Tweede Wereldoorlog

De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog voor de Zaanstreek en haar inwoners kunnen niet los worden gezien van wat toen elders gebeurde. Bezetting, verlies van vrijheid, armoede, deportaties, spoorwegstaking, honger, verzet en executies, de Zaanstreek kreeg er haar deel van.

Voor de samenhang eerst algemene overzichten, een internationaal en een nationaal.

1. Internationaal

Op 1 september 1939 viel Duitsland, dat sinds januari 1933 werd geleid door de nationaal-socialistische dictator cq Führer Adolf Hitler, binnen in Polen. Het was uit op verovering van Lebensraum, vooral in Oost-Europa. Twee dagen later verklaarden Engeland en Frankrijk de oorlog aan Duitsland. Dat was het begin van de Tweede Wereldoorlog. Die duurde in Europa tot op 8 mei 1945 de restanten van het Duitse leger onvoorwaardelijk capituleerden. De Duitse bondgenoot Italië, die in juni 1940 was gaan meedoen aan de oorlog, had zich al in het midden van 1943 overgegeven.

De voornaamste overwinnaars in Europa waren Engeland, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten, de zogenaamde Grote Drie. De strijd tegen Duitsland was hun gemeenschappelijke belang geweest, ondanks aanzienlijke onderlinge tegenstellingen die na 1945 gingen overheersen. De Duitse bondgenoot Japan gaf zich feitelijk aan de Verenigde Staten over op 15 augustus 1945, formeel op 2 september 1945. Daaraan vooraf ging dat op 6 augustus boven Hiroshima en op 9 augustus boven Nagasaki elk een Amerikaanse atoombom tot ontploffing werd gebracht en dat daar tussen, op 8 augustus, de Sovjet-Unie Japan de oorlog had verklaard.

De Sovjet-Unie raakte ondanks een in 1939 gesloten niet-aanvalsverdrag met Duitsland bij de oorlog betrokken door een onverhoedse Duitse inval op 22 juni 1941. In de oorlogswinter 1941-1942 drongen de Duitsers door tot een paar kilometer van Moskou, in de winter 1942-1943 tot in Stalingrad. Zij werden teruggedreven tot in Berlijn en aan de Elbe. De Verenigde Staten moesten zich rechtstreeks in de oorlog mengen nadat op 7 december 1941 de Japanse luchtmacht bij verrassing de Amerikaanse Pacificvloot in Pearl Harbour vernietigde en op 11 december 1941 Hitler de Verenigde Staten de oorlog verklaarde.

De Verenigde Staten vochten op een aantal fronten: in de Pacific tegen Japan en samen met Engeland eerst in Noord-Afrika en daarna in Zuid-Europa tegen Italië en Duitsland; sinds 6 juni 1944, de dag van de invasie in Normandië, in West-Europa tegen Duitsland alleen. Zij werden gesteund door onder anderen Canadezen, Australiërs en in Engeland gevormde strijdkrachten van Fransen, Polen en Nederlanders, strijdend in de Prinses Irene Brigade.

Ook de westelijke geallieerden waren op 8 mei 1945 diep in Duitsland doorgedrongen. Hitler was toen al dood. Op 30 april 1945 pleegde hij op 56-jarige leeftijd zelfmoord in zijn bunker in Berlijn. De Tweede Wereldoorlog heeft ca. 50 à 55 miljoen mensen het leven gekost, onder wie zes miljoen joodse, van wie de meesten zijn vergast. In het kader van hun rassentheorie beschouwden de nationaal-socialisten de joden als een groep van hun voornaamste vijanden. De Sovjet-Unie verloor 20 miljoen mensen, Duitsland 6 miljoen, Japan 2 miljoen, Frankrijk 600.000, Engeland 300.000, de Verenigde Staten 260.000 en Nederland 250.000.

2. Nederland

Op vrijdag 10 mei 1940 om 4 uur 's morgens begon Duitsland een aanval op West-Europa: het viel Nederland, België en Luxemburg binnen en begon na maanden van passiviteit werkelijk oorlog te voeren tegen Frankrijk. De Nederlandse regering had ondanks haar sympathie voor Engeland en Frankrijk haar best gedaan zich neutraal in het conflict op te stellen. Daarom had zij ook langs de kust verdedigingswerken laten bouwen. Koningin Wilhelmina sprak 's morgens vroeg voor de radio over een 'voorbeeldloze schending van de goede trouw en de aantasting van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is'.

Het leger, als eerste in deze oorlog geconfronteerd met massa's Duitse parachutisten in het binnenland, hield stand tot en met dinsdag 14 mei 1940 in de namiddag. Voorname weerstandspunten waren de Grebbeberg bij Rhenen en de toegang tot de Afsluitdijk bij Kornwerderzand in Friesland. De directe aanleiding tot de capitulatie waren het Duitse luchtbombardement op Rotterdam en de dreiging dat andere steden zouden worden gebombardeerd.

Ongeveer 2.200 Nederlandse militairen en 2.500 burgers verloren in de vijf oorlogsdagen het leven. Eén dag vóór de capitulatie, op Tweede Pinksterdag 13 mei 1940, weken koningin Wilhelmina en de regering uit naar Engeland. Prinses Juliana en haar kinderen Beatrix en Irene gingen naar Canada. Na het vertrek van koningin en regering lag in het binnenland het hoogste gezag een paar dagen in handen van generaal Henri Gerard Winkelman, de opperbevelhebber van het Nederlandse leger. Daarna namen de Duitsers het over.

Eind mei 1940 werd dr. Arthur Seyss-Inquart in Den Haag geïnstalleerd als rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied - de hoogste Duitse autoriteit in ons land. Hij was overigens een Oostenrijker die een voorname en dubieuze rol had gespeeld bij de aansluiting van zijn land bij Duitsland. Seyss-Inquart kondigde aan dat het aan Duitsland verwante Nederland, beide Germaanse volkeren, met welwillendheid zou worden behandeld. Duitsland zou niet proberen Nederland een vreemde overtuiging op te dringen, zei hij. Spoedig bleek dat dit anders was.

In strijd met de Nederlandse tradities van vrijheid en verdraagzaamheid werden al in de zomer van 1940 maatregelen genomen tegen de persvrijheid, de vrijheid van de politieke partijen en de vakbeweging, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om te luisteren naar Engelse radiozenders en tegen de gelijkberechtiging van joodse en niet-joodse landgenoten. Binnen negen maanden werden de joodse Nederlanders in een uitzonderingspositie geplaatst. Dit laatste was de aanleiding tot de Februaristaking van 1941. In juli 1942 begonnen vanuit Amsterdam de deportaties van joodse landgenoten naar concentratiekampen in vooral Duitsland en Polen. Ruim honderdduizend van hen overleefden die niet.

Ook in de zomer van 1940 begon het afvoeren van Nederlandse voorraden naar Duitsland. De distributie van consumptiegoederen die in 1939 was ingevoerd voor suiker, werd nu uitgebreid met brood. bloem, koffie, thee, boter, margarine, spijsvetten, grutterswaren, zeep, vlees, vleeswaren, kaas, eieren, koek en gebak. Ook schoenen gingen op de bon. Naarmate de oorlog duurde vielen meer goederen onder de distributie en werden de rantsoenen steeds verminderd. Tot in januari 1945, gedurende de hongerwinter, in nog bezet gebied iedere Nederlander boven de kleuterjaren via de distributie niet meer kreeg dan 400 gram brood en een halve kilo aardappelen in de week.

In de zomer van 1940 begon ook het dwang uitoefenen op werkloze mannen om te gaan werken in Duitsland. Die dwang was door ambtenaren van het ministerie van Sociale Zaken bedacht vóór de Duitsers zich er mee bemoeiden. De dwang werd door de Duitsers opgevoerd, later ook op mannen die wel werk hadden in Nederland. Tenslotte werden jongens en mannen willekeurig op straat aangehouden bij zogenaamde razzia's en naar Duitse arbeidsplaatsen afgevoerd.

Het duurde enige tijd eer ergernis en woede van de meeste Nederlanders over de inval en de eerste maatregelen zich kanaliseerden in een anti-Duitse stemming. Eerst waren er verwarring en onzekerheid. In die fase was er vooral bij haar vroegere aanhangers ontgoocheling over het vertrek van koningin Wilhelmina naar Londen. Liet zij het land in nood in de steek? Was zij gevlucht?

Die periode duurde kort. Snel werd Wilhelmina, mede door haar felle radiotoespraken, ook voor Nederlanders die tevoren nauwelijks verwantschap met haar hadden gevoeld, het symbool van onverzettelijkheid tegen de bezetter en zijn handlangers, de NSB'ers. NSB'ers werden algemeen beschouwd als verraders.

NSB'ers waren de leden van de Nationaal Socialistische Beweging. Die was in 1931 opgericht door de toen 41-jarige ir. Anton Adriaan Mussert. Hij was al als 33-jarige hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat in Utrecht geworden. De NSB streefde naar een machtsstaat met volledige gehoorzaamheid van de burgers. Haar leidend beginsel was: 'Voor het zedelijke en lichamelijke welzijn van ons volk is nodig: een krachtig staatsbestuur, zelfrespect van de natie, tucht, orde, solidariteit van alle bevolkingsklassen en het voorgaan van het algemeen nationaal belang boven het groepsbelang en het groepsbelang boven het persoonlijk belang.'

Er waren eerder gelijkgezinde groepjes geweest die weinig weerklank vonden. Dat kwam mede doordat hun voormannen wat querulant-achtige figuren waren. Mussert was anders. Hij leek een keurige meneer met een voorname functie. Hij sprak mensen aan, vooral in de middengroepen van de maatschappij. Geplaagd als zij waren door de gevolgen van de in 1929 uitgebroken economische wereldcrisis meenden zij dat ons parlementair stelsel geen afdoende oplossingen kon of wilde bieden voor hun problemen. Daarom moest 'een sterke man' de kans krijgen.

In 1935, bij de verkiezing van Provinciale Staten, de eerste waaraan de NSB meedeed, kreeg zij in het hele land bijna 8% van de stemmen. Uitschieters waren Den Haag met 12% en Amsterdam met 11%. Tot dan had de NSB zich verre gehouden van wat sinds 1933 in Duitsland gebeurde. Zo was de NSB toen bijvoorbeeld niet anti-joods. Joden mochten ook lid zijn.

Na 1936, toen mr. Meinoud Marinus Rost van Tonningen bij de NSB was gekomen, hij nam daarvoor ontslag uit een betrekking bij de Volkenbond in Wenen, begon de NSB zich volledig te oriënteren op Nazi-Duitsland. Zij was blij met de inlijving van Oostenrijk bij Duitsland, met de bezetting van het Sudetenland en de verdere bezetting van Tsjechoslowakije, zij gaf in 1939 'de joden' de schuld van het uitbreken van de oorlog. Zij was toen ook anti-semitisch geworden. Eveneens met haar gewoonten, partijopbouw en kleding oriënteerde de NSB zich op Duitsland.

Het verkiezingssucces in 1935 en de toenemende oriëntatie op Duitsland van de NSB maakten anderen wakker. Hoe onderling verdeeld linkse partijen als de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij SDAP, de Communistische Partij Nederland CPN en de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij RSAP ook waren, zij keerden zich tegen de NSB. De generale synode van de gereformeerde kerk en de rooms-katholieke bisschoppen oordeelden afwijzend over de NSB. Ook groepen als Eenheid door Democratie en het Comité van Waakzaamheid bestreden haar.

Dat leidde er toe dat de NSB bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1937 nog maar 4% van de stemmen kreeg; een halvering sinds 1935. Zij zelf had juist een veelvoud verwacht. Mede doordat de regering de NSB onder 'het ambtenarenverbod' liet vallen, ambtenaren mochten niet langer lid zijn van de NSB; zij moesten kiezen tussen behoud van hun werk en behoud van hun lidmaatschap, nam het aantal officiële leden af. Er waren ook mensen in het geheim lid; zij bleven buiten de telling. Zo waren de NSB'ers al voor de oorlog in een isolement gekomen. Na 14 mei 1940 voelden zij zich beschermd door de Duitse bezetter. Zij namen bezit van de straat, ook de tot dan geheime leden.

Uiteraard voegden zich personen bij hen die meenden de huif tijdig naar de wind te moeten hangen. Dat moment was zeker aangebroken toen in juni 1940, na de Franse capitulatie in de Blitzkrieg, Duitsland in Europa heer en meester leek. Alleen Engeland was nog niet verslagen. De langduriger NSB'ers noemden deze nieuwe aanwas smalend meikevers. Oude, voormalige geheime en nieuwe NSB'ers, allen werden beschouwd, en vaak ook behandeld als verraders.

Achteraf is komen vast te staan dat zij voorafgaande aan en in de oorlogsdagen van mei 1940 geen verraad hebben gepleegd in die zin dat zij militaire geheimen aan de Duitsers hebben doorgegeven of aan Duitse zijde hebben meegevochten. Wel stelden velen van hen zich tijdens de bezetting geheel beschikbaar voor de Duitsers, onder andere als vrijwilligers in de oorlog tegen de Russen, als ambtenaren, burgemeesters, politiefunctionarissen en als verklikkers.

Dan waren er ook de WA'ers, de zwart-geüniformeerden van de Weer-Afdeling van de NSB. Een soort straatvechters die probeerden onwelgezinden te intimideren. Aanvankelijk gingen ergernis en woede van de andere Nederlanders vooral uit naar al deze NSB'ers. Die deden hun kwalijke werk vrijwillig. Een Duitse soldaat heette tenslotte maar te zijn gestuurd. Pas na die gewone soldaten kwamen de harde partijgangers: de mannen van de SA of Sturm Abteilung, oorspronkelijk het orgaan voor opleiding en opvoeding, de SS of Schutz Staffel, het 'Germaans' elite-orgaan van de partij, de SD of Sicherheits Dienst, een veiligheidsorgaan, en de Gestapo ofwel de geheime staatspolitie. Onder aanvoering van dr. Arthur Seyss-Inquart en Hanns Albin Rauter, de hoogste Duitse politieman in Nederland, maakten zij gauw duidelijk wie hier werkelijk de baas waren geworden: zij, de Duitsers. En niet hun hulpjes van de NSB.

De Duitsers mochten de baas zijn, zij hadden het niet alleen voor het zeggen. Eén van hun eerste maatregelen was het onder toezicht stellen van de dagbladen. Die werden beperkt in hun vrijheid te schrijven wat zij wilden en gedwongen door de Duitsers gewenste stukken op te nemen. Maar in de zomer en het najaar van 1940 verschenen er in Nederland al 62 illegale krantjes, meestal gestencild, met een totale oplaag van boven de 50.000. Zij wekten de lezers op zich niet neer te leggen bij de Duitse overmacht. De bekendste van die ondergrondse kranten werden Het Parool, Vrij Nederland en De Waarheid. Uit Vrij Nederland kwam later Trouw voort. In oktober 1944 verscheen in de Zaanstreek de illegale Typhoon; de eerste uitgave heette de Moffenzeef. De Typhoon werd gemaakt door de rooms-katholieke centrale van kapelaan Gerrit Groot die eerder mannen en jongens had helpen onderduiken als zij moesten werken in Duitsland. Aanwakkeren van de verzetsgeest, perspectief blijven bieden op betere tijden en blootleggen van de leugens in de bovengrondse kranten waren de voornaamste bezigheden van de illegale kranten. Zij hadden succes.

Vanzelfsprekend lagen de meeste mensen niet van de ene dag op de andere dwars. Het merendeel paste zich aan. Zij probeerden er het beste van te maken. Tot hen behoorden bedrijven die graag Duitse opdrachten wilden uitvoeren. Tot hen behoorden ook de leiders van de zomer 1940 opgerichte Nederlandse Unie, Louis Einthoven (44), Johannes Linthorst Homan (37) en Jan Eduard de Quay (38). Zij meenden beter dan de NSB in staat te zijn ons land in te passen in de nieuwe verhoudingen. Hun grote aanhang werd vooral gelokt door de anti-NSB-gezindheid van de Unie. Door de hardheid van het bezettingsregime werd het trouwens steeds moeilijker om ergens nog het beste van te maken. Langzamerhand ontstond de situatie dat enkele duizenden actief verzet pleegden. Zij maakten ondergrondse kranten, hielpen joden en andere onderduikers, overvielen distributiekantoren, pleegden sabotage, ruimden verraders uit de weg, hinderden Duitse transporten en haalden soms illegale strijders uit de gevangenis.

Enige honderdduizenden raakten bij de illegaliteit betrokken als onderduikers en huisvesters van onderduikers en illegale strijders. Er waren nog meer mensen die kennis namen van de inhoud van de illegale kranten en financieel bijdroegen aan het verzet. Een wezenskenmerk van de illegaliteit was de anonimiteit van haar medewerkers. Maar door hun contacten en bezigheden moeten vele anderen hebben geweten, althans hebben vermoed, wie waren betrokken bij de illegaliteit. Dat heeft wel eens tot verraad geleid, maar slechts op beperkte schaal. De gevolgen daarvan waren trouwens erg genoeg. Dat alles was overigens in het klein begonnen. Met schimpen op en negeren van NSB'ers. Met weghalen of verplaatsen van Duitse wegwijzerborden. Ontduiken van het verbod naar de Engelse radio te luisteren. Demonstratief dragen van anjers op de eerste verjaardag van Prins Bernhard tijdens de bezetting. Het laten mislukken van collectes voor de zogenaamde Winterhulp. Het nauwelijks voldoen aan de verplichting koper, andere bruikbare metalen en radio's in te leveren. Kleine dingen. Maar ze werkten.

Januari 1941 schreef de secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuur aan gemeentebesturen dat zij op hun middelbare scholen een eind moesten maken aan het getreiter van kinderen van NSB'ers door andere leerlingen. NSB-leider Mussert klaagde juni 1941 in Wormerveer over die onnozelen die elkaar te pas en te onpas 'Ozo' toeriepen, een afkorting van 'Oranje zal overwinnen'. Het drong door tot de NSB'ers hoe geïsoleerd zij waren gebleven. Er zijn twee massale openbare protesten geweest. Al op 25 en 26 februari 1941, maar negen maanden na het begin van de bezetting, was dat in Amsterdam, de Zaanstreek, Haarlem en Hilversum, de door de illegale CPN geïnspireerde staking tegen de jodenvervolging. In het voorafgaande weekeinde waren in Amsterdam 388 joodse jongens en mannen opgepakt, afgeranseld en weggevoerd met onbekende bestemming. In april/mei 1943 volgde spontaan een omvangrijker staking, voornamelijk buiten de Randstad. De directe aanleiding was het in krijgsgevangenschap terugroepen van Nederlandse militairen uit de meidagen van 1940. De Duitsers reageerden er keihard op. Toen waren de verhoudingen al aanzienlijk verscherpt.

De Duitse nederlaag begon zich al af te tekenen: bij Stalingrad waren in de winter 1942-1943 240.000 Duitse militairen uitgeschakeld. Sinds december 1942 mocht Mussert zich na een bezoek aan Hitler Leider van het Nederlandse volk noemen. Daarna had hij 'een secretarie van staat' gevormd en een aantal gemachtigden benoemd. In verzetskringen vreesde men dat dit de aanzet tot een Mussert-regering was. Als waarschuwing schoot iemand uit het linkse deel van het verzet de gemachtigde Hendrik Alexander Seijffardt (69) dood. Een aanslag op een andere gemachtigde mislukte. Seyffart was in 1934 chef van de generale staf en voorzitter van de defensieraad geworden, sinds 1941 was hij leider van de Nederlandse vrijwilligers die met de Duitsers meevochten aan het oostfront.

De aanslagen leidden tot een meningsverschil tussen verzetsgroepen. Sommige meenden dat aanslagen 'te ver' gingen. Andere oordeelden dat in de inmiddels aangebroken tijd van volledige rechteloosheid aanslagen gerechtvaardigd waren. Later werd die opvatting de algemene. Ook in het voorjaar van 1943 moesten de studenten een loyaliteitsverklaring tekenen, velen weigerden en raakten de artsen in een openbaar conflict met de zogenaamde artsenkamer. Het naar Duitsland sturen van Nederlandse arbeiders vierde hoogtij. Aanvankelijk was vooral uit linkse kring hulp geboden aan arbeiders die zich door onderduiken aan de arbeidsinzet onttrokken. In het voorjaar van 1943 kwam daarin verandering. Ds. Frits Slomp, in het verzet Frits de Zwerver of ook wel Ouderling Van Zanten genoemd en mevrouw Helena Theodora Kuipers-Rietberg vormden in het protestants-christelijke volksdeel de organisatie die bekend zou worden als de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). De kern van de LO is ontstaan, ook in de Zaanstreek, tijdens zogenaamde thee-avondjes die de anti-revolutionairen hielden na het verbod van de politieke partijen. Tijdens deze bijeenkomsten wekten 12 apostelen op tot geestelijk verzet.

Uit de LO kwamen de Knokploegen of KP's voort toen bonkaarten voor onderduikers niet meer op min of meer legale wijze te verkrijgen waren. Zo nodig traden zij gewapend op, net als de Raad van Verzet. In plaatsen waar de CPN sterk was was de Raad van Verzet meestal links georiënteerd, elders niet of minder. Ook uit de Ordedienst, de OD, aanvankelijk vooral oud-officieren uit het leger die beoogden tussen vertrek van de Duitsers en terugkomst van de regering de orde te handhaven, kwamen personen voort die aan het gewapend verzet gingen meedoen. De Duitsers bestreden het verzet te vuur en te zwaard. Aangehouden verzetsmensen werden gemarteld, doodgeschoten of naar concentratiekampen gestuurd. Na de invasie op 6 juni 1944 in Normandië bereikten de geallieerde troepen in september 1944 Zuid-Nederland. Hun opmars liep vast op de grote rivieren. Om die te overbruggen voerden de geallieerden op 17 september 1944 grote luchtlandingen uit bij onder andere Arnhem. Dezelfde dag gaf de Nederlandse regering opdracht tot de spoorwegstaking. De luchtlandingen bereikten niet het beoogde resultaat. Arnhem bleef vooralsnog in Duitse handen. Door die ontwikkeling van de oorlog duurde de spoorwegstaking veel langer dan was verwacht. De Duitsers grepen de spoorwegstaking aan als alibi om de voedselvoorziening van Nederland stop te zetten. Dat leidde in West-Nederland tot de hongerwinter. Ze eindigde pas na de bevrijding. Die kwam voor West-Nederland op 5 mei 1945 met de Duitse capitulatie in Wageningen. Daarbij was prins Bernhard aanwezig. Hij was sinds 3 september 1944 opperbevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten BS. Die waren in opdracht van de regering in Londen gevormd door samenbundeling van de Raad van Verzet, de KP's en de Ordedienst. Op sommige plaatsen kwam die bundeling uiterst moeizaam tot stand. De LO, het Nationaal Steunfonds en de illegale pers bleven buiten deze samenbundeling. Wel hadden zij regelmatig overleg met de staf van de BS.

3. Zaanstreek

Het oorlogsgeweld van de meidagen van 1940 trof de Zaanstreek niet, hoewel het niet onopgemerkt voorbij ging. Er waren Duitse vliegtuigen zichtbaar, er werd nu en dan met afweergeschut geschoten, beide Zaandamse ziekenhuizen, het gemeentelijk ziekenhuis en de Sint Jan werden voor zover mogelijk ontruimd, omdat rekening werd gehouden met de mogelijkheid van gevechtshandelingen in de Zaanstreek en omgeving als de Duitsers over de Afsluitdijk zouden kunnen oprukken naar Amsterdam. Enkele tientallen NSB'ers en communisten werden gearresteerd. Aan de arrestanten werd op Tweede Pinksterdag toegevoegd een in Zaandam gelegerde luitenant Jurriaan Gemmeke. Hij werd niet vertrouwd, mede omdat hij, zij het in een ondergeschikte rol, in november 1939 in Venlo was betrokken geweest bij een confrontatie tussen de Duitse en Engelse spionagediensten. Daarna was hij naar Zaandam overgeplaatst. De arrestatie werd verricht door majoor J.G.A. van de Upwich, militair commandant in Zaandam.

Derde Pinksterdag, de dag van de capitulatie, hield burgemeester Jan Kalff van Krommenie via de radiodistributie een toespraak waarin hij uiteenzette waarom het goed was dat de koningin naar Engeland was vertrokken. Die dag was in de hele Zaanstreek te zien dat Engelse oorlogsboten 's morgens aan de overkant van het Noordzeekanaal olietanks in brand hadden geschoten. Er torende een hoge en brede rookkolom boven de Zaanstreek die dagenlang stand hield.

3.1. Namen van gesneuvelde Zaanse militairen

Er sneuvelden veertien Zaanse militairen tijdens de meidagen:

In de nacht van de capitulatie pleegden sommige mensen zelfmoord, onder wie de leraar van het Zaanlands Lyceum Sipke Lootsma (52), een bekend publicist over de Zaanse geschiedenis. Zaandams burgemeester mr. dr. Joris In 't Veld greep de begrafenis aan om te reageren op de verwarring rondom het vertrek naar Engeland van koningin en regering: 'Het enige dat ons is overgebleven is de saamhorigheid'. Op 21 mei sprak hij weer daarover, nu bij de opening van een christelijk tehuis voor Nederlandse militairen in gebouw Christelijke Belangen aan de Botenmakersstraat. Hij hield de aanwezigen voor dat Wilhelmina niet was vertrokken uit lafheid, maar om haar werk voort te zetten. 'Het heeft mij pijn gedaan dat in vele kringen over haar wordt gesproken op een manier die te betreuren is.' En tot slot: 'Het is merkwaardig dat ik als sociaal-democraat de koningin moet verdedigen tegen hen die haar trouwste aanhangers waren.' Dat was een verwijzing naar het verleden waarin de sociaal-democraten zich verre van het Oranjehuis hadden gehouden. Pas in de jaren '30 was daarin verandering gekomen. Na die toespraak zei de Gereformeerde predikant Rinze Jacob van der Meulen tegen In `t Veld: 'Ik heb de laatste dagen niet meer voor de koningin kunnen bidden, maar nu doe ik het weer.` De aanwezigen zongen het Wilhelmus. Volgens In `t Veld heeft het nooit meer indruk op hem gemaakt dan die keer. Enkele regionale kranten konden nog wel melding maken van die toespraak, landelijke kranten al niet meer. Na de aankondiging van Seyss-Inquart dat Duitsland Nederland niet een vreemde overtuiging wilde opdringen zei In 't Veld in de eerste vergadering van de gemeenteraad tijdens de bezetting: 'Laten wij die dan ook niet aannemen.'

Inmiddels waren exporterende Zaanse bedrijven hun afzetgebieden Engeland en Frankrijk kwijt. Hun directies bezonnen zich er in de eerste maand van de bezetting op hoe dat probleem te ondervangen zou zijn. De uitslag van hun beraad was: 'Duitsland is reeds lang een belangrijk afnemer van verschillende Zaanse producten. Waarschijnlijk zal het de Zaanse ondernemers de minste zorg geven in dit rijk hun afzetgelegenheid te vergroten.' Zij hadden een ander probleem dan ir. F.Q. den Hollander, de directeur van de in Zaandam gevestigde Artillerie-Inrichting, de grootste wapen- en munitiefabriek van het land. In de middag van 14 mei had hij opdracht gegeven het opblazen van het bedrijf te gaan voorbereiden. Maar generaal Winkelman had hem de uitvoering van dat voornemen verboden. Winkelman wilde, met de capitulatie in zicht, de Duitsers niet voor het hoofd stoten. Daarom ook stuurde hij de dag na de overgave een verzoek aan alle burgemeesters in nog niet bezet gebied om de bezetting zoveel mogelijk te vergemakkelijken. Den Hollander was minder bereidwillig. De dag na de capitulatie stopte hij de productie. Dat verwierf de instemming van secretaris-generaal Cornelis Ringeling van het ministerie van Defensie.

Op 19 juni kreeg Den Hollander schriftelijk bericht dat de A.I. werd gevorderd ten behoeve van het bezettingsleger. Aangezien Den Hollander niet wilde werken voor de Duitsers nam hij ontslag. Binnen een week na zijn afscheidsrede echter zwichtte hij 'na dagen en nachten van innerlijke strijd' voor verzoeken van personeelsleden om te blijven. Hij beperkte de oorlogsproductie, ging ook gereedschap en landbouwwerktuigen maken en verminderde tot zomer 1943 het aantal personeelsleden van 7.000 tot 1.700.

Zomer 1940 namen de Duitsers de eerste discriminerende maatregelen. CPN'ers en een RSAP'er werden uit de gemeenteraden gezet, in Zaandam Dirk Makkinga, Martinus Pieter Siffels (beiden CPN) en Fokke Bosman (RSAP), in Krommenie de CPN'ers J. Gerritsen, Teunis Glijnis, en Simon de Roo en in Wormerveer de CPN'er Pieter Kuiper. Er werd niet tegen geprotesteerd.

Ondertussen gingen WA'ers zich bezig houden met de ordehandhaving op straat, zodanig dat Zaandams politiecommissaris Cornelis Roscher in een openbare verklaring te kennen gaf dat alleen de politie was belast met de ordehandhaving. Hij deed dat een dag voor op zaterdag 27 juli in aanwezigheid van Amsterdamse WA'er Rost van Tonningen en de Krommeniese NSB'er Maarten Meeuwsen, de leider van de sectie Zaanstreek van het Arbeidsfront, het nationaal-socialistische alternatief van de vakbeweging, op de Burcht gingen spreken. Zij uitten dreigende taal tot die dwarsliggende Zaankanters. Joden werden die zomer verwijderd uit de luchtbescherming. Vervolgens gaven op bevel van de bezetter Nederlandse politie-autoriteiten aan Duitse joden die zich tussen 1933 en 1938 in Nederland als vluchtelingen hadden gevestigd opdracht zich te melden bij de politie. Andere maatregelen kwamen snel na elkaar. Een verbod op ritueel slachten. Een verbod joden te benoemen in overheidsdienst. Een verbod joden in overheidsdienst promotie te laten maken. Het invoeren van de mogelijkheid joden uit overheidsdienst te ontslaan.

Maar wie waren eigenlijk joden? Daarnaar had men in Nederland zelden of nooit navraag gedaan. In opdracht van de bezetter ging dat nu wel gebeuren. Iedere ambtenaar en iedere bij het bijzonder onderwijs werkende moest op een formulier, de zogenaamde ariërverklaring, opgegeven of hij/zij en eventueel de huwelijkspartner, wél of niet jood was. Zo ja, dan moesten gegevens over familie, inkomen en bezit worden verstrekt. Het overgrote deel van de betrokkenen had daartegen geen bezwaar. Als je geen jood was kon je dat toch zeker best naar waarheid vermelden? Slechts een klein aantal weigerde. Zij doorzagen dat met de ariërverklaring een eerste schifting tussen joden en niet-joden werd doorgevoerd. Op 17 februari 1941 deelden de burgemeesters in opdracht van de bezetter mee dat alle personen van geheel of gedeeltelijk joodsen bloede zich voor 24 februari 1941 schriftelijk bij hen moesten melden.

Burgemeester In 't Veld schreef daarover in 1980 een brief aan Wim Swart die toen Zaanstreek in bezettingsjaren schreef: 'Ik heb toen wel aarzeling gevoeld. De Duitse bezetting ging met deze verordening haar bevoegdheid volgens het Landoorlogsreglement duidelijk te buiten. Toch ben ik gezwicht, evenals trouwens alle burgemeesters. Ik hoorde althans niet dat een van hen juist hiervan een breekpunt heeft gemaakt. Het gold nog maar een aanmeldingsplicht, een administratieve maatregel.'

In Amsterdam ging het al anders toe. WA'ers terroriseerden de jodenbuurt. Toen joodse jongens en mannen terugsloegen verloor een WA-man het leven. Dat was voor de Duitsers een sein om zelf in actie te komen. Zaterdag 22 en zondag 23 februari 1941 pakten zij 388 joodse mannen en jongens op. Die gebeurtenissen waren stuitend. Zij wekten grote woede in Amsterdam. Het pamflet Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!! van de illegale CPN werkte toen als lont in het kruitvat. Dinsdag 25 en woensdag 26 februari werd in Amsterdam massaal gestaakt. De middag van de eerste dag sloeg de staking over naar de Zaanstreek: als eerste ging de stijfselfabriek De Bijenkorf in Koog plat. Vooral Gerard Maas, die er later 'De Kroniek van de Februaristaking' over schreef, Willem Mans en C. Prins zorgden er voor dat de volgende ochtend het pamflet bij Zaanse bedrijven kon worden verspreid. Daar brak de staking ook uit. Er waren 's middags duizenden stakers in opgetogen, bijna feestelijke stemming in het centrum van Zaandam. Zij gooiden bij sommige NSB'ers de ruiten in, verstoorden de sfeer bij de sluiting van een NSB-huwelijk, gooiden een NSB'er te water en lieten hem er pas uit nadat hij 'Oranje Boven' had geroepen.

Die middag kwamen mannen van de Grüne Polizei in Zaandam en schoten op de Dam. Daardoor verloor de 20-jarige Jan Keijzer uit Middelie het leven. In Amsterdam eindigde de staking op de avond van de 26e, in de Zaanstreek rond het middaguur van de 27e. Rauter, de ochtend van de 27e aanwezig in Zaandam, had gedreigd allen te arresteren die niet om een uur 's middags het werk hadden hervat. Hals over kop lieten de bedrijven de stakers optrommelen. Zaandam werd gestraft met moeten binnen blijven tussen 20.30 en 4.00 uur en met een boete van f 500.000, op te brengen door inwoners met een jaarinkomen van meer dan f 10.000. Voorts kreeg burgemeester In `t Veld ontslag op 4 maart. De ontslagbrief was door Seyss-Inquart persoonlijk ondertekend. In `t Veld werden nu zijn toespraak in het christelijke militaire tehuis en zijn defaitistische propaganda voor de Winterhulp aangerekend.

Dit laatste argument was opmerkelijk omdat In 't Veld zich althans in het openbaar had ingespannen om de collecten in Zaandam tot een succes te maken. Winterhulp dat voor de oorlog al in Duitsland bestond en in Nederland moest worden nagevolgd beoogde zekere materiële steun te geven aan de armsten. De bevolking wilde niets weten van Winterhulp. Geen knoop van mijn gulp voor Winterhulp was een gangbaar rijmpje. Na de mislukte eerste Collecte in Zaandam op 29 en 30 november 1940 zei In `t Veld: Alle middelen moeten worden aangewend om de volgende collecten beter te doen slagen. In 't Veld schreef daarover later in de eerder vermelde brief aan W. Swart in 1980: De bevolking had geen moeite door de schijn heen te kijken. Ik meende mij niet aan Winterhulp te moeten onttrekken, vooral omdat velen aanvankelijk van mening waren dat er wat goeds uit kon komen als wij er in slaagden de zaak in eigen hand te houden. Men kan dit achteraf een naïef standpunt noemen, maar men moet het zien in het licht van de omstandigheden. Er was nog altijd een kleine hoop dat de Duitsers niet al te brutaal het Land oorlogsreglement aan hun laars zouden lappen. Wij moesten niet zelf hun de weg naar een volkenrechtelijk verantwoord beleid afsnijden door botweg elke medewerking te weigeren, ook in zaken die op het oog niet onredelijk leken.

Op 8 maart werd politiecommissaris Cornelis Roscher van zijn functie ontheven wegens zijn anti-Duitse gezindheid en ontslagen per 30 mei 1941. In `t Veld werd vervangen door de NSB'er Cornelis van Ravenswaay, een kapitein buiten dienst te Nunspeet, die behalve burgemeester regeringscommissaris werd. Dit laatste hield in dat feitelijk de gemeenteraad was afgezet, een voorschot op wat later met alle gemeenteraden en Provinciale Staten gebeurde. Enige tijd handhaafde Van Ravenswaay de wethouders als 'adviseurs'. In april 1941 ontsloeg hij de Vrijzinnig Democraat Hendrik Lodewijk Hallie en Johannes Fredericus Marie Josephus Kamphuijs van de Rooms-Katholieke Staatspartij. In mei 1941 vroegen de sociaal-democratische wethouders Luwe Kelder en Reinier Plooijer zelf ontslag. Van Ravenswaay omringde zich met vier nieuwe wethouders van buiten de afgezette gemeenteraad: Jan Eijdenberg, Dirk Out, A. van der Stok en A. Zuidervliet. De laatstgenoemde twee waren NSB'ers.

Van het oude dagelijks bestuur van Zaandam was toen alleen de sociaal-democratische gemeentesecretaris dr. mr. Hubart Gerhard Scholten nog over. Hij werd 7 juli 1941 ontslagen wegens zijn anti-Duitse gezindheid. Hij weigerde samen te werken met NSB-burgemeester Van Ravenswaay, werd op wachtgeld gezet en daarna als gijzelaar naar het interneringskamp in St. Michielsgestel gebracht, waar hij van juli 1942 tot december 1943 verbleef. Scholten werd vervangen door G. Blom. In plaats van politiecommissaris Cornelis Roscher werd in juni 1941 de NSB sympathiserende Johannes Kemper benoemd.

Geen half jaar na de Februaristaking had Zaandam een dagelijks bestuur van NSB'ers en geestverwanten. Van Ravenswaay stelde werkloze NSB'ers ook aan als ambtenaren. Tegenwerking duldde hij niet. Hij zei daarover: 'De door mij gevolgde politiek is niet door vriendelijk optreden trachten de tegenstanders te paaien. Eerst moeten de felste hetzers en de leiders van de obstructie, in de eerste plaats bedrijfsleiders en chefs, verwijderd worden. Een waarschuwing aan de overige hetzers zal dan de stemming kalmeren.`

Tevoren was de omvang van de NSB in de Zaanstreek gering geweest. Bij de Statenverkiezing van 1935, toen de NSB landelijk 8% van de kiezers achter zich kreeg, was zij in Zaandam uitgekomen op 4.3%, in Koog op 3,9%, in Zaandijk 4,2%, in Wormerveer 4,9%, in Krommenie 2%, in Assendelft 1,6%, in Westzaan 2,8%, in Wormer 1.4%. Met 6,2% scoorde de NSB het hoogste in Oostzaan. Eind 1939 had de NSB in de Zaanstreek maar 79 leden en twee begunstigers. Mei 1941 waren die aantallen opgelopen tot 312 en tien. Hoewel in de meeste andere Zaangemeenten ook volop was gestaakt tegen de jodenvervolging lieten de Duitsers hun besturen voorlopig ongewijzigd.

Op 8 mei 1941 werd burgemeester Jan Kalff van Krommenie gearresteerd en naar de gevangenis van Scheveningen gebracht. Per 15 januari 1942 kreeg hij ontslag. In zijn plaats werd voorlopig geen ander benoemd. Zo lang hielden de voor-oorlogse wethouders Jan Blanken en Frederik Leonardus Groep de zaak gaande. Vanaf de dag in juli 1942 waarop de NSB'er Anton Gerrit Jongsma werd benoemd tot Kalffs opvolger, hij liet zich installeren in WA-uniform, weigerden Blanken en Groep nog in het gemeentehuis te komen. Andere Zaanse burgemeesters bleven nog lang zitten. Pas in mei 1944, toen zij inwoners moesten aanwijzen voor het helpen aanleggen van verdedigingswerken aan de kust, weigerden Albertus Slager uit Wormerveer en Anthonie Hendrik van Gelderenuit Zaandijk. Slager werd gearresteerd, Van Gelderen dook onder, Jan de Boer uit Assendelft kon een medische verklaring tonen die hem noopte onmiddellijk zijn werk te beëindigen.

In Zaandijk en Wormerveer werden NSB'ers benoemd, Assendelft kreeg de burgemeester van Krommenie als waarnemer. Later moest Hendrik Vitters, een NSB'er die in juli 1942 in Zaandam Van Ravenswaay was opgevolgd ook het burgemeesterswerk van Koog en Westzaan gaan doen. Nagenoeg het hele openbare Zaanse bestuur was in handen van NSB'ers. Een paar meelopers mochten blijven. In januari 1942 kregen de joden in West-Nederland die niet in Amsterdam woonden opdracht zich in Amsterdam te vestigen. Een nieuwe stap op weg naar hun isolement. De Zaandamse joden waren de eersten wie dit lot overkwam. Woensdag de 14e kregen zij aanzegging van de gewone Nederlandse politie dat zij zaterdag de 17e gereed moesten zijn voor vertrek. Zij mochten alleen handbagage meenemen. Met de boot die van Zaandam naar Amsterdam v.v. voer werden zij weggebracht. Zij werden gevestigd in woningen die waren leeggekomen na deportatie van de eerdere bewoners of zij moesten gaan inwonen bij andere joden. Zo gingen er die dag 270.

Statenloze joden uit Zaandam moesten die dag meteen naar het kamp Westerbork. Dat waren er 98. Bij het verlaten van hun woningen moesten de mensen hun huissleutels afgeven aan de politie. Later werden hun bezittingen in opdracht van de Duitsers weggehaald. Het is niet bekend waarom de Zaandamse joden als eersten werden aangewezen. Mr. Lodewijk Ernst Visser, de afgezette joodse president van de Hoge Raad, protesteerde schriftelijk tegen de onnoemelijke ellende die de Zaandamse joden overkwam, maar dat protest leidde niet tot verbetering van hun positie. In maart kwamen de joden uit Koog en Oostzaan aan de beurt, in april die uit Assendelft, Wormer, Wormerveer en Zaandijk. In de Zaanstreek hebben slechts weinig joden kunnen onderduiken. Hun aantal wordt geschat op hoogstens enkele tientallen.

Buiten de openbaarheid nam de invloed van verzetsgroepen steeds meer toe. Verzetswerk was soms begonnen door een enkeling, soms door kleine groepjes, in het algemeen mensen die elkaar persoonlijk vertrouwden en gelijkgezind waren. De CPN was als partij betrokken bij het verzet, vooral na de Duitse inval in de Sovjet-Unie. Onder andere door het uitgeven van aanvankelijk gestencilde illegale kranten en pamfletten stimuleerde het verzet de massa tot weerstand. Negen maanden na het begin van de bezetting leidde dat in de Zaanstreek tot massale deelname aan de Februaristaking tegen de jodenvervolging. Behalve illegaal verzet was er soms ook openlijk verzet. Toen in juli 1941 het Christelijk Nationaal Vakverbond onder NSB-toezicht werd gesteld, een jaar later dan het NVV, stuurde Albertus Admiraal te Zaandam, voorzitter van de Christelijke Besturenbond Zaanstreek, aan duizend leden een stencil waarin hij schreef: Ik bedank voor het CNV en ik spreek de verwachting uit dat u mij volgt.

De tweede grote staking dateert van april/mei 1943. De directe aanleiding was het in Berlijn genomen besluit dat Nederlandse militairen van mei 1940 alsnog in krijgsgevangenschap zouden worden genomen. Aan die staking werd in de Zaanstreek voornamelijk in Krommenie meegedaan. Vrijdag 30 april legden 700 arbeiders van de Verenigde Blikfabrieken het werk neer. Zaterdag 1 mei werden er twaalf gearresteerd, van wie er vier de volgende dag na een 'proces' bij een standgerecht werden doodgeschoten. Dat waren Hendrik Blank (54), Johan van Lemmeren (40), Theodorus Rijkhoff (28) en Gerard Wiersma (38). Drie anderen overleden later in concentratiekampen, een vierde onmiddellijk na zijn bevrijding.

Verzet uitte zich naarmate de oorlog vorderde in velerlei vormen. Al waren die eerder aangeduide facetten van het verzet in de Zaanstreek ruimschoots aanwezig. Twee Zaankanters speelden via het Nationale Steunfonds landelijk een voorname rol in het verzet; Walraven van Hall en Jacob Buijs. Er waren stille vormen van verzet en spectaculaire die zich in het openbaar voltrokken. Zij vulden elkaar aan. Maar de spectaculaire vielen op. Een paar voorbeelden daarvan.

  • In mei 1943 werd het arbeidsbureau in de Oostzijde in Zaandam in brand gestoken. Daardoor ging de registratie van arbeiders die naar Duitsland konden worden uitgezonden verloren.
  • Er werden vijf loodsen met Duits materiaal aan de Pieter Ghijsenlaan in Zaandam in brand gestoken.
  • In de Achtersluispolder werd een elektriciteitsgebouwtje dat stroom leverde aan de Artillerie-Inrichting opgeblazen.
  • Door het opendraaien van de spoorbrug over de Zaan reed een door Duitsers bemande locomotief de Zaan in. Spoorverkeer tussen Zaandam-Purmerend was daardoor niet meer mogelijk.
  • De spoorbrug tussen Krommenie en Assendelft werd opengedraaid. Een daardoor ontspoorde locomotief blokkeerde veertien dagen het Duitse treinverkeer.
  • In januari 1945 werd het arbeidsbureau dat toen in de Stationsstraat in Zaandam was gevestigd met een bom tot ontploffing gebracht.
  • Het gemeentehuis van Wormerveer werd in juni 1944 overvallen door onder anderen de vermaarde verzetsmannen Jan Bonekamp en Jan Brasser uit Krommenie wiens illegale naam Witte Ko was. Zij haalden het bevolkingsregister weg. De NSB-burgemeester Jan Pieter de Vries rolden ze in het tapijt. Sindsdien stond die te boek als Piet Oublie.
  • Omstreeks kerstmis 1944 haalden verzetsmensen in de meeste Zaangemeenten de bevolkingsregisters uit de gemeentehuizen.
  • De woning van de Krommeniese WA-burgemeester werd beschilderd met de leuze 'Leve Stalin'.
  • Een Rijnaak die in Wormerveer in de Zaan gereed lag om motoren van de papierfabriek Van Gelder in Wormer naar Duitsland te vervoeren werd met een mijn tot zinken gebracht.
  • In april 1945 werd de overkapping van het station in Wormerveer opgeblazen. Door de ravage ontstond vertraging voor een trein die Duitse militairen naar het front bij Zwolle moest brengen.
  • Door het ophangen van schokhandgranaten boven de Provincialeweg werd het nachtelijke autoverkeer van de Duitsers belemmerd.
  • In de hongerwinter protesteerden Zaandamse vrouwen bij de burgemeester tegen de minimale hoeveelheid voedsel van slechte kwaliteit die de gaarkeuken verstrekte.

In september 1944 sprongen negen leden van de bemanning boven de Zaanstreek uit een aangeschoten Amerikaans vliegtuig. Zij kwamen terecht in de Kalverpolder en het Guisveld. Voor de Duitsers hen konden aanhouden had het verzet alle negen al laten onderduiken. Wegens de aangekondigde omvangrijke represailles op de bevolking van Zaandijk besloot het verzet overigens er drie aan de Duitsers over te leveren. Daaraan was een heftige discussie vooraf gegaan want een deel van het verzet voelde er niets voor te wijken voor de dreigende represaille. Naarmate de oorlog vorderde werden de wraakacties na aanslagen en sabotagedaden heftiger. Dat waren zichtbare vormen van verzet.

Pas na de oorlog werd bekend dat Remmert Aten en Jaap Bol in september 1944 uit de Hembrug de springlading hadden verwijderd die de bezetter er in had aangebracht om de brug te kunnen vernietigen. Dirk de Korte was de eerste Zaanse verzetsman die door de Duitsers werd gedood. Dat gebeurde in april 1942. Totaal werden zestig Zaankanters gedood wegens hun verzetsactiviteit. In een aantal gevallen waren deze mensen aangehouden als gevolg van de speurzin van de Duitsers, zoals bij het oprollen van de Stijkelgroep die beoogde te spioneren voor de geallieerden en bij het inrekenen van uit Engeland gedropte agenten die slachtoffers werden van het zogenaamde England-Spiel. De Duitsers kenden de zogenaamd geheime zendverbindingen met Engeland en maakten daar gebruik van. Zaankanters die het leven verloren na hun activiteit in de Stijkelgroep zijn; Pieter Adrianus Smit uit Zaandam, Hendrik Ero, Louise Ero-Chambon, Jan Groot, Evert Honig, P.H. de Jong, Jan Neuteboom, Dirk de Vries, allen uit Koog, Jacobus C. Thomas uit Wormerveer en Jan van Hinte uit Wormer.

George Louis Jambroes, voormalig leraar aan het Zaanlands Lyceum die naar Engeland was gegaan overleed als slachtoffer van het England-Spiel in september 1944 in een concentratiekamp. De Zaandammer Henk Op den Velde die radiocontact met Engeland had werd na uitpeiling door de Duitsers gearresteerd. Hij overleed december 1944 in een kamp.

19 oktober 1943 was een zwarte dag voor de LO. Toen overviel de SD in Hoorn een bijeenkomst van de L.O. Daarbij werden 13 LO'ers gearresteerd. Van de toen gepakte Zaankanters zijn Willem Brinkman en Anton Beernink niet uit gevangenschap teruggekeerd. Anderen kwamen in Duitse handen door verraad. Dat ongeluk trof in het najaar van 1943 vooral de groep rond de Zaandijker Dirk Kleiman die allerlei Duitse papieren vervalste en de CPN. In beide gevallen brachten vrouwen de zaak aan het rollen. De een hoopte dat haar verloofde die bij de politie werkte promotie zou maken als zij Kleiman c.s. aanbracht. De ander verdacht haar man van ontrouw en noemde toen uit rancune de SD alle namen en adressen van communisten die zij kende.

Van de groep Kleiman verloren Dirk Kleiman, Hans Fuijkschot en Klaas Versnel het leven, van de toen gearresteerde CPN'ers Albert Huisman, Simon Kwadijk, Jan Stolp, Josephus Swolfs, H. de Vries, Jacob Willemszoon en Cornelis Zwart. Ook de Zaandamse Geertje Pel Groot overleefde het kamp niet. Een Duits gezinde politie- en buurman had haar aangebracht omdat zij een joods meisje verborgen hield. Omdat zij soms letterlijk zo levensgevaarlijk waren besloot het verzet nu en dan verraders uit de weg te ruimen. Tijdens een vuurgevecht in de Westzijde in Zaandam verloren daarbij de verdachte politieman Willem Ragut en de verzetsman Jan Bonekamp het leven.

Hannie Schaft was betrokken bij deze aanslag in juni 1944. Hannie Schaft, vlak voor de bevrijding in opdracht van de Duitsers door een Nederlander doodgeschoten, is na de oorlog een symbool van het verzet geworden. Zij is niet de enige vrouw in het verzet geweest. Vrouwen verrichtten vaak koeriersdiensten, vervoerden wapens en illegale kranten. Bij het liquideren van verraders ontstond eenmaal een vreselijk misverstand. In een deel van het verzet deden kwaadaardige geruchten de ronde over de Wormerveerse verzetsman Pieter J. Zwart. In die kring werd besloten hem uit de weg te ruimen. Een maand voor de bevrijding werd het vonnis voltrokken ter hoogte van De Waakzaamheid. De geruchten bleken later op niets te zijn gebaseerd. .

4. Namen van de 60 Zaankanters die zijn gevallen in de verzetsstrijd

  • Jacob (Jaap) Achterberg, Zaandam, 20-12-1914. Neuengamme 29-11-1944.
  • Antoon Beernink Wormerveer, 12-9-1919. Aussenkommando Fallersleben 2-4-1945.
  • Jan Bierman, Krommenie, 5 juli 1915. Sachsenhausen, 4 maart 1945.
  • Wim Binken, Wormer, 26 maart 1893 - Bergen-Belsen, 9 maart 1945.
  • Hendrik Blank, Krommenie, 4 november 1888, Amsterdam, 2 mei 1943
  • Petrus Boon, Assendelft, 16 april 1891 - Klötze (D), 17 mei 1945
  • Jan Bouwmeester, Zaandam, 27-4-1912, overleden 4 januari 1945.
  • Haring Brandsma, Koog, 31-10-1917, overleden 3-1945.
  • Willem Brinkman, Zaandam, 10 november 1901, omgekomen tuchthuis 20 februari 1945.
  • Gerhardus Docter, Zaandam, l-3-1917. gefusilleerd 23-2-1945.
  • Hendrik Ero, Koog, 10-7-1886. gefusilleerd 4-6-1943
  • Louise Ero-Chambon, Koog, 11-2-1891, vermist.
  • Jan Eshuijs, Koog, 1-12-1912, gefusilleerd 23-2-1944.
  • Hans Fuijkschot, Wormerveer, 12-2-1919. omgekomen tuchthuis 26-4-1945.
  • Harm Gerssen, Koog, 6-4-1912, gefusilleerd 23-2-1944.
  • Teunis Glijnis, Krommenie, 16-6-1902. overleden 3-5-1945.
  • Jacob Goris, Zaandam, 17-1-1901. gefusilleerd 12-3-1945.
  • Jan Groot, Koog, 5-3-1893. gefusilleerd 4-6-1943.
  • Walraven van Hall, Zaandam, 10-2-1906. gefusilleerd 12-2-1945.
  • Pieter Hartog, Wormerveer, 22-10-1919. overleden 13-9-1944,
  • Koos Heijdra, Wormerveer, 9-8-1918, overleden 23-2-1944.
  • Johan D. A. Hellema, Koog, 24-5-1896. overleden 10-2-1945.
  • Henk Heij, Krommenie, 16-4-1914, vermist.
  • Jan van Hinte, Wormer, 20-3-1890, vermist.
  • Dirk Hofland, Wormerveer, 17-12-1893. gefusilleerd 11-10-1944.
  • Evert Honig, Koog, 9-11-1914, gefusilleerd 4-6-1943.
  • Albert Huisman, Zaandam, 6-7-1918. gefusilleerd 24-7-1944.
  • George Louis Jambroes, Zaandam. 22 april 1905, Mauthausen 6 september 1944.
  • Pieter Hendrik de Jong, Koog, 6-11-1912, gefusilleerd 4-6-1943.
  • Jacob Kerkhoven, Wormer, 30-8-1915. vermist.
  • Dirk Kleiman Hzn, Zaandijk, 20-1-1886, omgekomen tuchthuis, Waldheim 15 maart 1945.
  • Dirk de Korte, Zaandam, 31 maart 1912, Leusden, 24 april 1942.
  • Paulus E. Kramer, Wormer, 22-12-1896, vermist.
  • Jan Kuijper, Wormerveer, 29-10-1907, overleden 29-11-1944.
  • Petrus Josephus Maria Kuntz, Zaandam, 1 februari 1918, Oranienburg, 11 mei 1942.
  • Simon Kwadijk, Zaandijk, 14-4-1902, vermist.
  • Johannes Antonius van Lemmeren, Krommenie, 15-11-1902, gefusilleerd 2-5-1943.
  • Machiel van Marle, Zaandam, 8-4-1915, gefusilleerd 6-4-1945
  • Gerke G. Mastenbroek, Krommenie, 21-10-1898, overleden 1-6-1945.
  • Jan Neuteboom, Koog, 29-4-1903, gefusilleerd 4-6-1943.
  • Klaas Oosthuizen, Krommenie. 15-10-1899. omgekomen concentratiekamp Vught 26-9-1943.
  • Jan H. Op den Velde, Zaandam. 1-6-1901, omgekomen concentratiekamp 1945.
  • Geertruida Pel-Groot, Zaandam, 13-9-1889, omgekomen concentratiekamp 20-2-1945.
  • Theodorus Rijkhoff, Assendelft, 11-6-1914, gefusilleerd 2-5-1943.
  • Pieter Adrianus Smit, Zaandam, 25-9-1913, gefusilleerd 3-6-1944.
  • Dirk Stelling, Wormerveer, 18-4-1904, omgekomen concentratiekamp 16-7-1944.
  • Jan Stolp, Zaandam, 14-2-1909, Neuengamme 31-12-1944.
  • Josephus Swolfs, Zaandam, 8-5-1915, gefusilleerd 24-7-1944.
  • Jacobus C. Thomas, Wormerveer, 21-8-1909. gefusilleerd 4-6-1943.
  • Klaas van Veen, Krommenie, 13-2-1921, omgekomen concentratiekamp Dachau 13-7-1944.
  • Willem van 't Veer, Krommenie, 26-4-1911. omgekomen concentratiekamp 26-2-1945.
  • Gerrit Verdonk, Zaandijk, 11-8-1889, gefusilleerd 13-9-1944.
  • Klaas Versnel, Wormerveer, l7-2-1900, omgekomen concentratiekamp 20-2-1945.
  • Dirk de Vries, Koog, 10-6-1915, gefusilleerd 4-6-1943.
  • Cornelis van Vught, Zaandam, 27-7-1905, gefusilleerd 4-9-1944.
  • Gerard Wiersma, Krommenie, 12-2-1905, gefusilleerd 2-5-1943.
  • Jacob Willemszoon, Zaandam, 15-2-1894, overleden 3-1-1945.
  • Gerrit J. de Wit, Krommenie, 17-4-1899, omgekomen concentratiekamp 5-1-1945.
  • Cornelis Zwart, Zaandam, 12-2-1895, omgekomen concentratiekamp 1-2-1944.
  • Pieter J. Zwart, Wormerveer, 11-3-1909, overleden 5-4-1945.

W. Swart