arbeidsplaatsen

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisie Vorige revisie
Volgende revisie
Vorige revisie
arbeidsplaatsen [2015/11/19 11:41]
jan [Beschuitbakkerij]
arbeidsplaatsen [2019/04/29 20:29] (huidige)
82.74.36.146 ↷ Links aangepast vanwege een verplaatsing
Regel 2: Regel 2:
  
  
-Onder een arbeidsplaats wordt verstaan: een betaalde functie waarin meer dan 15 uur per week wordt gewerkt. De bedrijfsgrootte wordt (althans hier) bepaald door het aantal arbeidsplaatsen dat een bedrijf biedt. De werkgelegenheid wordt gevormd door het totaal aantal arbeidsplaatsen. Door optelling van het aantal arbeidsplaatsen binnen economische sectoren is inzicht te krijgen in de Werkgelegenheid die de verschillende bedrijfstakken door de eeuwen heen boden en thans bieden.+Onder een arbeidsplaats wordt verstaan: een betaalde functie waarin meer dan 15 uur per week wordt gewerkt. De bedrijfsgrootte wordt (althans hier) bepaald door het aantal arbeidsplaatsen dat een bedrijf biedt. De werkgelegenheid wordt gevormd door het totaal aantal arbeidsplaatsen. Door optelling van het aantal arbeidsplaatsen binnen economische sectoren is inzicht te krijgen in de Werkgelegenheid die de verschillende bedrijfstakken door de eeuwen heen boden en thans bieden.
  
 === Algemene inleiding === === Algemene inleiding ===
Regel 43: Regel 43:
 gehele 18e eeuw 50.  gehele 18e eeuw 50. 
  
-In de [[franse|Franse Tijd]] kwam een eind aan de Oostzeehandel. die toen al een eeuw kwijnde. ​+In de [[franse_tijd|Franse Tijd]] kwam een eind aan de Oostzeehandel. die toen al een eeuw kwijnde. ​
  
 === Stijfselmakerij === === Stijfselmakerij ===
Regel 49: Regel 49:
  
 === Beschuitbakkerij === === Beschuitbakkerij ===
-[{{:​beschuittoren.jpg?​200 |Beschuittoren,​ Wormer (uit: Zaanlandsch Jaarboekje)-}}] De [[beschuitbakkerij]] werd uitgevoerd in kleinschalige bedrijven. Desondanks hadden Jisp en Wormer (begin 17e eeuw nog de grootste Zaanse dorpen) voor een groot deel hun welvaart aan deze nering te danken. Na de ondergang van de bedrijfstak halveerde de bevolkingsomvang van beide dorpen. De bloeiperiode van de beschuitbakkerij lag in de eerste decennia van de 17e eeuw. Volgens sommi ge bronnen waren er in 1620 niet minder dan 150 bakkerijen in de twee dorpen. Het volgende staatje (ontleend aan [[lootsma|S. Lootsma]]) lijkt betrouwbaarder:​ 1612: 66 bakkerijen; 1624: 84; 1638: 56; 1648: 83; 1697: 32; 1706: 23; 1714: 22; 1722: 14; 1759: 3. Het is aannemelijk dat in iedere bakkerij een bakker en één of twee knechts werkten. Het Wormerse en Jisper beschuit werd tot over de grens met ventschepen gedistribueerd. Hiervan zijn er maximaal zeventig in de vaart geweest.  ​+[{{:​beschuittoren.jpg?​200 |Beschuittoren,​ Wormer (uit: Zaanlandsch Jaarboekje)-}}] De [[beschuitbakkerij]] werd uitgevoerd in kleinschalige bedrijven. Desondanks hadden Jisp en Wormer (begin 17e eeuw nog de grootste Zaanse dorpen) voor een groot deel hun welvaart aan deze nering te danken. Na de ondergang van de bedrijfstak halveerde de bevolkingsomvang van beide dorpen. De bloeiperiode van de beschuitbakkerij lag in de eerste decennia van de 17e eeuw. Volgens sommi ge bronnen waren er in 1620 niet minder dan 150 bakkerijen in de twee dorpen. Het volgende staatje (ontleend aan [[Lootsma|Sipke Lootsma]]) lijkt betrouwbaarder:​ 1612: 66 bakkerijen; 1624: 84; 1638: 56; 1648: 83; 1697: 32; 1706: 23; 1714: 22; 1722: 14; 1759: 3. Het is aannemelijk dat in iedere bakkerij een bakker en één of twee knechts werkten. Het Wormerse en Jisper beschuit werd tot over de grens met ventschepen gedistribueerd. Hiervan zijn er maximaal zeventig in de vaart geweest.  ​
  
 === Molenbouw === === Molenbouw ===
Regel 93: Regel 93:
  
  
-Tabel 1 geeft een overzicht van het aantal arbeidsplaatsen datde [[molenindustrie]] de Zaanstreek bood in respectievelijk 1630, 1731 en 1795 (dus niet van het aantal molens). De bedrijfsgrootte van de in molens uitgevoerde bedrijven verschilde. Van der *Woude geeft in 'Het Noorderkwartier,​ een overzicht (voornamelijk in navolging van [[boorsma|P. Boorsma]]; met als enige afwijking het aantal arbeidsplaatsen in papiermolens:​ Van der Woude noemt daarin veertig werknemers, Boorsma tussen de veertig en vijftig. Bij het samenstellen van de tabel is uitgegaan van 45 arbeidsplaatsen per papiermolen,​ het gemiddelde van Boorsma). Voor de overige in molens uitgeoefende bedrijven wordt de volgende gemiddelde bedrijfsgrootte aangehouden:​ zaagmolens: 5 arbeiders; pelmolens: 5; oliemolens: 6. Voor de andere bedrijven wordt een gemiddelde van vier arbeiders aangehouden. De molenindustrie kenmerkte zich door een verbazingwekkend snelle opkomst en een tragere neergang. ​In 1600 stonden er in de Zaanstreek nog slechts ​circa 25 molens ​(honderd ​arbeidsplaatsen). In 1615 bedroeg het aantal molens ​reeds 75 (400 arbeidsplaatsen): in 1795 bijna 500 molens ​(bijna 4000); in 1825 bijna 400 molens ​(ca. 3200); in 1850 350 molens ​(2800in 1875 325 molens ​(2600) en in 1900 155 molens ​(1240). Na de Eerste Wereldoorlog verdween de molenindustrie nagenoeg. ​+Tabel 1 geeft een overzicht van het aantal arbeidsplaatsen datde [[molenindustrie]] de Zaanstreek bood in respectievelijk 1630, 1731 en 1795 (dus niet van het aantal molens). De bedrijfsgrootte van de in molens uitgevoerde bedrijven verschilde. Van der *Woude geeft in 'Het Noorderkwartier,​ een overzicht (voornamelijk in navolging van [[boorsma|Pieter ​Boorsma]]; met als enige afwijking het aantal arbeidsplaatsen in papiermolens:​ Van der Woude noemt daarin veertig werknemers, Boorsma tussen de veertig en vijftig. Bij het samenstellen van de tabel is uitgegaan van 45 arbeidsplaatsen per papiermolen,​ het gemiddelde van Boorsma). Voor de overige in molens uitgeoefende bedrijven wordt de volgende gemiddelde bedrijfsgrootte aangehouden:​ zaagmolens: 5 arbeiders; pelmolens: 5; oliemolens: 6. Voor de andere bedrijven wordt een gemiddelde van vier arbeiders aangehouden. De molenindustrie kenmerkte zich door een verbazingwekkend snelle opkomst en een tragere neergang.\\  
 +Het aantal molen bedroeg: 
 +  * in 1600 circa 25 molens, 100 arbeidsplaatsen 
 +  * in 1615 reeds 75 molens, ​400 arbeidsplaatsen;  
 +  * in 1795 bijna 500 molensbijna 4000 arbeidsplaatsen; 
 +  * in 1825 bijna 400 molens ca. 3200 arbeidsplaatsen  
 +  * in 1850 350 molens ​en 2800 arbeidsplaatsen; ​  
 +  * in 1875 325 molens 2600 arbeidsplaatsen; ​  
 +  * in 1900 155 molens 1240 arbeidsplaatsen; ​  
 +Na de Eerste Wereldoorlog verdween de molenindustrie nagenoeg. ​
  
  
Regel 102: Regel 111:
  
 === Scheepsbouw === === Scheepsbouw ===
- ​Verbonden met de Oostzee- en houthandel werd de *scheepsbouw een belangrijke pijler van de Zaanse economie. Reeds in de 16e eeuw werden in Wormer en J isp veel (vooral kleinere) schepen gebouwd. Omstreeks 1630 waren er twintig scheepswerven in de Zaanstreek. Meteen gemiddelde grootte van veertig arbeiders leverden zij 800 arbeidsplaatsen op (A. *Loosjes). In 1670 waren er zestig scheepswerven (2400 arbeidsplaatsen;​ bijna twintig procent van de totale beroepsbevolking). Het aantal van veertig arbeidsplaatsen per werf is overigens niet zeker. Dr. S. *Hart gaat uit van gemiddeld 25 arbeiders per werf en komt zo op 630 arbeidsplaatsen in de scheepsbouw omstreeks 1730. Omstreeks 1750 was de Zaanse scheepsbouw reeds over zijn hoogtepunt. Loosjes spreekt van circa 24 werven (dus circa 1000 arbeidsplaatsen). ​ln 1785 zullen nog ten hoogste 500 arbeiders in de scheepsbouw hebben gewerkt. Voor de periode na 1790 spreken de bronnen elkaar tegen. Volgens sommi ge waren er na dat jaar geen Zaanse werven meer over; andere stellen dat in 1801 in Westzaandam alleen nog acht werven resteerden. Hoe het zij, na de *Franse tijd waren er geen werven in de Zaanstreek meer. Later zou opnieuw scheepsbouw in de Zaanstreek ontstaan (zie bijv. tabel 2) + ​Verbonden met de Oostzee- en houthandel werd de scheepsbouw een belangrijke pijler van de Zaanse economie. Reeds in de 16e eeuw werden in Wormer en Jisp veel (vooral kleinere) schepen gebouwd. Omstreeks 1630 waren er twintig scheepswerven in de Zaanstreek. Meteen gemiddelde grootte van veertig arbeiders leverden zij 800 arbeidsplaatsen op (A. *Loosjes). In 1670 waren er zestig scheepswerven (2400 arbeidsplaatsen;​ bijna twintig procent van de totale beroepsbevolking). Het aantal van veertig arbeidsplaatsen per werf is overigens niet zeker. Dr. S. *Hart gaat uit van gemiddeld 25 arbeiders per werf en komt zo op 630 arbeidsplaatsen in de scheepsbouw omstreeks 1730. Omstreeks 1750 was de Zaanse scheepsbouw reeds over zijn hoogtepunt. Loosjes spreekt van circa 24 werven (dus circa 1000 arbeidsplaatsen). ​ ​In  ​1785 zullen nog ten hoogste 500 arbeiders in de scheepsbouw hebben gewerkt. Voor de periode na 1790 spreken de bronnen elkaar tegen. Volgens sommi ge waren er na dat jaar geen Zaanse werven meer over; andere stellen dat in 1801 in Westzaandam alleen nog acht werven resteerden. Hoe het zij, na de *Franse tijd waren er geen werven in de Zaanstreek meer. Later zou opnieuw scheepsbouw in de Zaanstreek ontstaan (zie bijv. tabel 2) 
  
 === Zeildoekmakerij === === Zeildoekmakerij ===
Regel 117: Regel 126:
 === 19e eeuw === === 19e eeuw ===
  Vanaf 1811 is een duidelijker beeld te geven van het totaal aantal arbeidsplaatsen en de totale werkgelegenheid in de Zaanstreek. In de jaren vóór 1811 waren het aantal arbeidsplaatsen en de bevolkingsomvang met rasse schreden afgenomen. In 1795 kon het totaal aantal arbeidsplaatsen in de Zaanstreek worden geschat op 6500 à 7000; daar waren er in 1811 nog 5407 van over. Het merendeel van de Zaanse beroepsbevolking vond werk in de nijverheid (2.849 arbeidsplaatsen),​ vermoedelijk vooral in de molenindustrie. Dit cijfer lijkt niet te stroken met het eerder genoemde aantal van 3200 werknemers in de molenindustrie in 1825. In de Franse registres civiques worden evenwel nogmaals 755 werknemers in de nijverheid genoemd; het merendeel van hen moet eveneens werk in de molens hebben gevonden. In 1811 waren er in de landbouw en visserij 610 arbeidsplaatsen geregistreerd,​ in handel en verkeer 759 en in maatschappelijke diensten 434. In deze aantallen veranderde gedurende de 19e eeuw weinig. In de jaarverslagen (die de gemeenten vanaf 1851 moesten bijhouden)  Vanaf 1811 is een duidelijker beeld te geven van het totaal aantal arbeidsplaatsen en de totale werkgelegenheid in de Zaanstreek. In de jaren vóór 1811 waren het aantal arbeidsplaatsen en de bevolkingsomvang met rasse schreden afgenomen. In 1795 kon het totaal aantal arbeidsplaatsen in de Zaanstreek worden geschat op 6500 à 7000; daar waren er in 1811 nog 5407 van over. Het merendeel van de Zaanse beroepsbevolking vond werk in de nijverheid (2.849 arbeidsplaatsen),​ vermoedelijk vooral in de molenindustrie. Dit cijfer lijkt niet te stroken met het eerder genoemde aantal van 3200 werknemers in de molenindustrie in 1825. In de Franse registres civiques worden evenwel nogmaals 755 werknemers in de nijverheid genoemd; het merendeel van hen moet eveneens werk in de molens hebben gevonden. In 1811 waren er in de landbouw en visserij 610 arbeidsplaatsen geregistreerd,​ in handel en verkeer 759 en in maatschappelijke diensten 434. In deze aantallen veranderde gedurende de 19e eeuw weinig. In de jaarverslagen (die de gemeenten vanaf 1851 moesten bijhouden)
- komt voornamelijk de mededeling “is ongewijzigd gebleven'​ voor. De aanleg van het Noordhollands Kanaal betekende nauwelijks een stimulans, terwijl het dichtslibben van de Zaan de economie schaadde. Voorts had conservatisme van de ondernemers (lang werd vastgehouden aan de wind als krachtbron) een negatieve invloed. ​ln 1850 en 1875 was de molenindustrie nog steeds de belangrijkste werkverschaffer. In Krommenie beleefde de zeildoekmakerij nieuwe bloei; alleen al 600 Assendelvers vonden hierdoor werk. In Westzaan werkten 110 arbeiders in twee lakmoes-blauwsel fabrieken. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam toch de overgang op stoom en daarmee de groei naar een omvangrijkere bedrijfsgrootte. In 1890 waren er in de Zaanstreek nog 61 houtzagerijen,​ waarvan 21 op stoom zaagden. De stoomhoutzagerijen hadden 274 werknemers; de windhoutzaagmolens 129. De twee stoompellerijen hadden 43 werknemers in dienst; de 25 pelmolens 85. Olie werd nog grotendeels door windkracht verkregen. De 45 molens boden werk aan 176 arbeiders boven de 16 jaar en 52 jongens onder die leeftijd. ​+ komt voornamelijk de mededeling “is ongewijzigd gebleven'​ voor. De aanleg van het Noordhollands Kanaal betekende nauwelijks een stimulans, terwijl het dichtslibben van de Zaan de economie schaadde. Voorts had conservatisme van de ondernemers (lang werd vastgehouden aan de wind als krachtbron) een negatieve invloed. ​ ​In  ​1850 en 1875 was de molenindustrie nog steeds de belangrijkste werkverschaffer. In Krommenie beleefde de zeildoekmakerij nieuwe bloei; alleen al 600 Assendelvers vonden hierdoor werk. In Westzaan werkten 110 arbeiders in twee lakmoes-blauwsel fabrieken. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam toch de overgang op stoom en daarmee de groei naar een omvangrijkere bedrijfsgrootte. In 1890 waren er in de Zaanstreek nog 61 houtzagerijen,​ waarvan 21 op stoom zaagden. De stoomhoutzagerijen hadden 274 werknemers; de windhoutzaagmolens 129. De twee stoompellerijen hadden 43 werknemers in dienst; de 25 pelmolens 85. Olie werd nog grotendeels door windkracht verkregen. De 45 molens boden werk aan 176 arbeiders boven de 16 jaar en 52 jongens onder die leeftijd. ​
  
 === 20e eeuw === === 20e eeuw ===
Regel 190: Regel 199:
  
 === Slotopmerkingen === === Slotopmerkingen ===
-{{ :​tab6.jpg|}} In de hier gevolgde gedachtengang wordt bedrijfsgrootte bepaald door het aantal arbeidsplaatsen (dus banen van meer dan vijftien uur per week) dat een bedrijf biedt. Ten onrechte wordt vaak verondersteld dat in het industriegebied de Zaanstreek de meeste arbeidsplaatsen te vinden zijn in de grote industriële ondernemingen. Hiervoor bleek reeds dat de dienstensector thans meer werk biedt dan de nijverheid. Uit tabel 6 blijkt dat in 1985 nog 36 procent van het totaal aantal arbeidsplaatsen was te vinden in bedrijven met meer dan honderd werknemers; meer dan de helft van dit percentage werkte in de dienstverlening. Het totaal aantal arbeidsplaatsen bij ondememingen of diensten met meer dan honderd werknemers neemt af ten gunste van bedrijven of instellingen met minder dan 10 personeelsleden. Laatstgenoemde groep zorgde in 1985 voor bijna 25% van de Zaanse werkgelegenheid via ruim 4.250 vestigingen. Wordt de sector industrie afgezonderd,​ dan blijkt dat hier in 1985 nog altijd meer dan de helft van het aantal arbeidsplaatsen was te vinden in vestigingen met meer dan honderd personeelsleden. De grote bedrijven - 29 in totaal - gaven werk aan 8.371 personen. ​ln de dienstensector waren de meeste arbeidsplaatsen te vinden bij de middelgrote bedrijven. In de 351 bedrijven en instellingen in de dienstensector met een personeelsbestand tussen tien en 99, vonden meer dan 9.000 personen hun werk. In de tweede helft van de jaren'​80 groeide het aantal kleine bedrijven licht. Daarentegen verloren de middelgrote bedrijven of instellingen in de dienstverlening ongeveer 1.000 arbeidsplaatsen en de grote bedrijven 3.000. ​+{{ :​tab6.jpg|}} In de hier gevolgde gedachtengang wordt bedrijfsgrootte bepaald door het aantal arbeidsplaatsen (dus banen van meer dan vijftien uur per week) dat een bedrijf biedt. Ten onrechte wordt vaak verondersteld dat in het industriegebied de Zaanstreek de meeste arbeidsplaatsen te vinden zijn in de grote industriële ondernemingen. Hiervoor bleek reeds dat de dienstensector thans meer werk biedt dan de nijverheid. Uit tabel 6 blijkt dat in 1985 nog 36 procent van het totaal aantal arbeidsplaatsen was te vinden in bedrijven met meer dan honderd werknemers; meer dan de helft van dit percentage werkte in de dienstverlening. Het totaal aantal arbeidsplaatsen bij ondememingen of diensten met meer dan honderd werknemers neemt af ten gunste van bedrijven of instellingen met minder dan 10 personeelsleden. Laatstgenoemde groep zorgde in 1985 voor bijna 25% van de Zaanse werkgelegenheid via ruim 4.250 vestigingen. Wordt de sector industrie afgezonderd,​ dan blijkt dat hier in 1985 nog altijd meer dan de helft van het aantal arbeidsplaatsen was te vinden in vestigingen met meer dan honderd personeelsleden. De grote bedrijven - 29 in totaal - gaven werk aan 8.371 personen. ​ ​In  ​de dienstensector waren de meeste arbeidsplaatsen te vinden bij de middelgrote bedrijven. In de 351 bedrijven en instellingen in de dienstensector met een personeelsbestand tussen tien en 99, vonden meer dan 9.000 personen hun werk. In de tweede helft van de jaren'​80 groeide het aantal kleine bedrijven licht. Daarentegen verloren de middelgrote bedrijven of instellingen in de dienstverlening ongeveer 1.000 arbeidsplaatsen en de grote bedrijven 3.000. ​
  
  
 === Literatuur: === === Literatuur: ===
-<​list-group>​+
   * A.M. van der Woude, \\ //Het Noorderkwartier//,​ Utrecht, 1983;    * A.M. van der Woude, \\ //Het Noorderkwartier//,​ Utrecht, 1983; 
   * A. van Braam, \\ //Bloei en verval van het economisch-sociale leven aan de Zaan//, Wormerveer, z.j.;    * A. van Braam, \\ //Bloei en verval van het economisch-sociale leven aan de Zaan//, Wormerveer, z.j.; 
Regel 202: Regel 211:
   * Sociografisch bureau der gemeente Zaandam,​\\ ​ // Een eeuw Zaandam 1870-1970//,​ Zaandam, 1949.  ​   * Sociografisch bureau der gemeente Zaandam,​\\ ​ // Een eeuw Zaandam 1870-1970//,​ Zaandam, 1949.  ​
  
-</​list-group>+ 
 + 
 +{{tag>economie}} 
 + 
 + 
 +{{tag>​actualiseren}} 
  
  • arbeidsplaatsen.1447929706.txt.gz
  • Laatst gewijzigd: 2015/11/19 11:41
  • door jan