guisveld en dan nog met name naar de vlinders. Verder is er wat onderzoek gedaan naar kevers en spinnen. Het algemene beeld dat uit dit onderzoek naar voren komt is dat de insectenfauna van de Zaanstreek soortenarm is. Veel insecten ontwikkelen zich in het water. Door het brakke karakter van het water krijgt een aantal soorten geen kans. Veel van de gevonden insecten zijn specifiek voor een brak milieu (het water, dan wel de ermee samenhangende vegetatie), dan wel voor de vegetaties van diverse verlandingsstadia. De indruk bestaat dat door de afname van het zoutgehalte van het water het aantal insectensoorten in de streek toeneemt. Door intensivering van het bodemgebruik verandert de soortensamenstelling eveneens. De meer specifieke soorten worden verdrongen door algemenere soorten. Hieronder volgen enkele getallen van soortenaantallen die in deze streek gevonden zijn, alsook enkele soortenbeschrijvingen. Diverse groepen zijn buiten beschouwing gelaten. Derhalve is dit geen overzicht, maar een indruk om de rijkdom en de milieu-afhankelijkheid aan te geven (gegevens zijn gebaseerd op verricht onderzoek in het Guisveld).

Er zijn ruim 100 soorten Landkevers gevonden en zo'n 50 soorten waterkevers. Het aantal aangetroffen spinnesoorten is 67. Verder zijn er tot nu toe 24 soorten Zweefvliegen, 6 soorten Wapenvliegen en 140 soorten Vlinders gevonden. Overigens worden er ook regelmatig nieuwe soorten in de Zaanstreek aangetroffen. Dit betekent niet altijd dat de kolonisatie van de streek door de betreffende soort pas begonnen is. Misschien is deze bij een vorige inventarisatie gewoon over het hoofd gezien. Zoals gezegd is er eigenlijk het meest bekend van vlinders. Dit zal meer te maken hebben met zowel het gegeven dat deze groep nog de meeste sympathie geniet, als met het feit dat deze groep zo specifiek is voor de Zaanstreek. Overigens zijn de karakteristieke Vlindersoorten uit deze streek voor de gemiddelde natuurliefhebber totaal onbekend, sterker nog, vaak ontbreekt de Nederlandse naam. Enkele in de streek voorkomende soorten zijn:

* De St-Jansvlinder. Deze wordt wel de meest karakteristieke vlindersoort van de streek genoemd. Door gewijzigd beheer is deze vlinder in Nederland sterk achteruit gegaan. De rupsen leven op moerasrolklaver. Deze plant komt voor op ongemaaid bloemrijk rietland.

* De Chilodes maritima; een lokale vlindersoort in Nederland. De rupsen leven in de rietstengels.

* De Phragmataecia oastaneae; deze soort is aan moeras en oud riet gebonden. De rups leeft in oud riet en is pas na 21 maanden volwassen.

* De Bacta robustana; deze soort is kenmerkend voor brakke gebieden. De rups leeft op zeebies.

* De Amphipoea fucosa ssp. paludis; deze leeft in Europa in de kustgebieden. De rups voedt zich waarschijnlijk met zeebies. Als dit het enige voedsel is, dan betekent dit dat deze soort kenmerkend is voor brakke milieus.

5. De verschillende gebieden

In de vorige hoofdstukken zijn de voor de Zaanstreek karakteristieke planten en dieren beschreven. Deze organismen komen niet in de hele Zaanstreek in gelijke mate voor. Allereerst is er natuurlijk een groot verschil tussen het stedelijke en het landelijke gebied. Ook binnen de diverse landelijke gebieden zijn er accentverschillen. Hieronder volgt eerst een korte karakteristiek per landelijk gebied. Daarna zullen ook de stedelijke gebieden, met name de parken, besproken worden.

5.1. Het waterrijk slagenlandschap

5.1.1. De polder Westzaan

Deze polder beslaat zo'n 1200 hectare landelijk gebied. Hiervan bestaat zo'n 30 % van het oppervlak uit water. Tot deze polder horen de volgende gebieden: de Reef, het Guisveld, het (nog resterende) Westzijderveld, het Euverenweggebied en het Noorderveld. De polder heeft een zeer rijke afwisseling aan vegetaties. Overheersend zijn de graslandvegetaties. De percelen direct achter de boerderijen en op de kleiige gronden zijn kenmerkend voor intensief gebruik. De minder bereikbare percelen hebben soortenrijke vegetaties. Op een aantal plaatsen komen in de grasvegetaties zoutindicatoren voor. Naast grasland zien we hier ook veenheide-vegetaties en veenmosrietland. Hierin zijn zeldzame vegetatiesoorten te vinden zoals de Nachtorchis, de Harlekijn, de Rietorchis, de Malaxis, de Vleeskleurige orchis, de Addertong en Kraaiheide. Met name het Guisveld is door de verbetering van het beheer een zeer orchideeënrijk gebied geworden, het rijkste van de Zaanstreek. Op veel plekken in Westzaan zijn rietstroken aanwezig, variërend van enkele decimeters tot tientallen meters breed. In de rietstroken langs sloten zijn zoutminnende soorten te vinden, bijvoorbeeld het Echt Lepelblad. Merkwaardig is dat er hiervan in het Guisveld meer te zien is dan in het zuidelijke deel van de polder waar het zoutgehalte iets hoger is. Voor vogels heeft deze polder een enorme waarde. Het unieke feit doet zich voor dat er zowel weidevogels als riet-/moerasvogels en watervogels in grote aantallen voorkomen. Er broeden ongeveer twintig soorten riet-/moerasvogels. Hun aantal loopt in de duizenden. Voor enkele soorten is dit gebied zelfs van eminent belang. Van de Noordhollandse Blauwborstpopulatie broedt 20 % in Westzaan. Van de Porceleinhoen is dit zo'n 10 %. Het gebied is ook van groot belang voor weidevogels. Ongeveer 3 % van de Noordhollandse Kemphaanpopulatie broedt hier en van de Watersnip zelfs 5 %. Totaal broeden er in Westzaan zo'n 2 à 3.000 weidevogels. Daarnaast vervult de polder een belangrijke functie als fourageergebied.

5.1.2. Polder Oostzaan

Deze polder omvat omstreeks 820 hectare buitengebied, waarvan maar liefst 38 % uit water bestaat. De percelen zijn er (vergeleken met Westzaan) klein, maar goed onderhouden. De graslandvegetaties zijn ook hier, sterker dan in Westzaan, overheersend. Het gebied is minder zout en in een verder stadium van verlanding en verzuring dan Westzaan. De heidevegetaties en veenmosrietlandjes zijn dan ook veel talrijker. Opmerkelijk is hier het in grote hoeveelheden voorkomen van moerasrolklaver en daardoor ook de St. Jansvlinder. De betekenis van dit gebied voor weide- en watervogels is vergelijkbaar met Westzaan. Doordat het gebied minder verriet is komen er minder riet-/moerasvogels voor.

5.1.3. Kalverpolder

Deze polder heeft 160 hectare buitengebied, waarvan 25 % water. De vegetatie en de betekenis voor vogels is vergelijkbaar met de polder Westzaan.

5.1.4. Wormer- en Jisperveld

Dit gebied heeft zo'n 2200 hectare buitengebied, dat voor 22 % uit water bestaat. Het is het grootste aaneengesloten waterrijke slagenlandschap in de Zaanstreek. In het centrale deel zijn de percelen vrij klein. Langs de randen zijn ze groter. De vegetatie is er in grote lijnen vergelijkbaar met de Westzaanse, echter ondanks het gelijke zoutgehalte van het water is er hier veel minder Lepelblad langs de slootoevers te vinden. In het centrale deel vinden we veel rietkragen en rietlandjes. Ook zijn er veldjes met orchideeën, zoals Malaxis aanwezig. De betekenis voor vogels is eveneens vergelijkbaar met de polder Westzaan. Er zijn echter ook duidelijke verschillen. Zo is de broeddichtheid van het Visdiefje in het Wormer- en Jisperveld aanzienlijk groter dan in Westzaan. Vermeldenswaard is verder nog de aanwezigheid van een grote soort loopkever, die gebonden is aan verlandingsvegetaties. Deze kever komt voor wat betreft de Zaanstreek alleen hier voor.

5.1.5. Krommenieërwoudpolder

Het buitengebied van deze polder beslaat ongeveer 560 hectare. Van dit oppervlak bestaat 15 % uit water. Dit gebied heeft merendeels grotere percelen. In deze polder is een rijke afwisseling aan vegetaties aan te treffen. Voor een deel van de polder is die te vergelijken met Westzaan, zij het dat de veenmosrietlandjes en de kruidenrijke rietlandjes minder ver ontwikkeld zijn. Veenheide ontbreekt. In het westelijk deel van de polder is de invloed van zoet water veel groter. Hier zien we zoetwaterindicatoren als Moerasratelaar en Gewone Wederik. Op een paar plaatsen in dit gebied hebben zich moerasbosjes ontwikkeld. Het zuidelijk deel van de polder is rijk aan weidevogels. Hun dichtheid is echter beslist lager dan in Westzaan als gevolg van de veel intensievere landbouw. Dit wordt ook weerspiegeld in de soortensamenstelling (minder kritische soorten). Riet/moerasvogels ontbreken in dit deel nagenoeg. Wel komen er in deze polder aanzienlijke hoeveelheden Goudplevieren voor. Zij bezoeken dit gebied terwijl zij op doortrek zijn vooral in de nazomer. Verwacht wordt dat de uitvoering van de ruilverkaveling Uitgeest de natuur (met name de weidevogelstand) in delen van deze polder negatief zal beinvloeden.

5.2. Het slagenlandschap

5.2.1. Assendelver polder

Dit gebied beslaat ongeveer 2100 hectare. Het wateroppervlak is 3%. De polder bestaat uit verschillende deelgebieden die soms ook hun eigen karakter hebben als de Zuiderpolder en Noorderpolder met het Noorderveen. In de polder is halverwege de jaren '70 een ruilverkaveling uitgevoerd, waardoor het agrarisch gebruik sterk is geïntensiveerd. De natuurwaarden zijn hierdoor ongetwijfeld teruggelopen. De omvang van de afname is echter moeilijk aan te geven. Op dit moment bestaat de polder grotendeels uit grasland-vegetaties met soorten die horen bij een intensief agrarisch gebruik. Hoewel de dijken en wegbermen in intensieve landbouwgebieden vaak nog botanisch interessant kunnen zijn, is dat hier niet het geval. De dijken en wegbermen worden hier namelijk in de winter regelmatig bemest. Dit gebeurt als het land te drassig is om de mest op het land te kunnen uitrijden.

Vergelijking van het aantal broedparen per 100 hectare (uit Zaanse vogels, Vogelbeschermingswacht Zaanstreek, 1983)

Guisveld Assendelver polder
Grutto 25-50 10-25
Scholekster 10-25 5-10
Slobeend 10-25 1-5

In het gebied liggen nog enkele rietstroken met botanische waarden. Langs de Grote Braak, een inbraakplas, zijn tussen het riet nog zoutindicatoren, waaronder lepelblad te vinden. Bovendien bevindt zich daar ook nog een veenmosrietlandje. Andere in deze polder voorkomende rietlanden zijn van het type voedselrijk rietland. De ornithologische waarde is hier veel lager dan van de waterrijke slagenlandschappen. Toch broeden er nog redelijke aantallen vogels. Opvallend is overigens dat de Zuiderpolder net iets vogelrijker is dan de Noorderpolder. Een deelgebied met een heel ander karakter is het Noorderveen. In een deel hiervan heeft vervening plaatsgevonden. De zo ontstane gaten zijn weer grotendeels dichtgegroeid. We zien in dit gebied alle fasen van de verlanding. Doordat het water er iets minder zout is dan in Westzaan is de vegetatie er ook afwijkend. We zien hier planten van het moerasvaren-rietgezelschap. Ook het moerasspirea-gezelschap is hier vertegenwoordigd. Bij de hier plaatsvindende verlanding is er een grote neiging tot moerasbosvorming. Dit verloopt hier sneller vanwege het lagere zoutgehalte. Op de hier ontwikkelde schrale hooilanden zijn Veenpluis en de Harlekijnorchis in voldoende mate te vinden. De Zwarte bes (kenmerkende soort voor elzenbroekbosjes) heeft hier zijn enige vindplaats in de Zaanstreek. De vogelbevolking bestaat hier voornamelijk uit riet-/moerasvogels. Door de broekbosvorming vinden we hier ook enkele broedplaatsen van Ransuilen.

5.3. Droogmakerijen

5.3.1. Wijde Wormer

Deze droogmakerij uit de 17e eeuw is 1500 hectare groot, waarvan 4 % water. Het gebied bestaat grotendeels uit goed ontwaterd grasland op klei dat intensief gebruikt wordt. Vegetatiekundig gezien zijn alleen de dijkbermen en de slootkanten interessant. Op de dijken zien we vegetaties die kenmerkend zijn voor schrale grasland-vegetaties. Omdat de draagkracht van de bodem in deze polder groter is dan in de veengebieden hoeven de boeren hier hun mest niet op de dijkbermen uit te rijden. Het water is hier vrij brak. Daardoor zijn ook de slootoevervegetaties interessant (zoutindicatoren).

Ornithologisch lijkt dit gebied op het eerste gezicht niet interessant. Weliswaar ontbreken de weidevogels er niet volledig, maar hun dichtheid is betrekkelijk laag (van de Grutto, Scholekster en Kievit broeden er zo'n 5-10 paren per 100 hectare). Daarnaast wordt dit gebied als fourageergebied gebruikt door weidevogels uit nabijgelegen gebieden. Door de brede watergangen is de Wijde Wormer echter wel interessant voor diverse watervogels en als fourageergebied voor de Lepelaar. In de winter wordt het gebied veel bezocht door Goudplevieren en Smienten. Vermeldenswaard is nog dat de uitgetrapte slootoevers door Kluten worden gebruikt als nestplek.

5.3.2. Enge Wormer

De omvang van deze polder is ongeveer 170 hectare. Hiervan is 4 % water. Ook deze polder is halverwege de 17e eeuw drooggelegd. De natuurwaarden van dit gebied zijn vergelijkbaar met die van de Wijde Wormer. Er zijn wel wat accentverschillen. In het hele gebied kunnen er beheersovereenkomsten afgesloten worden, dit zijn overeenkomsten tussen een boer en het rijk, waarbij boeren een vergoeding krijgen voor het beheer van natuurwaarden. Met name de weidevogel profiteert hiervan. De polder is in mindere mate interessant als fourageergebied voor de lepelaar en smienten. Voor de goudplevier is hij echter weer relatief belangrijker; deze vogelsoort wordt hier vaak 's winters waargenomen.

5.3.3. Schaalsmeerpolder

Deze polder is eveneens in de 17e eeuw drooggevallen. Hij beslaat 75 hectare, waarvan 10 % water. Het zoutgehalte van het water is hier het hoogst in de Zaanstreek. Daarom komen hier zoutminnende soorten in hoge dichtheden voor. De weidevogelstand is hier ook goed ontwikkeld. Weliswaar zijn de dichtheden minder hoog dan in Westzaan, maar de soortenrijkdom is vergelijkbaar. Ook hier zien we de meest kritische soort: de Kemphaan.

5.3.4. Assendelverveenpolder

Dit is een jonge droogmakerij. Het gebied is in 1845 drooggelegd. De oppervlakte van het buitengebied is 325 hectare, waarvan 6 % uit water bestaat. Opvallend zijn hier de lange smalle kavels. Het gebied is als grasland intensief in gebruik. Botanisch is het dan ook nauwelijks interessant. Wel zijn er broedende weidevogels (in lage dichtheden) te vinden. Daarnaast is het een fourageergebied voor vogels uit Westzaan.

5.3.5. Twiskepolder

Dit is een recreatiegebied dat als zodanig in de jaren '70 en '80 is aangelegd in een wildernis. Deze wildernis was ontstaan uit een slechts gedeeltelijk uitgevoerde ontginning in de jaren '30. Het gebied is 660 hectare groot. Hiervan bestaat 30 % uit water, waaronder een grote plas. Bij de aanleg als recreatiegebied is er veel zand opgebracht. Daardoor komen er naast de voor de Zaanstreek karakteristieke planten ook soorten voor die thuishoren in de duinen of in het rivierengebied als duindoorn en St. Jacobskruid. Het gebied is ingericht met rietlanden en ruigten, schrale graslandjes en ligweiden. De rietlanden zijn voedselrijk door het opbrengen van grond. Ze hebben de neiging snel dicht te groeien met bomen en struiken. De graslanden, niet als ligweide bestemd, zijn voedselarm en soortenrijk. Ditzelfde geldt voor de wegbermen. De slootoevers herbergen geen zoutindicatoren. Het water is hier namelijk zoet. De vogelbevolking bestaat uit diverse soorten riet-/moerasvogels en watervogels. Met name voor deze laatste groep vervult het gebied een belangrijke functie. In de winter zijn er in de plas vele duizenden watervogels te vinden.

5.3.6. IJpolders

Deze kleipolders langs het Noordzeekanaal zijn in de tweede helft van de 19e eeuw drooggelegd. Het zijn vier delen, die samen zo'n 500 hectare beslaan. De Rothoek is een zandwingebied. De Nauernasche polder is bestemd voor vuilstort. De Zaandammerpolder en de Westzanerpolder worden intensief als bouwland gebruikt, of zijn in gebruik als industriegebied. Soms worden er in deze polders (met name de Westzanerpolder) in de winter aanzienlijke aantallen watervogels gezien. Deze komen dan uit het Noordzeekanaal. De waarde voor weidevogels is gering, maar niet nihil. Juist de kluut broedt in grote dichtheden, de grootste van de Zaanstreek, in deze twee polders. De langs de zandzuigplas van de Rothoek gelegen rietkraag had een functie als broedgebied voor rietvogels. Door verhoging van de waterstand is de kraag verdwenen. De natuurwaarde van deze polder is hierdoor geringer geworden, met als uitzondering de betekenis voor overwinterende vogels.

5.4. Stedelijke gebieden

Het stedelijk gebied bestaat uit het bewoonde gebied en de parken die deel uitmaken van de stedelijke structuur. In enkele gevallen hebben deze gebieden zeer karakteristieke natuurwaarden. Andere zijn beslist minder karakteristiek. Door hun inrichting en beheer lijken deze op parken, of groenstroken elders in Nederland, of zelfs in Noordwest-Europa. De natuurwaarde van dit soort gebieden wordt door het algemene voorkomen minder gewaardeerd. Onderstaand volgt een korte behandeling van alle groengebieden in en om Zaanstad.

5.4.1. Happébos bij Assendelft

Dit nog jonge bos/park is een recreatiegebied met coulissen-achtige aankleding. Het is ontstaan bij de ruilverkaveling Assendelft, waarbij de slechtste gronden uit landbouwkundige productie werd genomen ten behoeve van de openluchtrecreatie. Over de natuurwaarden is verder niets bekend.

5.4.2. Burgemeester J. in 't Veldpark in Zaandam

Dit park is in de jaren '50 aangelegd op een baggerdepot. Het gebied is in tweeën verdeeld door een diagonaal lopend bos. Het zuidelijke deel heeft een actief-recreatieve functie met speel- en sportweiden. Het andere deel heeft een rustiger karakter. In dit deel ligt ook de heemtuin, ontstaan toen bij het opspuiten van het gebied de damwand brak. Op die plaats is een grote hoeveelheid slib de Gouw ingespoeld en is er bovendien een spoelgat ontstaan. Deze situatie bleek zich uitstekend te lenen voor een tuin met karakteristieke Zaanse plantensoorten.

5.4.3. Het Agathepark in Krommenie

Met de aanleg van dit park is in 1929 begonnen als werkverschaffingsproject. Het heeft een ruime opzet, met gazons en flinke borders met bloemrijke heesters (ook aantrekkelijk voor vlinders) en is gelegen rond een natuurlijke waterpartij: de Vlieland. Het park heeft gedeeltelijk een wandelfunctie en een speel- en sportweide voor de actieve recreatie.

5.4.4. Het Vijfhoekpark in Zaandam

Dit park is gesitueerd rond een inbraakmeer, de Beunderbraak. Het is in twee delen aangelegd nadat het eerst als baggerstort had gediend. Het ene deel is aangelegd in l959-'60. Het tweede deel rond 1965. Bij de aanleg is geprobeerd verschillende gebieden in het park te creëren door gebruik te maken van verschillend boommateriaal. Door de natte bodem zijn echter veel bomen gestorven en vervangen door voorhanden zijnd materiaal. Het accentenverschil is hierdoor genivelleerd. Hoewel er aanzetten te zien waren van natuurlijke vegetatievorming en natuurlijke verjonging werd dit onderdrukt door enerzijds de dichte begroeiing en anderzijds het beheer. Door het beheer om te vormen wilde men de natuurlijke ontwikkeling meer kansen bieden. Met het onttrekken en laten afsterven van bomen en de introductie van grazend vee (Schotse hooglanders) hoopt men dat er een grote natuurlijke variatie gaat ontstaan. Bovendien moet hierdoor ook een grotere variatie in de vogel- en insectenstand gaan optreden.

5.4.5. Het Jagersveld

Dit gebied is ontstaan doordat er zand werd weggezogen voor de wegen- en woningbouw. Naast een aantrekkelijk gebied met specifieke recreatievoorzieningen is een aanzienlijk deel ingericht voor een combinatie van natuurontwikkeling en wandelen. In deze delen bevinden zich veenmos- en moerasvarenrietlandjes, maar ook overjarig rietland, verlandende sloten en ruigtekruidenvegetaties. Bij de aanplant van bosschages is er vooral gebruik gemaakt van soorten uit het berkenbroek- en elzenbroekgezelschap.

5.4.6. Rosariumpark te Krommenie, Darwinpark in Zaandam, Wilhelminapark in Wormerveer

Deze parken vormen buffergebieden tussen na-oorlogse wijken. De beplanting is weinig specifiek. Met het ouder worden van deze parken vindt er wel een verschuiving in de vogelsamenstelling plaats. De fitis neemt in aantal af, de specht en wielewaal nemen in aantal toe.

5.4.7. Begraafplaatsen

Deze rustige gebieden kunnen een belangrijke functie hebben voor diverse vogels. Op de begraafplaats in Wormerveer broeden honderden Blauwe Reigers. Vooral echter voor bosvogels zijn de begraafplaatsen interessant. Zo zijn er op de Algemene Begraafplaats te Zaandam goudhaantjes, grauwe vliegenvangers, vinken, staartmezen, holenduiven en boomvalken et cetera aangetroffen.

5.4.8. De schokgordel rond Eurometaal

Deze aangeplante bosstrook heeft als functie het opvangen van de schok bij eventuele explosies op het fabrieksterrein. Het bos is geheel verwilderd en heeft een rijke kruidenlaag. Er nestelt een flink aantal verschillende vogels: spechten, uilen, duiven, enz.. Het bijzonder van dit bos is echter de aanwezige reigerkolonie. Deze kolonie is de grootste in Nederland boven het Noordzeekanaal. Jaarlijks broeden er honderden blauwe reigers.

5.4.9. Overig stedelijk gebied

Het bebouwde gebied bezit ook nog heel wat soorten planten en dieren, die zich op natuurlijke wijze ontwikkelen. De groenstrookjes en tuinen staan weliswaar vol met door de mens gekweekte en geplante heesters, bomen en planten, maar hier tussen en ook in overhoekjes en tussen straattegels groeien nog diverse kruiden. Dit zijn echter wel zeer algemeen voorkomende kruiden, in de volksmond onkruid genoemd. De stedelijke beplanting biedt samen met hoekjes, gaatjes en holletjes in bouwwerken nog een schat aan voedsel en ruimte voor nestplaatsen voor diverse diertjes. Zo broeden er in de bebouwde omgeving van de Zaanstreek honderden Gierzwaluwen, Houtduiven, Winterkoninkjes en Koolmeesjes. Het aantal hier broedende Merels, Spreeuwen en Huismussen loopt in de duizenden. Over aantallen en soorten insecten, spinnen enzovoort (zie bij 4.5.) is nog te weinig bekend. Dat zij niet ontbreken behoeft hier niet te worden betoogd. Kortom de natuurfunctie van de stad is niet te verwaarlozen. Het ontbreken van alle vertrouwde vogels zou heel vreemd zijn. Uniek in z'n voorkomen is de natuur in het stedelijk gebied van Zaanstad echter niet, in tegenstelling tot die van de gehele Zaanstreek.

6. Beheer

Het beheer van een gebied omvat alle werkzaamheden, gericht op het in stand houden van de verkregen gebiedsfunctie. In het verleden was het beheer puur gericht op de economische functie van de streek. Het buitengebied was volledig in landbouwkundig beheer. Het principe van dit beheerssysteem is al in het eerste hoofdstuk aangegeven: de percelen dicht bij huis werden relatief intensief gebruikt, de verder weg gelegen percelen minder. Het sloot- en rietbeheer zijn afgeleid van het landbouwkundig beheer. Het slootbeheer is een door het waterschap aan de boer opgelegde verplichting. De sloten dienen jaarlijks 'geschouwd', dat wil zeggen leeggehaald te worden om de waterafvoerende functie te behouden. Bij het schouwen wordt de bagger op het land gebracht.

Reservaten in de Zaanstreek.
gebied opp. beherende instantie doel
Guisveld 250 ha. Staatsbosbeheer meervoudig
Oostzanerveld 250 ha. Staatsbosbeheer nadruk op weidevogels
Kalverpolder 65 ha. Staatsbosbeheer meervoudig
Krommenieër woudp. 80 ha. Staatsbosbeheer nadruk op weidevogels oveminteraars
Wormer Jisperveld 550 ha. Natuurmonumenten nadruk op weidevogels en enkele botanische percelen
Schaalsmeer 75 ha. Natuurmonumenten meervoudig
Reef 110 ha. Ned. Ver. tot Bescherming v Vogels meervoudig

Vroeger had dit ook een bemestende functie. Na de schouw biedt de slootoever met de natte, enigszins zoute bagger een goede groeiplaats voor zout verdragende planten. Het riet werd regelmatig gemaaid. De kleine rietstroken werden in de winter door de boer zelf gemaaid, of gesneden. Het werd als strooisellaag in de stallen gebruikt. Het hoge stevige riet kon tevens als dakbedekking dienst doen. De grote rietvelden werden door rietsnijders geoogst. Zij verkochten het als dakbedekkings-, of als bodembedekkingsmateriaal voor de bollenteelt. Het landbouwkundig beheer had een enorme natuurlijke rijkdom als onbedoeld neveneffect tot gevolg.

Door de noodzakelijk geachte productieverhoging werd het beheer daar waar mogelijk geïntensiveerd. Bedrijven die niet mee konden komen verdwenen. De landbouwkundig minst interessante percelen werden verwaarloosd, of verkocht; de tijd ontbrak om die nog te bewerken of het loonde gewoon niet de moeite. Ook het rietbeheer veranderde. De bollenkwekers gebruikten geen riet meer als bodembedekker, als materiaal in de stal raakte het in onbruik en als dakbedekking kwam het goedkoop uit Oost-Europa. De natuur kwam door deze veranderingen onder druk te staan. De intensivering betekende vaak een verlaging van de waterstand, meer koeien per hectare en ook meer mest en bewerkingen. De flora veranderde hierdoor naar soorten die kenmerkend waren voor een grotere voedselrijkdom. Ze werd hierdoor soortenarmer.

Ook de weidevogels kregen het moeilijk. De hogere vee-dichtheid leidde tot meer kans op vertrapping. Het vaker en vroeger maaien betekende dat de jonge vogels niet in staat waren te vluchten en dus massaal omkwamen. Verlaging van de waterstand hield ook in dat de weilanden in de winter niet meer onder water kwamen te staan. Dit was ongunstig voor overwinteraars die juist op deze plasdrasse weilanden fourageerden. De landbouwkundig minst interessante percelen waren in veel gevallen de botanisch waardevolle schrale hooilandjes. Verwaarlozing betekende verruiging. In eerste instantie ging hierdoor de botanische betekenis achteruit. Verkoop van deze landjes aan particulieren en recreanten leidde ook tot verstoring van de natuur. Behalve achteruitgang van de flora betekende dit ook een achteruitgang van de weidevogels. Op de schrale hooilandjes broeden juist de kritische soorten zoals de kemphaan. Met het verdwijnen van de hooilandjes verdwijnen deze vogels ook van de nabijgelegen percelen, aangezien weidevogels opgaande begroeiing mijden, omdat zich daarin vogels kunnen verschuilen die het op de eieren en jongen gemunt hebben.

De veranderingen in het landbouwkundig beheer als gevolg van de intensivering hebben ertoe geleid dat er in de jaren '60 en '70 een behoefte aan een ander, niet puur economisch gericht beheer ontstond, aan natuurbeheer. In 1975 verscheen de zogeheten relatienota. Volgens deze nota diende het natuurbeheer zeker niet in alle gevallen in de plaats te komen van het landbouwkundig beheer, maar kon het veelal naast elkaar bestaan. De boeren dienden dan wel een vergoeding te krijgen voor het door hen uit te voeren natuurbeheer: de zogenaamde beheersvergoeding. Zie ook: Boerenbedrijf. Deze beheersvergoeding is een vrijwillig aan te gane overeenkomst tussen een individuele boer en het rijk, waarbij de boer zich voor een periode van zes jaar verplicht om een bepaald natuurbeheer op zijn land te voeren. Bij het uit te voeren natuurbeheer kan de boer vaak nog kiezen uit een aantal, van licht tot zwaar variërende, pakketten.

Verklarende woordenlijst (B. Korf, 1977):
  • biotoop
    leefomgeving van in het wild levende organismen.
  • botanie
    plantkunde
  • ecologie
    wetenschap die de relaties tussen organismen onderling en met hun milieu bestudeert
  • ecosysteem
    geheel van organismen en hun milieu met hun onderlinge relaties
  • eutrofiëring
    toename van voedselrijkdom
  • Fauna
    geheel van alle diersoorten in een gebied
  • Flora
    geheel van alle planten in een gebied
  • levensgemeenschap
    samenhangend van geheel van planten en dieren
  • macrofauna
    geheel van diersoorten die met het blote oog zichtbaar zijn
  • microfauna
    geheel van diersoorten die niet met het blote nog zichtbaar zijn
  • milieu
    geheel van omgevingsfactoren waarin planten, dieren en de mens leven
  • onderbemaling
    het handhaven van een lagere waterstand dan het polderpeil door bemaling
  • populatie
    een bepaalde territoriaai omgrensde groep van een soort
  • successie
    opeenvolging van plantengezelschappen
  • vegetatie
    de ruimtelijke massa van plantenindividuen
  • verruiging
    verandering van vegetatie naar een grovere structuur

In deze pakketten zijn bepalingen opgenomen als het handhaven van de waterstand, de hoeveelheid op te brengen mest, het achterwege laten van rollen, slepen en maaien tussen bepaalde data in het broedseizoen. Voor het natuurbeheer ontvangt de boer een vergoeding die in principe gelijk moet zijn aan de gemaakte kosten inclusief inkomstenderving door lagere opbrengst. Afhankelijk van de zwaarte van het pakket kan deze vergoeding variëren van enkele honderden euro's tot meer dan 1000 euro's per jaar per hectare. Overigens kan niet overal een beheersovereenkomst worden afgesloten. Dat kan alleen in de daartoe aangewezen beheersgebieden. In de Zaanstreek zijn vrij veel van die gebieden aangewezen, namelijk delen van de polder Westzaan, de Oostzanerpolder, het Wormer- en Jisperveld, de Enge Wormer en de Kalverpolder.

Volgens de relatienota zal niet in alle gevallen een beheersovereenkomst kunnen leiden tot het uit natuuroogpunt gewenste beheer in een gebied. In dat geval wordt het gebied als reservaat aangewezen en wordt het op termijn door natuurbeschermingsorganisaties in eigendom en beheer genomen. Bij dit beheer worden in een aantal gevallen nog wel boeren betrokken. Bij het beheer van natuurterrein als reservaat is het niet altijd mogelijk om het oude landbouwkundige beheer voort te zetten. Dit is soms te bewerkelijk en te duur, of ongewenst in verband met de beoogde natuurlijke ontwikkeling. Reservaatbeheerders maken een beheersplan voor het reservaat. Hierin staat de gewenste natuur, alsook het gewenste beheer om die natuur in stand te houden, dan wel te creëren.

Er zijn drie typen van natuurbeheer te onderscheiden: het botanisch beheer, het ornithologisch beheer en een mengvorm. Binnen deze typen kunnen er nog accentverschillen optreden, bijvoorbeeld bij het ornithologisch beheer de nadruk op ofwel weidevogels of rietvogels en voor beide gevallen de keuze van soorten. Zoals hiervoor al aangegeven kan het beheer twee richtingen op. Richt men zich op het behoud van een situatie, of op het ontwikkelen van een nieuwe. Een voorbeeld van dit laatste is het verschralen van een perceel door het afvoeren van het hooi ten behoeve van veenheidevorming. De beheersvorm waarvoor gekozen wordt kan betrekking hebben op een perceel of op een heel reservaat. De praktijk is meestal dat men binnen een reservaat toch wel bepaalde accenten legt. Dit wordt mede door de uitgangssituatie bepaald.

6.1. Vrijwillig landschapsbeheer

In de jaren '70 was het rijksbeleid met betrekking tot natuurbeheer nog niet zover uitgewerkt dat het op grote schaal ingang vond in de Zaanstreek. Aan de andere kant vond een sterke verwaarlozing van gebieden plaats. Om het gebrek aan beheer op te vangen ontstonden er verschillende groepen vrijwilligers. Ook de gemeente Zaanstad sprong bij. Zij stelde materiaal en enige arbeidskracht beschikbaar en stelde een rietmaai-vergoeding in. Deze vergoeding is ingetrokken op het moment dat de beheersvergoedingen in de streek afgesloten werden. Het vrijwillig landschapsbeheer vindt nog steeds plaats. Het werk bestaat uit het verwijderen van opslag, bomen en struiken, het maaien en afvoeren van riet of hooi of het harken van veenmos om verschraling te bereiken, het maaien van rietkragen, het schonen van sloten of het neerhalen van illegale bouwsels. Ook het plaatsen van nestbeschermers, die voorkomen dat nesten vertrapt of kapotgereden worden, kan tot het werk behoren. In de Zaanstreek zijn (waren) de volgende vrijwillige beheersactiviteiten:

- In het Guisveld was er in eerste instantie een groep van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN) actief. In dit gebied had de verwaarlozing een grote omvang gekregen, voornamelijk als gevolg van de planologische onzekerheid. Later werd de werkgroep Beheer Guisveld opgericht, die aanvankelijk in de weekeinden maar later ook doordeweeks werkzaamheden verrichtte.

- Onder leiding van het Kontakt Milieubeheer Zaanstreek (KMZ) is er regelmatig in de Kalverpolder gewerkt.

- Een recent initiatief is de Ecologische beheerswerkgroep de Poelboerderij. Deze groep werkt door de hele Zaanstreek.

Los van de hier genoemde groepen wordt er nog geregeld gewerkt door groepen van het Instituut voor Natuur- en Milieu-educatie (IVN), dat kampen organiseert. Daarnaast werken er ook vrijwilligers bij natuurbeschermingsorganisaties. Aan al deze vrijwilligersgroepen wordt ondersteuning verleend door de gemeente en door het Vrijwillig Natuur en Landschapsbeheer Noord-Holland (VNLB). Het beheer door boeren, vrijwilligers en natuurbeschermers is gericht op het behoud van een zo groot mogelijke natuurlijke rijkdom. Weliswaar hangt er voor het behoud veel af van het beheer; echter ook wanneer gebieden zeker gesteld worden en goed beheerd, dan nog kan de natuur bedreigd worden door een vervuild milieu. Als de vervuiling van lucht, bodem en water op het huidige niveau door blijft gaan zal de natuurlijke rijkdom van de Zaanstreek (en overige gebieden) de komende decennia sterk teruglopen.

R.T.F. Gerrits

Literatuur
  • B. Korf, Biologische betekenis van het buitengebied van Zaanstad, Zaanstad l977;
  • Zaanse vogels, Vogelbeschermingswacht Zaanstreek, 1983;
  • Watervogels in de Zaanstreek, idem 1986;
  • Inventarisatierapport herinrichting Westzaan, NMF 1988;
  • Beheersplan Guisveld, SBB N-H 1986;
  • De Grutter, themanummer Guisveld, Vogelbeschermingswacht Zaanstreek, 1986;
  • J.J. Schilstra e.a., De polder Oostzaan, 1979.

De auteur dankt de volgende personen voor het verlenen van medewerking: de heren J. Heyink, R. Leguyt, R. van 't Veer en mevrouw L. Snuif-Verwey. Daarnaast de Provinciale Milieufederatie CMN voor het beschikbaar stellen van faciliteiten en literatuur.