Spaanse tijd

Lokale aanduiding voor de jaren 1572 tot en met 1576, de tijd waarin de Zaanstreek gedeeltelijk door troepen in Spaanse dienst bezet was. Feitelijk is het een foutieve naamgeving van de eerste jaren van de opstand in de Nederlanden tegen de toenmalige vorst, Filips II. De meest gebruikelijke aanduiding van deze tijd, die van 1566 ten tijde van de Beeldenstorm tot 1648, de Vrede van Munster loopt, is de Tachtigjarige Oorlog. Volgens meer moderne opvattingen wordt niet van 1566 of 1568, na de eerste invallen van Oranje uitgegaan, maar wordt 1559, na het vertrek van Filips II uit de Nederlanden, als uitgangspunt genomen.

De Tachtigjarige Oorlog is vanuit vele invalshoeken beschreven. Sommigen wilden het als een religieus conflict tussen het protestantisme en het katholicisme zien, anderen als een economisch geschil over de weerstand tegen de door Alva geheven penningen. Weer anderen beschreven het als een politieke oorlog van Oranje tegen Habsburg. De oudste Zaanse geschiedschrijvers, zoals Hendrick Soeteboom en Jacob Honig plaatsten de troubels vooral in het religieuze kader. Naar huidig inzicht was er sprake van een samensmelting van deze factoren.

Voor de Zaanstreek zijn de jaren 1566-1576 van belang: met andere woorden, de periode vanaf de aankomst van Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva (1507-1582) tot en met de dood van zijn opvolger, Don Luis de Requesens y Zuniga (1528-1576) en de Pacificatie van Gent in 1576. Na het vertrek van Filips II in 1559 werd het steeds onrustiger in de Nederlanden. De Habsburgse oorlog tegen Frankrijk was mede de oorzaak van het staatsbankroet tijdens zijn bewind. Met name de Zuid-Nederlandse financiers werden in dit faillissement meegezogen. Daarnaast stonden sommigen kritisch tegenover de aanstelling van een aantal nieuwe bestuurders zoals Margaretha van Panna als landvoogdes en werden vraagtekens gezet bij zijn godsdienstige politiek. Ook in de Zaanstreek gistte het op religieus gebied, hetgeen geïllustreerd wordt door de overgang van Bartel Jacobsz naar het protestants geloof. Een vierde element was het gevaar van achtergebleven Spaanse troepen: gezien de slechte financiële situatie van de vorst was het niet ondenkbaar dat, bij uitblijven van soldij, deze troepen konden gaan muiten.

Niettemin verkoos Filips de Nederlanden op het tweede plan te houden; hij had nooit verwacht dat daar een opstand tegen hem, de rechtmatige, natuur1ijke vorst zou kunnen ontstaan. Als eerste organiseerde de hoge adel zich daadwerkelijk in het verzet. Dit verzet concentreerde zich op Antoine Perrenot, heer van Granvelle, feitelijk Filips persoonlijke adviseur in de Nederlanden. Hij zou een slechte raadgever zijn, een buitenlander bovendien; hij trad te streng op tegen personen die zich vervreemd hadden van Rome. In 1564 werd Granvelle teruggeroepen, nadat alle hoge edelen, waaronder ook Willem van Nassau, prins van Oranje (1533-1584), weigerden de vergaderingen van de Raad van State te bezoeken. Verder kwamen zij niet, want Filips, gesterkt door militair succes tegen de Turken, verordonneerde strenge handhaving van de ketterplakkaten.

De lage adel was de volgende groepering die zich organiseerde. Jonge, calvinistische edelen kwamen tot het Compromis uit 1565, dat ook door rijke stedelingen ondertekend werd. Met dit Smeekschrift, waarin om matiging van de ketterplakkaten werd gevraagd, trok men naar Brussel om het de landvoogdes aan te bieden. Margaretha van Parma wachtte op orders uit Spanje en verzachtte tijdelijk de inquisitie. De burgerij sloot zich aan bij de lage adel. Men was ontstemd over de verdeling van de ambten in de steden, de handelsbeperkingen, zoals de tijdelijke stopzetting van de graaninvoer uit de Oostzeegebieden en wol uit Engeland en over de religieuze politiek. Onder de toehoorders van de eerste hagepreken, protestantse predikaties in de open lucht, bevonden zich vele burgers.

Op 10 augustus 1566 kreeg een van de hagepreken een onverwacht vervolg: burgers uit Steenvoorde (West-Vlaanderen) trokken naar het nabijgelegen Sint-Laurentiusklooster, waar men de beelden vernielde. Daarmee kwam een golf van vernietiging op gang, die zich ook uitbreidde over de Zaanstreek. In Westzaan, Wormer en Jisp werd het kerkinterieur onder handen genomen, terwijl dat van Oostzaandam, door tijdige verwijdering, gespaard bleef. Of dit steeds spontane uitbarstingen van volkswoede waren is de vraag; soms is er aan deelgenomen door betaalde beeldenstormers. Terwijl de Beeldenstorm nog in volle gang was, werd bestuurlijk het Accoord gesloten, een overeenkomst van de groep rond Oranje met Margaretha van Parma. Daarin werd gesteld dat met matigheid tegen de stormers opgetreden zou worden. Godsdienstvrijheid leek verworven.

Niets was echter minder waar, want de landvoogdes voelde zich niet aan het onder druk afgeperste verdrag gebonden. Door hard op te treden herstelde zij haar gezag. Oranje trok naar Duitsland. Filips II was zeer ontstemd over de gebeurtenissen in de Nederlanden. Alva drong aan op harde militaire actie. Hij kreeg zijn zin en trok, als bevelhebber van een militair politieleger in 1567 naar het noorden. Margaretha van Parma trad af, waardoor Alva landvoogd werd. Zijn slechte reputatie versterkte hij door de instelling van de Raad van Beroerten, de Bloedraad, Egmond en Hoorne werden gearresteerd en terechtgesteld. De penningen, 1% vermogensbelasting, 5% belasting bij verkoop van een onroerend goed en 10% omzetbelasting, leidden tot protesten. Er kwam een emigratiegolf naar Engeland en Duitsland, maar ook een migratie-beweging binnen de Nederlanden tot stand.

Vanaf 1568 probeerde Oranje herhaaldelijk de Nederlanden binnen te vallen. Daarbij werd hij slechts gesteund door aanvankelijk ongeordende troepen, de Watergeuzen. Deze Geuzen veroorzaakten een ommekeer toen zij op 1 april 1572 Den Briel innamen. Al snel werd deze permanente verovering gevolgd door de inname van Vlissingen, Enkhuizen en Dordrecht. Binnen anderhalve maand na de landing te Enkhuizen op 21 mei 1572 bevond het Noorderkwartier, Noord Holland boven het IJ, zich in Staatse handen. Amsterdam bleef Spaansgezind. Doordat Oranje niet het gehele gebied in zijn macht kreeg, kon Alva terugslaan. Mechelen, Zutphen en Naarden werden geplunderd en verwoest. Alleen Holland en Zeeland hielden stand. Ook Haarlem moest, na een beleg van zeven maanden, de strijd staken. Noord- en Zuid-Holland werden daarbij van elkaar gescheiden.

Bij Alkmaar begon de victorie. Inundatie van het land rondom belette Don Fadrique verder te trekken en in oktober 1573 leed Alva's vloot op de Zuiderzee een beslissende nederlaag. Het betekende de val van Alva en de komst van Requesens. Van diens gematigdheid bleek weinig, de strijd in Holland en Zeeland sleepte zich voort. Geldgebrek aan beide zijden belemmerde de krijgs-activiteiten. Muitende soldaten betekenden een bedreiging. Aalst, maar vooral Antwerpen moesten het ontgelden, de Spaanse Furie van 4-8 november 1576. Ook de economie van het welvarende zuidelijke deel van de Nederlanden stagneerde. Onder deze omstandigheden moest er een uitweg aan de onderhandelingstafel gevonden worden. Geheel onverwacht, op 4 maart 1576, stierf de landvoogd. De Raad van State, waarin gematigden de overhand hadden, nam de landvoogdij tijdelijk waar, maar wilde niet de Staten-Generaal bijeenroepen. Toen dit zonder vertegenwoordigers van Holland en Zeeland tegen de wil van Filips II toch gebeurde, werden onderhandelingen met Oranje begonnen.

Deze resulteerden in de Pacificatie van Gent. Met de ondertekening van de Unie van Utrecht op 23 januari 1579 werd al ten dele de basis gelegd voor uiteindelijke vrede. Er ontstond een langdurige status quo en pas met de Vrede van Munster kwam in 1648 de Tachtigjarige Oorlog definitief tot haar einde.

De literatuur over de Zaanstreek in de Spaanse Tijd is uitermate beperkt. Vrijwel alle schrijvers stoelden hun uitlatingen op Hendrick Soeteboom's 'De Nederlandsche beroerten en oorlogen omtrent het IJ en aan de Zaan' (om. Amsterdam 1750). Jacob Honig Jsz. Jr. ging uitgebreid in op de Zaanstreek in de jaren 1572-1576 via zijn Geschiedenis der Zaanlanden, Zaandijk 1849, maar vermeldde al: 'Op Soeteboom kan men niet onvoorwaardelijk vertrouwen, (…) zijn ingenomenheid met de Zaanlanden, doet hem menige onwaarschijnlijkheid als waar aannemen.' Op zijn beurt toonde Honig echter dezelfde ingenomenheid met wat hij 'de wakkere daden` van de inwoners noemde. Zijn beschrijving beperkte zich tot de opsomming van militaire schermutselingen. Het was in de tijd van Soeteboom en Honig traditie alleen de politiek dynastieke/militaire/staatkundige en de economische geschiedenis te behandelen. Het sociaal-culturele leven bleef onbesproken of kwam slechts aan bod als ondersteuning van hun betoog. Daardoor is vrijwel niets bekend over de jaren na 1576.

Dit alles neemt niet weg dat de boeken van Soeteboom en Honig feitelijke gegevens verschaffen over de Zaanstreek in de jaren 1572-76. Zonder deze bronnen zou de lokale geschiedenis alleen kunnen worden ontleend aan kronieken uit andere plaatsen.

De Zaanstreek in de Spaanse tijd

De Zaanstreek raakte bij de Opstand betrokken door de inval van Diederik van Sonoy op 21 mei 1572 te Enkhuizen. Omdat hem het gouverneurschap van geheel Noord-Holland boven het IJ was aangeboden, liet hij direct een regiment Duitsers onder overste Lazarus Muller naar Zaandam vertrekken. Dit werd echter snel naar Haarlem gestuurd, om bijstand te verlenen in het voorgenomen ontzet van die stad. Er werden nieuwe troepen Geuzen onder kapitein Wybe Sjoerdsz naar de Zaanstreek gezonden. Op eigen gezag trok Sjoerdsz zich echter op Alkmaar terug. Dit kwam hem duur te staan: hij werd overmeesterd en op bevel van Van Sonoy opgehangen. Deze terugtrekking van de Geuzen uit Zaandam bleef bij de Spaanse troepen in Amsterdam niet onopgemerkt: huurlingen onder de hoplieden Quickel en Van der Linden landden in de Achtersluispolder en trokken al plunderend over de Zuiddijk. Een deel van deze troepen werd teruggetrokken nadat er een verschansing op de Dam opgeworpen was. Er werden meer huurlingen gezonden, die onder meer aan de Westzijde huizen in brand staken. Het vuur verteerde 130 woningen, het huisraad werd in beslag genomen.

Bij dit alles moet niet worden gedacht aan gevechten tussen goed georganiseerde legers. De meeste soldaten konden die naam amper dragen. Het grootste deel van de in de Zaanstreek opererende troepen behoorde tot een niet-geregelde troepenmacht. De Spanjaarden hadden grote aantallen Duitsers gehuurd, maar ook Oranje bediende zich van Duitsers. Geld was van het grootste belang bij het op de been brengen en houden van een leger. Door het ontbreken daarvan trokken de aanvoerders er met hun troepenmacht op uit om ergens buit te behalen. Er ontstond een niet centraal geleide guerrilla, uitgeoefend door zowel Staatsen als Spanjaarden. Het belangrijkste doel ervan was de tegenstander zoveel mogelijk te dwarsbomen. De buit die daarbij gehaald werd, moest voor een deel afgestaan worden en kon voor een deel zelf worden behouden. Het meest gebruikelijk was het overvallen van een dorp om dat leeg te plunderen. Een andere manier was het ontvoeren van officieren of rijke inwoners, die na betaling van losgeld hun vrijheid herkregen.

Hoe men daarbij te werk ging wordt geïllustreerd door het verhaal van Fijtje, een rijke Assendelftse, die dicht bij de kerk woonde. Ondanks de Spaanse bezetting trok een aantal vrijbuiters het dorp binnen. Zij lichtten de vrouw van haar bed en ontvoerden haar ondanks spervuur naar Westzaan. Zij leverde een hoog losgeld op. Maar niet alleen Staatsen maakten van dit wapen gebruik: ook de vrijbuiter kapitein Claes Symonsz moest na zijn overmeestering worden vrijgekocht. Onder de vrijbuiters bevonden zich ettelijke van huis verdrevenen, die de wapens hadden opgenomen en door hun lokale kennis vaak met roeiboten ver in het vijandelijke gebied konden doordringen. Anderen waren als militair gerecruteerd. Allen opereerden herhaaldelijk in het gebied van de tegenstander. Officieren liepen daarbij minder gevaar dan manschappen; zij werden gespaard omdat zij losgeld konden opleveren. De bevelhebbers traden in het gebied waar zij verkeerden als heersers op. Zij waren met hun troepen een enorme last voor de bewoners. Zij eisten meestal het beste voedsel en schroomden niet waardevolle bezittingen op te eisen. Zij konden martelen en doden zonder ter verantwoording te worden geroepen.

Het was de verdienste van Van Sonoy dat hieraan grotendeels een eind kwam. Diederik van Sonoy is niet vaak in de Zaanstreek geweest, maar heeft wel zijn invloed doen gelden. Zo nam hij Gerrit Fransz. een van de eigenaars van het land waarop de Kalverschans was gebouwd, in bescherming. Op straffe van de dood moesten Fransz en zijn buren met rust gelaten worden. Om te illustreren dat hij het meende, liet Van Sonoy ter waarschuwing naast het huis van Fransz een galg oprichten.

De Zaanstreek was uitermate geschikt om door middel van schansen te worden verdedigd. Ondanks hun vaak tijdelijke karakter, ze werden soms in een paar uur opgeworpen, waren ze van belang in de strijd om Holland. Brandhaarden in deze strijd waren Haarlem, Leiden en Alkmaar. Ze werden opgeworpen op hoge en lage dijken. Van daaruit konden aanvallen ondernomen worden of kon achterliggend gebied worden beschermd. Met vrij geringe middelen kon dus een vrij groot gebied verdedigd worden. Dat dit mogelijk was, hing samen met de drassige, moerassige bodemgesteldheid. De Spaanse troepen maakten gebruik van paarden en geharnaste soldaten. De Zaanse bodem was daarvoor volstrekt ongeschikt. De vrijbuiters daarentegen hadden voordeel van de gegeven natuurlijke omstandigheden. Met een moderne term was er sprake van een moeilijk door een regulier leger te bevechten guerrilla.

Toch is dat door de Spanjaarden geprobeerd. Op 13 mei 1573 zette een Spaanse troepenmacht van 3000 man onder bevel van Chevreaux een aanval in op Zaanstreek-Waterland. Het grotere deel, 1600 man, trok op Purmerend aan en veroverde de schansen van Ilpendam en Purmerland. Een andere speerpunt was gericht op Wormer. Daartoe moesten de soldaten bij Wormerveer over de Zaan gezet worden. Dit bleef niet onopgemerkt. De vrijbuiters sloegen de Spanjaarden met een betrekkelijk kleine troepenmacht terug. De Spaanse vaartuigen werden door Staatse schuiten vanaf de Poel in Wormer bestookt en vervolgens door schuiten die van de Kalverschans kwamen, tot zinken gebracht. De resterende Spanjaarden vluchtten naar een schans die zij ter bescherming van de overtocht hadden opgeworpen, maar werden daaruit verjaagd door de hen achtervolgende vrijbuiters. De Spaanse soldaten werden gedood, verdronken of gaven zich over.

De volgende dag, Tweede Pinksterdag, liep ook de aanval op Purmerend vast. De officieren vluchtten, hun troepen achterlatend. Deze werden onder de voet gelopen. Van de 3000 Spanjaarden keerden 70 man te Amsterdam terug. De Zaanstreek dankt aan deze slag de viering van Pinksterdrie. Bij aanval of verdediging maakten de vrijbuiters of Staatsen dus vooral gebruik van het water, de vele sloten en plassen. Het is opmerkelijk dat zij juist bij vorst in de verdediging Werden gedrongen. De Spanjaarden boekten succes zodra het ijs voldoende sterk was. Zij gebruikten hun overmacht met behulp van sleden en schaatsen, terwijl de plaatselijke verdedigers vaak weinig meer konden doen dan bijten in het ijs te slaan. Een enkele maal vielen ook vrijbuiters over het ijs het Spaanse achterland aan.

In februari 1574 trokken vanuit Assendelft 400 tot 500 gewapende Spaanse manschappen over het ijs naar Krommeniedijk. Ondanks verwoede tegenstand werd de schans aldaar genomen, mede doordat ook vanuit Uitgeest 600 à 700 soldaten oprukten. De vrijbuiters vluchtten, waardoor ook Krommenie onder de voet gelopen kon worden. Door het ontsteken van een waarschuwingsbaken op de Krommenieër kerk ontstond brand, de kerk ging hierdoor verloren. Het dorp werd geplunderd. De Spanjaarden trokken vervolgens over het ijs naar Westzaan. Ook dit dorp werd geplunderd en gebrandschat. Niet alleen de Staatse troepen en vrijbuiters vluchtten in de richting van Hoorn, ook de bevolking sloeg grotendeels op de vlucht. Onder hen was Lambert Melisz. De kerk, die door vrijbuiters als uitkijkpost was gebruikt, ging in vlammen op. De stenen toren konden de Spanjaarden echter slechts beschadigen en niet verwoesten. De Spanjaarden hadden vrij spel en stootten via Zaandam door naar Oostzaan. Ook daar overleefde de kerk de overval niet. Alleen bij Wormerveer werden zij gekeerd, waardoor 't Kalf, Wormerveer, Wormer en Jisp voorlopig niet werden aangevallen. Binnen tien dagen trok echter een grote legermacht van 4000 man onder dekking van de mist, vanuit Westzaan, Assendelft en Zaandam op Wormerveer aan. Zij troffen de schans er onbemand aan. De Zaan werd overgestoken en via de Zandweg en buitenom werd Wormer aangevallen. Hier stuitte men op de eerste, felle tegenstand.

Een anekdote wil dat Wormer aan een actie van een weesjongen zijn wapen, het 'verbonden hoofd', te danken heeft. Gezegd wordt dat deze jongen een Spaanse bevelhebber het hoofd afsloeg en dit naar Van Sonoy bracht. Ondanks het verzet werd Wormer in drie uur bezet, waarna Jisp volgde. Beide dorpen werden gespaard voor verwoesting. Men heeft wel eens vermoed dat dit samenhing met de aanwezigheid van Amsterdams bezit van onroerend goed in deze dorpen. Door de inval van Lodewijk van Nassau in de Zuidelijke Nederlanden, maart 1574, werden alle troepen teruggetrokken, met uitzondering van de oorspronkelijke bezetting van Zaandam en Assendelft. Een van de weinige echt offensieve acties van Van Sonoy in de Zaanstreek vond plaats op 7 april 1575. Vooral om behaalde buit in veiligheid te kunnen brengen richtte de gouverneur zich op het Barndegat. De aanval lukte. maar werd niet verder ondersteund. Na 17 dagen werd de stelling opgegeven, waardoor de Spanjaarden een uitstekende uitvalsbasis voor aanvallen behielden.

Het was een van de laatste oorlogshandelingen in de streek, 13 of 14 oktober 1576 werd het Barndegat door muitende soldaten verlaten. Ook de bezetting van Zaandam en Assendelft werd, uit vrees te worden afgesneden, nog in hetzelfde jaar beëindigd.

Gevolgen voor de Zaanse economie

Gedurende de oorlogsjaren kwamen de agrarische activiteiten, de verwerking van grondstoffen en de handel voor een groot deel stil te liggen. Van de zes meelmolens die voor de bezetting in de streek stonden was in 1576 alleen nog de Jisper molen intact. Spoedig daarna werden alle molens weer opgebouwd. Als gevolg van de oorlog werden ook de weinige paarden die er waren, koeien en voedsel door zowel Spaansen als Staatsen gevorderd. Vele huizen werden verwoest. De grote economische bloei van de Zaanstreek moest echter nog volgen. Misschien is deze bloei in zekere zin in verband te brengen met de Spaanse tijd. Een reden voor deze veronderstelling is de uittocht van protestanten uit Vlaanderen. Toen het oorlogstoneel zich na 1576 had verplaatst, trokken dezen ook naar de Zaanstreek; hun komst kan worden gezien als een van de oorzaken van de opkomst van de Zaanstreek als economische macht.

Ook in de jaren 1572-'76 heeft een aantal Zaankanters van de oorlog geprofiteerd. Zo dreigde Van Sonoy in januari 1573 Oostzaan plat te branden en de burgers te vervolgen, omdat er nog steeds met het Spaansgezinde Amsterdam werd gehandeld. Ook inwoners van Westzaan ontvingen een waarschuwing omdat zij de troepen van Alva en Requesens proviandeerden. Deze waarschuwing werd september 1573 door de Staten van Holland en West-Friesland gegeven. De regenten van het dorp kregen de opdracht de handelaars brood te onthouden. Daarbij kwamen deze regenten in een moeilijk parket. Assendelft en Zaandam waren lange tijd Spaans, terwijl Westzaan zelf door vrijbuiters bezet was. De graaf van Bossu eiste in hetzelfde jaar 1573 dat de Westzaners de vrijbuiters uit hun dorp zouden zetten, op straffe van platbranden. De bestuurders zaten tussen twee vuren. Andere plaatsen vroegen de Spanjaarden een sauvegarde, een vrijwaring van aanvallen, tegen betaling. Deze werd eind 1575 aan Krommenie, Krommeniedijk, Oostzaan en Knollendam gegeven. Westzaan kreeg deze uiteindelijk ook, na betaling aan de Spaansen en de Staatsen in mei 1576.

Nasleep

Na het vertrek van de Spaanse troepen werden er Staatse eenheden in de Zaanstreek gelegerd. Door hun onoplettendheid ging de kerk in Oostzaandam, waar Bartel Jacobsz predikte, in vlammen op, samen met de huizen en de legertenten er omheen. De legering van de Staatsen bracht hoge kosten met zich mee. Pas nadat Amsterdam in 1578 de Staatse zijde koos, kwam daarin verlichting. De troepen konden daarna wegtrekken. Nog één maal nadien werden Zaankanters opgeroepen. Augustus 1586 moest een aantal mannen met materieel zich naar Arnhem begeven om te helpen bij de oprichting van de IJsseloorder Schans. Het is echter waarschijnlijk dat door afkoping aan deze verplichting geen gevolg is gegeven. Met het vertrek van de laatste troepen en het betalen van de laatste oorlogsheffingen was de invloed van de oorlog nagenoeg geheel verdwenen.

Ger Jan Onrust

Literatuur

  • H. Soeteboom, De Nederlandsche beroerten en oorlogen omtrent het IJe en aan de Zaan, Amsterdam 1750;
  • J. Honig Jsz. Jr.. Geschiedenis der Zaanlanden, Zaandijk 1849;
  • H. Roovers en P.H. Zijl, Onvoltooid verleden, Zaandijk 1980;
  • dr. M.A. Verkade. De opkomst van de Zaanstreek. Utrecht 1952;
  • S. Groenveld, H.L.Ph. Leeuwenberg, N.E.H.M. Mout en W.M. Zappey. De kogel door de kerk?. Zutphen 1983.