Stiers Wreedheid

Des stiers wreedheid, gepleegd aan meester en vrouw. Hoewel deze geschiedenis sommigen bekend zal wezen, willen we haar in 't kort verhalen, aan de hand van de heer Jacob Honig Jz. Jr., die haar vrij uitvoerig te boek heeft gesteld.

Beeld van de vrouw die door de stier op de horens wordt genomen. Foto Jan Lapère

Op de 29e augustus 1647 waren te West-Zaandam enige knapen bezig met het oplaten van vliegers. Zij bevonden zich op een stuk land achter de woning van Jacob Egh, in de wandeling Lange Egge genaamd. Hij was een zoon van Egbert Claesz Huygen en veehouder van beroep. In het land, waar de speelgrage jeugd zich vermaakte, liepen enige koeien, terwijl daar een stier met een stevig touw stond vastgebonden aan een paal. Dit dier, wat schrikachtig van natuur, werd onrustig, wist zich los te rukken en snelde naar de koeien.

De boer, die zich in het land bevond, begaf zich ogenblikkelijk naar zijn vee, met het doel de losgebroken stier te vangen en weer vast te zetten. Hij had een stokje in de hand, doch de stier toonde daarvoor niet het minste ontzag. In plaats van te wijken, wist hij de boer op de vlucht te drijven, die een in het land liggende bootshaak wist te grijpen. Daarmede gewapend, weerstond hij de woedende stier, die hij enige geweldige slagen op de kop wist toe te brengen, waardoor hem het bloed uit neus en bek sprong.

Nu week het dier verschrikt terug, achtervolgd door de boer, die hem al slaande verder voortdreef, doch plotseling keerde de stier zich om en zette op zijn vervolger toe. Dit ging zo snel en onverwacht, dat Eggeboer, bedacht op lijfsbehoud, met alle kracht zijn haak op de kop van het razend geworden dier deed neerdalen, doch helaas, zijn wapen brak en de stier, door niets weerhouden, viel hem aan, wierp hem neer met zijn horens en bracht hem met kop en lichaam zo vele stoten toe, dat hij onmachtig bleef liggen.

De vrouw, van uit haar woning het gevaar ziende, waarin haar man verkeerde, snelde hem met een stevige bootshaak gewapend ter hulp. Egge zag haar naderen en riep nog: Lieve wijf, wat wil je hier doen! Jij kunt mij niet helpen. Spoed u weg. Maar zij, 'in vurige liefde ontstoken' hield vol, trachtte de stier te verdrijven en haar man te bevrijden. Haar wanhopige pogingen bleven vruchteloos en eindelijk wierp de dolle stier zich op de weerloze vrouw. Hij nam haar op de horens, haar baarmoeder was daarbij opengereten als bij een keizersnede; in de lucht werd het kind Jacob geboren. Toen er hulp daagde van de buren, vonden zij de vrouw, die eerlang moeder zou worden, zwaar verwond, en, wonder boven wonder, omtrent een huislengte van haar verwijderd in een plas water een kindje, dat nog leefde.

Man, vrouw en kind werden ten spoedigste opgenomen en in huis gebracht, waar terstond twee heelmeesters en een vroedvrouw verschenen, om de vreselijk verwonde ouders en het zo wonderlijk geboren kind te verplegen. Bij de eerste mocht de kunst niet baten. Man en vrouw stierven kort na elkander. Hij een kloek en sterk man, zes-en-dertig uren na het ongeval; zij een zeer tere en schrale vrouw van aanzien, maar van een sterke en welgestelde natuur, vijf uren later.

Het kind echter, hoewel het ook de sporen droeg van geweld, bleef door naarstige voorzorg in leven. De 1e september werd het door ds. Bergius gedoopt met de naam zijns vaders Jacob. De Schout hield het jongsken ten doop en een grote menigte mensen woonde de plechtigheid bij. De 2e september lukte het door macht van volk op last en order van de magistraat en in hun bijwezen, niet zonder veel moeite de dolle stier om te brengen. Hij werd begraven ter plaatse waar het ongeval had plaats gehad, op dezelfde dag dat de slachtoffers van zijn woede ten grave werden gedragen. Zeven á achthonderd mensen volgden de lijkbaren naar de dodenakker. Het kind heeft zijn ouders niet lang overleefd. Het is de 23e mei van het volgende jaar gestorven en in het graf zijner ouders in de kerk bijgezet. Veler vurige hoop op behoud van dit wonderkind werd hierdoor teleurgesteld.

Verklaarbaar is het, dat des stiers wreedheid en de wonderlijke geboorte des kinds werd beschreven, berijmd en in prent gebracht. Onderscheidene uitgevers gaven geschriften en platen in 't licht. Onder één van die platen kon men o.a. lezen op de vader, die sprekende werd ingevoerd:

  • 't Ondankbre jukbeest dat ging weyden in mijn weyden,
  • Heeft mij berooft van het gebruyk van sin en moed,
  • Ja, ik vinde mij van vriend, van kinderen, van goed,
  • Van vrouw, en van haar ongeboren kind gescheyden.
  • Het kind liet men aldus spreken:
  • Mijn waschvat was een plas, de wryflap niet te zacht,
  • De Hemel was mijn dek, de voedster van het kooren
  • Mij diende voor ecu wieg, een zeedijk tot een spond.
  • Drie roeden vond men mij van Moeder afgescheyden
  • Op luyren, die men meet met roeden als de weyden,
  • Mijn Heyl en leven was mijn Moeders doot en wond.
  • Het vers op de stier sloot aldus:
  • Dies most, die sijnen Heer het leven had doen derven,
  • Deur koegel, bijl, haak, knods en water sterven.

Men ziet hieruit, dat het vrij wat moeite heeft gekost de dolle stier onschadelijk te maken. Het rijm toch is van Ds. Bergius aldaar, die met de bijzonderheden van 't ongeval geheel op de hoogte moet zijn geweest. Behalve op tal van prenten met berijmingen werd het aanmerkelijke en gedenkwaardige geval ook afgebeeld op Japans porcelein en Delfts aardewerk. Zelfs werd er een groot schilderstuk in olieverf vervaardigd, waarop men de gehele geschiedenis in onderdeden in memorie zag gesteld voor het nageslacht.

Dit schilderstuk, toegeschreven aan Willem Heijndricksz Tetroe van Oostzaandam, met historisch bijschrift kreeg een ereplaats in de kerk. Ter eeuwige geheugenis kon men lezen en de kerk zelf kreeg in de loop der tijden de naam van de Bullekerk. Bijna twee eeuwen lang werd het stuk daar aanschouwd door duizenden nieuwsgierige bezoekers, doch in 1835, nadat een ongelovig schrijver er de draak mee had gestoken, besloten heren kerkmeesters het stuk door oververven te vernietigen. De geringe kunstwaarde en het min kiese der voorstelling, gevoegd bij de gedurige stoornis van de godsdienstoefeningen door de vele bezoeken van vreemdelingen leidde de heren tot dit besluit. Een niet onbelangrijke bron van inkomsten ging daardoor voor de kerk verloren, die groter vermaardheid had gekregen en meer bezoekers trok, dan het bekende Czaar Peterhuisje terzelfder plaatse.

In 1869 liet de heer Jacob Honig een krachtig protest horen tegen de verdwijning en tevens een krachtig pleidooi voor de wederverschijning en nog in hetzelfde jaar zag hij zijn pogingen met het gewenste succes bekroond. De heren kerkmeesters zagen de dwaling in en de koster gelukte het de verflaag te verwijderen, die het oude schilderwerk zoveel jaren aan het oog had onttrokken. De voorstelling heeft weinig geleden van de bewerking en thans kan men de droeve en wondere historie weer aanschouwen in al haar spannende momenten, tijdens en na het ongeval.

Voor de taferelen is een gordijn gehangen, waardoor men ze aan het oog kan onttrekken, wat tijdens de godsdienstoefeningen in de kerk geschiedt, zodat ze niemand aanstoot behoeven te geven. Merkwaardig is nog te vermelden, dat de beide horens van de dolle stier destijds in bezit zijn gekomen van de wederzijdse families van het omgekomen echtpaar, één aan de zijde van de man en één aan die van de vrouw, en dat de eerste, 'tot een drinkbeker gefatsoeneerd', nog berust bij een weduwe te Zaandam, wier moeder stamde uit het geslacht van de man. Deze beker was steeds van vader op kind overgegaan. De familie van de vrouw is niet bekend en de tweede horen dus allicht verdwenen. Dus schreef de heer Honig nu enige jaren geleden.

Bron: oa Hepkema's Courant 3 augustus 1907

Gezondheidszorg 1.5.1.

De gevolgen van wat als Stiers Wreedheyd bekend bleef: boer Egh ligt op de grond, zijn vrouw wordt door de chirurgijn behandeld. Naar een prent uit het jaar 1647.