bestuur:bestuur_en_rechtspraak_1



1.1. Algemeen

1.1.1. Het gewest Kennemerland

De Zaanstreek maakt nu deel uit van de provincie Noord-Holland. Deze naam is pas in de 19e eeuw aan dit gewest gegeven. In de middeleeuwen werd met de naam Noord-Holland het gebied ten zuiden van de tegenwoordige grens met de provincie Zuid-Holland bedoeld. Het gebied dat nu Noord-Holland wordt genoemd bestond, globaal, uit de gewesten Kennemerland, West-Friesland, Waterland en de Zeevang, Amstelland dat oorspronkelijk tot Utrecht behoorde, en het Gooi dat in de 13e eeuw bij Holland werd gevoegd.

De Zaanstreek behoorde tot Kennemerland, een gewest dat zich naar het oosten uitstrekte tot aan Purmerend. Hier wordt dan gesproken over een tijd waaruit ons reeds schriftelijke gegevens ten dienste staan. In de laatste jaren zijn er heel oude bewoningssporen in de Zaanstreek voor de dag gekomen, maar deze archeologische vondsten leren ons weinig of niets over het bestaan van georganiseerde dorpsgemeenschappen. De oevers van de Zaan leenden zich niet voor bewoning en de woonkernen Oostzaan en Westzaan ontstonden dan ook op een behoorlijke afstand daarvandaan. Aannemelijk is dat het land ten oosten van de duinen vanuit het duingebied in exploitatie is genomen.

1.1.2. Germania, tot de 5e eeuw

Tot circa de 5e eeuw behoorde Kennemerland tot Germania. Wat met de naam 'Germania' wordt betitelt is niet anders dan een verzameling van aparte stammen. Eén daarvan, de Friezen, bewoonde het kustgebied zelfs tot in Frankrijk. Zij werden door de Franken onderworpen, tenminste voor wat betreft het gebied beneden de Oude Rijn, die toen bij Katwijk in zee stroomde. Voor de ontwikkeling van bestuur en rechtspraak kijken we dus eerst naar de Germaanse tijd.

De verschillende Germaanse stammen hadden geen gemeenschappelijk bestuur en rechtspraak; er was slechts sprake van een stamrecht. De eerste mededelingen hierover zijn te vinden in het boek Germania van de beroemde Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (56-117). Hij schreef in het Latijn en gebruikte dus Latijnse namen voor de instellingen die hij aantrof. Hij weet dat de stam of civitas verdeeld was in pagi of gouwen, die op hun beurt weer bestonden uit een aantal vici. De naam gouw heeft vermoedelijk betrekking op de militaire indeling die een duizendschap inhoudt, die op zijn beurt weer verdeeld was in honderdschappen of centenae. Deze hadden een Centenarius als aanvoerder, tevens hoofd van het rechtsdistrict. De centenae werd gevormd door de gezinshoofden. Het gezin was dus toen de hoeksteen van de samenleving.

Reconstructie-tekening van een driebeukig hallehuis uit het begin van de jaartelling naar archeologische gegevens (tekening uit S. de Jong en J. Schipper uit: Gebouwd in de Zaanstreek)

Aan het hoofd van de stam stond vaak een koning, een rex, die door het volk werd gekozen. Aan het hoofd van een gouw stond een gouwvorst, een princeps. Bestuur en rechtspraak waren niet gescheiden. De vrije mannen kwamen bijeen in het concilium civitatis, de grote volksvergadering, maar ook in kleinere stambijeenkomsten. Men kende reeds een indeling naar standen: edelen, vrijen, half-vrijen en knechten. Om aan de volksvergadering deel te nemen, moest men vrij zijn en in het bezit van grond. Ook was het een vereiste dat men gezinshoofd was. In het concilium civitatis werd rechtgesproken, gehandeld over oorlog en vrede, zo nodig een gouwvorst gekozen en werden andere bestuurszaken behandeld.

De rechtspraak vond plaats in de open lucht op het Dingstal. Dit woord is nog terug te vinden in de dag aanduiding dinsdag of Dinges-dag. Op de rechtszitting werd het vonnis door de Oordeelvinder voorgesteld en door de Omstanders goedgekeurd, waarna het door de rechter ten uitvoer werd gelegd. Bij vonnissen moet niet alleen aan strafzaken worden gedacht; overdracht van onroerend goed werd ook in de vorm van een vonnis gegoten, waarbij aan de verkoper het verkochte werd ontzegd en het aan de koper werd toegewezen. Soms was er een vaste Oordeelvinder, die het vonnis moest voorstellen. Deze werd Asega genoemd, 'a' is recht, 'sega' is zeggen.

1.1.3. De Frankische periode, tot de 10e eeuw

Het hoogste gezag berustte bij de Koning, wiens macht groter was dan die van het oud-Germaanse stamhoofd. Het koningschap werd erfelijk, zodat de oud-Germaanse koningskeuze niet meer plaats vond. De koning was opperste rechter, hoofd van de rijksadministratie en soms trad hij als wetgever op. Het rijk was verdeeld in gouwen, pagus, comitatus, ducatus. De hoofden van deze gouwen werden door de koning benoemd en droegen de naam van de graaf of comes. De oudste Hollandse graven heetten dan ook Comes Frisiae, graven van Friesland.

Aanvankelijk was het gravenambt niet erfelijk. De graven werden door de koning benoemd en ontslagen; later werden zij met hun graafschap beleend, waarna het ambt erfelijk geworden is. De graaf stelde een Centenarius of Hunno aan als voorzitter van de honderdschap, die als aangesteld ambtenaar schout werd genoemd. Het oude systeem van rechtspraak werd gehandhaafd, met dien verstande dat er soms één oordeelvinder of asega was, en soms een college van zeven oordeelvinders, die al in de tijd van Karel de Grote de naam schepenen kregen. Tijdens de Frankische periode kwam het leenstelsel op. Eerst in de hogere regionen: graven en bisschoppen werden beleend door de vorst. In de volgende landsheerlijke tijd drong het ook in de lagere regionen door.

1.1.4 Landsheerlijke periode, 10e - 16e eeuw

Deze tijd werd gekenmerkt door het leenstelsel, waarmee veranderingen in de rechtspraak gepaard gingen. De Hollandse Graven waren van huis uit leenmannen van de Duitse keizer. Zij wisten zich aan diens gezag te ontworstelen, zodat de band met de Keizer een term zonder inhoud werd. In hun eigen gebied Holland verstevigden zij hun macht. Was er vroeger een volksgerecht, dit ging langzaam over in een ambtenarengerecht. De Omstanders begonnen weg te blijven, uit hun midden werd een vast College van Oordeelvinders gevormd onder de naam van Schepenen.

Graaf Floris V gaf op 21 maart 1292 een nieuw landrecht aan Kennemerland, dat gezien wordt als de basis van een nieuwe organisatie van de rechtspraak. De Asega werd vervangen door een door de Graaf benoemde Schout. Recht gesproken werd door de Schepenen, meestal zeven in getal. De naam schepen werd al in de Karolingische tijd gebruikt, maar het bestaan van een gerecht, gevormd door schout en schepenen werd nu door het landsgerecht voorgeschreven. De Schout was voorzitter van het gerecht.

Zijn taak is enigszins te vergelijken met die van een Officier van Justitie en van een burgemeester. Recht en bestuur waren niet gescheiden. Bij de benoemingen van schouten werd door de graaf meer gekeken naar het financieel voordeel dat de grafelijke kas daarbij had, dan naar bekwaamheid. Het ambt werd namelijk door de Graaf verpacht aan de meestbiedende. Dat dit leidde tot ambtsmisbruik is duidelijk. De dorpsgerechten deden alleen in kleinere criminele en civiele zaken recht. Meestal mocht de boete niet hoger zijn dan 42 schellingen. Men kon tegen een vonnis in beroep gaan bij de hoge vierschaar, het baljuwsgerecht, gevormd door Baljuw en leenmannen. Dit gerecht behandelde dus de zwaardere zaken en ook wel kwesties in eerste aanleg, die niet door het dorpsgerecht behandeld mochten worden.

De Baljuw werd door de Graaf benoemd; wat ook aanleiding gaf tot allerlei misbruiken. De naam baljuw kwam in ons gewest pas in de 13e eeuw in gebruik. Allerlei zaken konden door de Graaf in leen gegeven worden: grond, visserijrechten, tienden enzovoort. Het voornaamste leenobject was echter het overheidsgezag. Vaak leende de Graaf geld en gaf dan het schoutambacht in onderpand. De geldgever mocht dan het schoutambt uitoefenen tot de geleende som terugbetaald was.

Een verder gaande vorm van in onderpand geven was belening met het schoutambacht. De geldschieter kreeg dit in leen voor een aantal jaren of het was zelfs erfelijk. Er ontstond dan een Ambachtsheerlijkheid, en de crediteur mocht zich dan ambachtsheer noemen. Hij fungeerde zelf als schout; soms, maar niet altijd, mocht hij een onderschout aanstellen. Omdat hij bijvoorbeeld in de rechtspraak beperkte rechten had, hij mocht geen hogere boeten opleggen dan tot een bepaald bedrag, meestal 42 schellingen, spreekt men van een lage heerlijkheid.

Een andere mogelijkheid was dat de graaf een ambachtsheerlijkheid in leen gaf aan iemand die hem op andere wijze van dienst was geweest. Ook het baljuwschap kon om dezelfde redenen overgaan in een erfelijk leen. Aangezien de Baljuw de hoge jurisdictie uitoefende, spreekt men in zo'n geval van een hoge heerlijkheid. Na deze korte schets van de ontwikkeling van bestuur en rechtspraak in het gewest Kennemerland, wordt hieronder beschreven hoe de Zaanstreek in dit systeem paste.

1.2. Zaanstreek

1.2.1. Zaanden

Wat de oudste geschiedenis van de Zaanstreek betreft laten de schriftelijke bronnen ons in de steek. Dit kan twee oorzaken hebben: of deze bronnen ontbreken geheel, of de streek kon niet bogen op spectaculaire gebeurtenissen, met andere woorden: zij was te onbelangrijk om in één of ander verband in de geschriften genoemd te worden. Ten aanzien van de Zaanstreek spelen beide factoren een rol.

In een snel tempo wordt dankzij de archeologie onze kennis omtrent het bestaan van prehistorische nederzettingen uitgebreid. Er is vastgesteld dat periodes van bewoning werden afgewisseld door niet-bewoning. Voor het bestaan van een georganiseerde nederzetting is continuïteit in bewoning noodzakelijk. Deze continuïteit wordt in de Zaanstreek gevonden bij de nederzetting Zaanden. Op De Hem bij Zaandam, bij de Hembrug werden de restanten van een kerkgebouw en een begraafplaats aangetroffen. Een uitgeholde boomstam met een skelet wees aanvankelijk op de Frankische tijd, maar het staat wel vast dat dergelijke begravingen ook veel later nog voorkwamen.

Het dorp Zaanden werd in 1155 door de Westfriezen verwoest. Hulp uit Osdorp en Haarlem wist de aanvallers te verdrijven, maar Zaanden werd niet meer opgebouwd. Hiervoor is betoogd dat de exploitatie van de streken ten oosten van het duingebied heeft plaatsgevonden vanuit de hooggelegen zandgronden. Uit de gebeurtenissen van 1155 blijkt al dat de Haarlemmers belang hadden bij het voortbestaan van Zaanden. Dit zou wonderwel kloppen met het feit dat er een heerlijkheid Zaanden bestaan moet hebben die aan een geslacht toebehoorde dat de naam Van Zaanden droeg, maar een wapen voerde dat sterk gelijkt op dat van de Van Haarlem's. Aannemelijk is dan ook dat deze laatstgenoemde familie, de aanzienlijkste van geheel Kennemerland, verantwoordelijk gesteld moet worden voor de ontginning van de Zaanstreek. Zij zal de exploitatie hebben overgelaten aan een jongere zoon die de naam Van Zaanden ging dragen. Uit de 13e eeuw kennen we twee Van Zaandens. In een oorkonde van 1 december 1280 wordt Jan van Zaanden neef genoemd van Willem van Haarlem, zoon van heer Symon van Haarlem, ridder.

De dood van Willem van Zaanden, 1296.

De tweede die genoemd wordt is Willem van Zaanden, die als medeplichtige aan de moord op graaf Floris V te boek staat. Die beschuldiging wordt ondersteund door het feit dat de beruchte Gerard van Velsen van de graaf van Holland de visserij in de Zaan in leen hield; hij was dus blijkbaar aan Willem verwant. Willem van Zaanden bekocht zijn mede-daderschap met de dood en verlies van zijn bezittingen.

Daaronder was niet inbegrepen het huis te Zanen, gelegen in Schoten ten noorden van Haarlem, met de daarbij behorende ambachtsheerlijkheid. Dit Zanen was dus waarschijnlijk geen persoonlijk bezit van Willem van Zaanden, maar van een gezagsgetrouw familielid. Wel wijst het feit dat dit huis onder de rook van Haarlem lag op de verwantschap van de Van Zaanden's met de Van Haarlems Of de heerlijkheid Zaanden, bij de Zaan, een kasteel bezat, is niet zeker. Er wordt geen melding van gemaakt bij de wraakactie tegen de moordenaars van de graaf.

Toch vinden we in latere bronnen het hof, gelegen in de reeds genoemde Hemlanden bij het Noordzeekanaal vermeld. Het woord hof duidt vaak op de aanwezigheid van een verdedigbaar centrum in een nederzetting. Bij het woord hoflanden denkt men aan zo'n centrum dat misschien bestond uit een woontoren bij een min of meer versterkte hoeve. Het ligt wat minder voor de hand om bij het woord hof te denken aan een kerkhof.

Over de omvang van de heerlijkheid Zaanden zijn we tamelijk goed ingelicht. Naar het zuiden lag de grens in het IJ, de eilandjes Zaanderhorn en Ruigoord behoorden ertoe. Aangetekend kan worden dat het dorp Sloten, gelegen aan de overkant van het IJ, aan de Van Haarlem's toebehoorde. In het westen grensde Zaanden aan Assendelft. Meer naar het noorden zullen Krommenie en Krommeniedijk er ook toe behoord hebben, want zij vormden met Westzaan steeds één schoutsambt.

De positie van Oostzaan is lang omstreden geweest. Hoorde dit dorp tot de heerlijkheid Zaanden? Adriaan Loosjes meende van niet en voor zijn mening valt veel te zeggen. Een oorkonde van 21 juni 1308 maakt dit duidelijk: De graven konden naar willekeur over verbeurd verklaarde goederen beschikken en deze geven aan wie zij wilden. In dat licht is het niet verwonderlijk dat graaf Willem op genoemde datum al het goed, waar dat ook gelegen is, afkomstig van Willem van Zaanden, aan zijn broer heer Jan van Beaumont gaf. Daar behoorde Oostzaan niet bij, dus dit dorp was niet in het bezit van Willem van Zaanden.

1.2.2. Handvesten en privileges Westzaanden en Crommenie

De heerlijkheid Zaanden zal, zoals hiervoor (in 1.2.1.) uiteengezet is, Kennemerrecht en -bestuur gekend hebben en behoord hebben tot het baljuwschap Kennemerland. Dat veranderde toen heer Jan van Beaumont verschillende heerlijkheden verkreeg, waaronder Zaanden. Hij verenigde deze tot één baljuwschap, meestal 'Baljuwschap van der Wijk' (is Beverwijk) genoemd, doch later komt ook de naam Baljuwschap van Bloys voor. De zetel hiervan was Beverwijk. Halsmisdrijven gepleegd in Westzaan, en ook zaken in hoger beroep en enkele in eerste aanleg, werden behandeld door de baljuw en leenmannen, de hoge vierschaar van Beverwijk. Soms werd er ook elders recht gesproken, want het handvest van 1346 vermeldt dat, wanneer er een doodslag gepleegd is in het schoutsambacht van Westzaan, de Baljuw met zijn mannen, de hoge vierschaar, daarheen zal reizen om de zaak te berechten 'als zeede ende gewoonte aldaer voortijdts heeft geweest`.

Heer Jan van Beaumont (tekening van Piet Hein Zijl voor 'Onvoltooid Verleden'.

Dit handvest van 1346 is niet het oudste dat er geweest moet zijn, want het privilege is door Jan, heer van Beaumont, verleend aan Westzaanden en Crommenie, omdat de oude handvesten verbrand waren. Er wordt niet bij gezegd waar en wanneer die brand heeft plaatsgevonden. Een onvervangbaar verlies had die brand niet veroorzaakt, want het handvest van 1346 was een vervanging van het oude, zodat men mag aannemen dat de inhoud van de nieuwe akte gebaseerd zal zijn geweest op de oude. Men vindt er bijvoorbeeld de tolvrijheid in, die alleen een herhaling is van een oudere verlening van tolvrijheid. De inwoners mochten door heel Holland en Zeeland trekken en handel drijven zonder de gebruikelijke tolrechten te betalen.

Van belang is ook dat de schepenen de jurisdictie hadden over dijken, sluizen en wateren, waaruit af te leiden valt dat waterschapsrecht tot de bevoegdheden van de schepenen behoorde en dat er geen aparte heemraden waren. Jan, heer van Beaumont, stierf in 1356. Zijn erfdochter Johanna was met Lodewijk van Chatillon, graaf van Bloys, getrouwd. Lodewijk overleed in 1346 en zijn broer, graaf Jan van Chatillon, was zijn erfgenaam. Deze liet bij zijn dood in 1381 Westzaan na aan zijn broer Guy van Chatillon. Laatstgenoemde was zijn onderdanen in Westzaan en Crommenie welgezind: hij verbeterde het handvest dat door Jan, heer van Beaumont, gegeven was op 31 december 1396. De op één na laatste bepaling van dit nieuwe handvest handelt over het wedderecht of pandrecht. Daarvan wordt gezegd dat een rechter zaken over dit punt zal berechten te Westzaan bij de 'kercke op ten dingstal' en te Krommenie 'bij der capelle'.

Daar graaf Guy van Chatillon in 1397 kinderloos overleed kwamen Westzaan en Crommenie weer terug bij het graafschap Holland, in de persoon van hertog Albrecht van Beieren, die de door zijn voorgangers verleende privileges bevestigde op 13 maart 1398. Eén min of meer belangrijke wijziging bracht hij aan. Een bepaling van het oude handvest luidde dat de schout geen onderschout mocht aanstellen zonder toestemming van de buren. Hertog Albrecht schrapte deze concessie en eiste dat hijzelf of zijn stadhouder toestemming voor een dergelijke benoeming moest geven.

Af en toe waren aanvullingen of soms ook herhalingen van bestaande voorschriften nodig. In dat licht moet een handvest van 30 juni 1400 worden gezien. Hierin werd bepaald: als de baljuw van Beverwijk, waaronder Westzaan en Crommenie ressorteerden, iemand aanklaagde wegens breuken groot of klein, waarop een straf van lijf of lede stond, of ook boetes, dan moest de schout van Westzaan een rechtsdag vaststellen te houden op de dingstal, rechtplaats, van Westzaan. Als op die zitting bleek dat de onderhavige kwestie behoorde tot de competentie van de schouten schepenen, mocht de baljuw zich er verder niet mee bemoeien. Waren de schout en schepenen niet gerechtigd de zaak zelf af te doen, de meer belangrijke zaken, dan moesten zij die doorverwijzen naar de baljuw. Het wordt niet duidelijk gezegd, maar het is aannemelijk dat de baljuw recht sprak in Beverwijk. Als de baljuw iemand die van breuken beticht werd, wilde arresteren, mocht de arrestant een borg stellen dat hij op de door de baljuw vastgestelde rechtsdag zou verschijnen.

Indien de baljuw niet akkoord ging met de gestelde borg(en) hadden de dorpsgenoten de vrijheid een aangeklaagde dorpsgenoot bij zich in het dorp te houden tot de rechtsdag toe. Het is bekend dat de kerk de neiging had om de rechtspraak in wereldlijke zaken tot zich te trekken. Zoals de graven van Bloys ook al hadden gedaan beloofde hertog Albrecht van Beieren zijn onderdanen daartegen te beschermen. Hij zou niet gedogen dat zij 'mitten gheestelijcken rechte' ten onrechte in moeilijkheden raakten. Nieuw in het handvest van 1400 was dat de aan de hertog te betalen bede vijftig pond zou bedragen. Het woord bede betekent een vrijwillige bijdrage van de onderdanen van de graaf, hetgeen later ook tot een vaste last werd.

Ook nieuw was dat als de dorpen tot heervaart of dienstplicht werden opgeroepen, Westzaan en Krommenie tezamen vijftien mannen moesten aanwijzen om die taak te vervullen. Een nogal curieuze brief, d.d. 29 augustus 1399, mag niet onvermeld blijven. Hertog Albrecht had aan zijn zoon, Willem graaf van Oostervant, allerlei bezittingen voor zijn levensonderhoud gegeven. Dat zal tenminste zijn bedoeling zijn geweest. Maar Willem had blijkbaar veel geld nodig en ging ertoe over zijn verkregen bezit in Westzaan te verkopen. Behalve landerijen gelegen in Westzaan, werden ook verkocht: het schot (belasting) van Westzaan en Krommenie, het veer te Westzaan, de sluis in de Noorddam en de tienden van Westzaan. Vier inwoners van Amsterdam waren de kopers, zodat de belastinggelden te Westzaan en Krommenie de zakken gingen vullen van Amsterdammers! Dit was blijkbaar heel gewoon, in een tijd dat staatskas en privékas van de Hollandse graven niet gescheiden waren.

1.2.3. Verlies en herstel privileges en handvesten

Zwaar moest Westzaan boeten voor het feit dat het dorp in de strijd om de macht tussen gravin Jacoba van Beieren, Vrou Jacob, en hertog Philips van Bourgondië partij koos voor Jacoba: alle handvesten en privileges werden ingetrokken, voortaan moest van elke haardstede een jaarlijkse boete betaald worden, het zogenaamde haardstedegeld. Wapens en harnassen mochten niet meer gedragen worden, men mocht die zelfs niet in huis hebben. Bijzonder grievend was wel dat een man aangewezen moest worden over wiens leven en bezit de hertog naar believen zou mogen beschikken.

De opgelegde boete mocht in termijnen betaald worden. Voor de betaling van een termijn van 1300 gouden Franse kronen werd op 9 januari 1427 een kwitantie afgegeven. Hertog Philips was nu wel machthebber in Holland en Zeeland, maar kon zijn familie niet in de steek laten. Hij moest voorzien in het levensonderhoud van Margaretha van Bourgondië, moeder van gravin Jacoba, die zelfs haar dochter overleefde; zij stierf pas in 1441. Hertog Philips wees haar goederen toe, waaruit zij haar levensonderhoud kon bekostigen, een lijftocht of duwarie genoemd. Daartoe behoorden Westzaan en Krommenie, waar zij dus gedurende die tijd het overheidsgezag kon uitoefenen. Na haar dood zou het gehele bezit weer terugkomen aan de graven van Holland, in dit geval hertog Philips.

Margaretha mocht van hertog Philips alle verbeurd verklaarde privileges in haar gebied teruggeven en ook haar onderdanen ontslaan van de verplichting haardstedegeld te betalen, zolang zij leefde. Op 19 februari 1439 maakte zij, residerende te Teijlingen, van dit verlof gebruik. Uit de akte blijkt dat de dorpen Westzaan en Krommenie haar een heuschede, een geschenk in geld, hadden gebracht. Dit bewoog haar om de privileges terug te geven en de betaling van het haardstedegeld op te heffen. Niet alleen het cadeau, maar ook de grote lasten en armoede waaronder haar onderdanen te lijden hadden, speelden hierbij een rol. Beide partijen waren dus met dit genereuze gebaar gediend. Dat was echter maar zeer tijdelijk, want Margaretha overleed al twee jaar later, op 8 maart 1441 te Le Questroy in Frankrijk. Het baljuwschap van Bloys, waartoe onder andere Westzaan en Krommenie behoorden, kwam toen weer onder het directe gezag van hertog Philips de Goede.

Het duurde echter tien jaar voor het nieuw verworven gebied in de aandacht kwam. Op 3 maart 1452 schreef de hertog in een brief aan 'allen luijden, hoedat om de liefde die wij hebben ende dragen tot onse goede luijden ende ondersaten van Westzaanden ende van Crommenie'. In de volgende woorden komt de ware reden van deze sympathiebetuiging voor de dag. Beide dorpen hadden voor een periode van tien jaren aan de hertog een bede, een verzoek om geld, toegestaan. Daar moest de hertog iets tegenover stellen. Hij stond toe dat zij tien jaar hun handvesten en rechten weer mochten gebruiken. Bij overstroming of deelname aan een krijgstocht werden zij vrijgesteld van betaling van bede. Verheugd zal men zijn geweest over een uitdrukkelijk verbod om aan de baljuw steekpenningen in de vorm van gelden voor ambtelijke bezoeken, beden of heuscheden te betalen. Belangrijker was dat in een brief van 11 maart 1452 de hertog de verkiezing van schepenen, kerkmeesters, schotvangers, waarschappen en het schouwen van de dijken regelde.

1.2.4. Ambten in de banne Westzaan, ontstaan dorpen aan de Zaan

Voor het bestuur van de banne leverde Westzaan zeven en Krommenie drie schepenen. Deze werden verkozen op Goede Vrijdag in de kerk na de Hoogmis, door de aftredende schepenen en de oud-schepenen. Bij staking van stemmen mocht de schout mee stemmen. Ook moest hij de voor één jaar gekozen schepenen beëdigen. Om tot schepen gekozen te worden moest men een zeker vermogen hebben, meestal bestaande uit grondbezit. Oorspronkelijk moest men één schotpond bezitten, later een kwart.

Eveneens op Goede Vrijdag mocht de cureijt, pastoor of vice-cureijt met de zeven schepenen en de oude kerkmeesters, twee nieuwe kerkmeesters kiezen, om de kerkgoederen een jaar lang ter ere Gods te beheren. De zeven schepenen mochten met de schout vier schotvangers, belastinginners, aanstellen. De schout mocht niet op eigen houtje recht spreken. Zaken die niet in aanmerking kwamen voor berechting door schepenen, moesten verwezen worden naar de baljuw en diens vierschaar te Beverwijk. Verder waren er nog enige bepalingen over het schouwen van de dijken en het houden van een panddag. Op 12 oktober 1453 werden deze bepalingen aangevuld voor het geval een schepen ziek zou worden, zou sterven, of de banne tijdens zijn ambtsperiode zou verlaten.

Op 12 maart 1456 verzoende de hertog zich eindelijk met de Kennemers, waarbij Westzaan en Krommenie apart genoemd werden. De betaling van het haardstedegeld werd beëindigd. De hertog gaf niet alleen de verbeurd verklaarde handvesten en privileges terug, maar bevestigde dit en beloofde ook dat beide dorpen voor altijd deel zouden uitmaken van het graafschap en nooit meer in leen uitgegeven zouden worden. Verder werden in het handvest nog allerlei aanvullende bepalingen opgenomen ten aanzien van drenkelingen, welgeborenen en allerlei andere zaken in het belang van de inwoners.

Niet zolang daarvoor was een hevige strijd ontbrand over het feit dat de hertog per abuis(?) twee schouten tegelijk had benoemd. Via het Hof van Holland kwam het geschil hierover voor de Grote Raad van Mechelen, die op 13 maart 1448 uitspraak deed en het schoutambacht toewees aan degene die het eerst was benoemd. De benoeming van de tweede schout werd daarna ongeldig verklaard.

In de geschillen over de aanbesteding der sluizen, de beroepskosten van schepenen en waarschappen, het salaris van de dorpssecretaris, en andere zaken, wendden de partijen zich tot het Hof, dat zelf geen uitspraak deed, maar de beslissing overliet aan arbiters, die op 4 januari 1450 hun oordeel gaven. Zo werden tussentijds allerlei punten inzake bestuur en rechtspraak door de hertog of diens raad geregeld, die hier onmogelijk alle vermeld kunnen worden. De hertog maakte een einde aan misbruiken. Als voorbeeld: het was gewoonte dat de rechtszittingen werden gehouden in de namiddag, waarbij de schout de stemming er in bracht door het benodigde bier te leveren. De hertog vergunde op 20 september 1462 aan Westzaan een stedehuijs, een stadhuis, in te richten, onder voorwaarde dat de rechtszittingen in de voormiddag gehouden moesten worden. Op een voormiddag zou de behoefte aan drank wel minder zijn.

In het begin van de 16e eeuw deden zich geen essentiële veranderingen voor in bestuur en rechtspraak. De rechtspraak werd in 1549 nog steeds uitgeoefend door een college van schout met zeven schepenen uit Westzaan en drie uit Krommenie. In genoemd jaar werden eveneens twee personen 'van den rijckdom' gegoede personen aangesteld, die dagelijks toezicht moesten houden op de toestand van de dijken, onder oppertoezicht van de schepenen, die eventuele reparaties moesten goedkeuren. De banne Westzaan vormde nog steeds een eenheid.

Pas vlak voor en in de 16e eeuw ontstonden de dorpen langs de Zaan. Het gehucht de Vijf Broers, later Zaandijk geheten, werd gesticht in 1494. De Koog, later Koog aan de Zaan, een koog is een stuk buitendijks land, ontstond ongeveer in dezelfde tijd, 'Het gehucht 't Zaen', later Wormerveer geheten, kreeg in 1503 al een eigen kapel. Westzaandam telde in het begin van de 16e eeuw nog slechts zeven huizen. Van medezeggenschap van Westzaandam in het bansbestuur wordt een spoor aangetroffen als Westzaan met 'Zaenredam, onder haar gelegen', een geschil met Crommenie en Crommeniedijk voorleggen aan arbiters, die hierover op 29 april 1587 uitspraak doen. Van een scheiding tussen bestuur en rechtspraak was in de 16e eeuw nog nauwelijks sprake. Het college van schout en schepenen hield zich bezig met politie, bestuur en wetgeving, justitie en polderzaken. Voorts was er nog sprake van vroedschappen, burgemeesters, raden, waarslieden, ambachtsbewaarders, schotvangers, et cetera. Ook werden de rijkdommen genoemd, gegoede inwoners die invloed hadden op de financiële aangelegenheden van de banne.

1.2.5. Vierendelen en banding

De verdeling van dorpen in vier vierendelen was een heel oude instelling, maar zal in de banne van Westzaan echter vrij laat tot stand zijn gekomen, aangezien de bebouwing zich aanvankelijk concentreerde in het dorp Westzaan en de oevers ten westen van de Zaan nauwelijks of niet werden bewoond. Toen men behoefte kreeg om nauwkeurig te weten hoe de ligging van de vier vierendelen in de banne van Westzaan was geweest, ging men af op een verklaring van een tiental inwoners, in leeftijd variërend van 53 tot 84 jaar. Zij legden hun verklaring af op 1 september 1599. Daaruit blijkt (bekort):

  • het eerste vierendeel betrof Zaardam (Zaanredam=Westzaandam), dat liep van de Westzaner Overtoom tot de Dam in Zaandam en vandaar tot het eind van de Molenbuurt. Ook het eiland de Hoorn, vanouds: Zaanderhorn, behoorde er toe.
  • De Koog en de Vijf Broers (Zaandijk) behoorden tot het Kerkbuurter vierendeel.
  • Wormerveer en West-Knollendam behoorden tot het Noorder vierendeel.
  • van het Kerkbuurter vierendeel tot de Overtoom in Westzaandam strekte zich het Zuider vierendeel uit.

Het banding was een oeroude instelling en bestond uit een jaarlijkse speciale rechtszitting. Op de rechtsdag behandelde de schout zaken van schade en schande. Het was een vlotvaardig recht, te vergelijken met het huidige kort geding, waaraan het natuurlijk niet identiek was.

1.2.6. Assendelft

We hebben gezien dat de heerlijkheid Zaanden naar Kennemer recht werd bestuurd en dat Westzaan en Krommenie tot het baljuwschap van Beverwijk konden worden gerekend. Voor Assendelft gold hetzelfde, de band met Kennemerland was zelfs sterker en de ontwikkelingsgeschiedenis van het dorp wijkt hierdoor enigszins af van de historie van de rest van de Zaanstreek. De oorzaak hiervan hangt wellicht samen met de ligging: via de Nauwe Vliet en het Wijkermeer was Kennemerland niet ver verwijderd.

Tot aan het einde van de 19e eeuw bleef men daardoor meer op het hogere duingebied georiënteerd dan op de Zaanse dorpen. Dat Assendelft reeds in z'n vroege geschiedenis door ambachtsheren die uit het dorp zelf afkomstig waren werd bestuurd, kan mede een oorzaak zijn van de zelfstandige ontwikkeling.

Volgens sommige geschiedschrijvers trouwde de Assendelver dorpsschout Barthout in het jaar 1265 met Vrouwe Maria van Heemskerk. Deze waarschijnlijk eenvoudige dorpsschout kunnen we aanmerken als de stamvader van het adellijk geslacht der heren van Assendelft 1).

Terwijl in Westzaan en Krommenie de leenheer elders was gevestigd en het bestuur delegeerde aan schout en schepenen, woonden de Assendelver heren dus in de eigen leen. Althans in het begin. Want in 1328 vernemen we dat Barthout II van Assendelft de helft van een huis met enig land koopt in Heemskerk. De mogelijk versterkte hoeve was de voorloper van het latere slot Assumburg. Deze verhuizing over korte afstand, die de toestemming van graaf Willem van Henegouwen behoefde en die trouwens ook de oriëntatie op Kennemerland nog eens bevestigt, had misschien een voorgeschiedenis. In 1324 was er tussen Barthout en zijn onderhorigen een meningsverschil ontstaan over het kiezen en benoemen van schepenen. Graaf Willem besliste dat dit recht voortaan uitsluitend aan de ambachtsheer toekwam.

De aanleiding tot het conflict zou wel eens gezocht kunnen worden bij het gegeven dat Assendelft een stand van welgeborenen, kende, te vergelijken met de volborenen in het middeleeuwse Friesland. Deze stand, hoewel niet van adel, genoot bepaalde voorrechten, zoals waarborgen te worden benoemd in rechtscolleges en gedeeltelijke vrijstelling van belastingen. Nu had de eerder genoemde dorpsschout Barthout I aanvankelijk tot de onvrijen behoord, hij was van lagere stand dan de welgeborenen. Toen Barthout II in 1316 van de landgraaf de rechten der vrije luiden verwierf, kan dat enig kwaad bloed hebben gezet bij de stand der welgeborenen.

In 1400 werd de Ambachtsheerlijkheid verheven tot Vrije Heerlijkheid met hoge en lage jurisdictie. Het landbezit van (inmiddels) Barthout III werd tot eigen bezit verklaard, terwijl het voordien een onsterfelijk leen was. Deze derde Barthout was dus niet langer ambachtsheer, maar werd vrijheer. Hij ging weer terug naar Assendelfts gebied en bouwde er het 'Slot aan de Vliet, een meertje in zuidelijk Assendelft. Amper 25 jaar later, in 1428, is het door plunderende Kabeljauwse benden verwoest. Barthout III is daarna in Den Haag gaan wonen. De afstand tussen heer en ingelanden was daardoor groot, net als in de andere dorpen. In een privilege, afgekondigd in 1457, wordt weer onderscheid gemaakt tussen gewone huisluiden en de stand der welgeboren Assendelvers. Beging een welgeborene vóór dat jaar een vergrijp of overtreding en werd hij in verband daarmee door schout en schepenen aangesproken, dan liepen de leden van deze lage vierschaar de kans te worden beboet, omdat de welgeborenen uitsluitend door de hoge vierschaar, de baljuw en de leenmannen, mochten worden veroordeeld.

Het privilege, van de kansel der kerk ter algemene kennis gebracht, bracht daarin verandering. Tenzij de gedaagde zich uitdrukkelijk op zijn welgeborenheid beriep, mocht de lage vierschaar recht over hem spreken zonder te worden beboet. Schout en schepenen vervulden ook de functies van dijkgraaf en heemraden en regelden de algemene dorpsaangelegenheden. Wat dit laatste betreft overlegden zij met zestien vroedschappen, een soort gemeenteraad die voor het leven werden benoemd. Uit ieder vierendeel waarin Assendelft was verdeeld werd steeds één schepen benoemd, behalve uit het Woudt-vierendeel, dat als grootste en belangrijkste door twee schepenen was vertegenwoordigd. De lage vierschaar, schout en schepenen dus, bemoeide zich met alle civiele zaken en met misdrijven die niet hoger werden beboet dan met zeventien schellingen.

De zittingen hadden iedere vrijdag op de Dingstal, later in het Rechthuis, plaats en begonnen 's middags om één uur. Ernstiger zaken werden in handen gesteld van de hoge vierschaar, baljuw en leenmannen. De leenmannen, meestal zeven, waren aanvankelijk houders van de achterlenen van de heerlijkheid, maar werden ook wel gerecruteerd uit de leenmannen van de grafelijkheid in de omgeving van Haarlem. Omdat Assendelft in de wintermaanden slecht bereikbaar was, werden van december tot en met februari geen zittingen van de hoge vierschaar gehouden. De Boer, in De geschiedenis van een Hoge Heerlijkheid, noemt een aantal zeer oude rechtsgebruiken die in Assendelft nog lang gehandhaafd bleven. Bijvoorbeeld het zeventuig: bij geschillen over het eigendom van land werden de zeven naaste eigenaren van tenminste één morgen land bijeengeroepen om een uitspraak te doen. De lage vierschaar was dan gehouden om het genomen besluit rechtsgeldig te verklaren. Hetzelfde gold bij de zogenoemde swanitswet: ontstane geschillen over het gebruik of genot van land werden onderworpen aan het oordeel van drie swaennots, zwade- of landgenoten en de schepenen dienden hun uitspraak te bekrachtigen. Betrof het geschil een huis, erf of boedel, dan deden de zeven naastgelegen huiseigenaren op dezelfde manier uitspraak (boedelrecht). Tenslotte was er het boffen: men mocht van een in Assendelft gesloten koop binnen drie etmalen afzien, mits men dit boffen voor schout en schepenen bevredigend kon verklaren.

Dit gebruik is zelfs tot in de Franse tijd gehandhaafd.

1.2.7. Zaanstreek ten oosten van de Zaan

Oostzaan, Wormer en Jisp behoorden niet tot de heerlijkheid Zaanden. Oostzaan lag in Kennemerland, waaruit volgt dat bestuur en rechtspraak waren geregeld naar Kennemer recht. Hierbij moet in het oog worden gehouden dat er tengevolge van ingrepen van de graaf van Holland door middel van handvesten, privilegiën en rechterlijke uitspraken in de loop der tijden allerlei plaatselijke verschillen ontstonden. Op 2 oktober 1361 deden heer Wouter van Heemskerk en Herman van den Bossche uitspraak in een geschil tussen de Hadel, een buurtschap onder Oostzaan; de naam Haaldersbroek herinnert er aan, en het Zuideinde van Oostzaan over het onderhoud van dijken. Van Herman van den Bossche wordt in deze akte gezegd dat hij arbiter was in zijn kwaliteit van 'baljuw van Kennemerland', de functie van Wouter van Heemskerk blijkt pas uit een akte van 3 maart 1408, die naar bovengenoemde akte verwijst; hij was ambachtsheer van Oostzaan. De bezittingen van heer Wouter werden door hertog Albrecht verbeurd verklaard, waardoor de ambachtsheerlijkheid van Oostzaan in grafelijk bezit terugkeerde. Op 1 september 1403 beleende hertog Albrecht een poorter van Haarlem, Sijmon van Zaenden geheten, met de ambachtsheerlijkheid. Vier jaar later werd Sijmon te Haarlem doodgeslagen. Zijn bezittingen werden geconfisqueerd en Oostzaan kwam weer direct onder grafelijk gezag. Toen de Zaan door een Dam van het IJ werd afgesloten in de 13e eeuw, werden daar sluizen ingelegd, die de scheepvaart mogelijk moesten maken.

Bij de sluizen ontwikkelde zich een buurtschap, waar zich herbergiers, leveranciers van levensbehoeften en scheepsbenodigdheden en ook ambachtslieden vestigden. Dat gebeurde eerst aan de Oostkant van de Zaan onder de Banne van Oostzaan, en pas later aan de Westzijde. Het stichten van een kapel in Oostzaandam, als gevolg van het toenemend aantal inwoners, gaf ook een nauwere band met de schaarse inwoners van de Westzijde. Enigszins vreemd doet een akte van 7 oktober 1539 aan, waarin schout en schepenen van Zaerdamme te kennen geven dat zij van de pastoor van Zaerdamme en anderen gehoord hebben dat er in genoemd dorp veel arme huislieden zijn die bijstand nodig hebben. Het vreemde aan deze akte is dat er van schout en schepenen van Zaandam geen sprake kan zijn en evenmin van een pastoor; in Oostzaandam was alleen een kapel, die bediend werd door een kapelaan. Bedoeld zijn schout en schepenen van Oostzaan en de pastoor aldaar.

Als schout in de akte wordt genoemd Henrick Claesz. Deze fungeerde voor de kerk in Oostzaan en de kapel van Zanerdam als sterfman bij de belening van kerk en kapel met de visserij in de sluis (de dam) en in de Schinkel. Hij overleed in 1564 en werd in zijn functie van sterfman namens de kerk vervangen door Jan Jacobsz. Goedt. Genoemde akte van 1539 is ondanks de vreemde vorm wel belangrijk. Schout en schepenen van Oostzaan bepaalden dat jaarlijks op Goede Vrijdag, als de schepenen gekozen werden, twee personen belast zouden worden met het collecteren voor de armen. Verder mocht niemand collecteren dan met toestemming van de armenvoogden. Het is opmerkelijk dat er ten aanzien van Oostzaan veel minder akten bewaard zijn gebleven dan van Westzaan. Wormer behoorde ook niet tot de heerlijkheid Zaanden en maakte dus geen deel uit van het baljuwschap van Bloys, maar behoorde en bleef behoren tot het baljuwschap van Kennemerland. Ook Wormer kende dus, zoals ook in Westzaan het geval was, rechtspraak door 'Asega en geburen`. Op 21 maart 1292 werden asega en geburen vervangen door een college van schout en schepenen. Bestuur en rechtspraak waren dus ook in Wormer in handen van één college.

Toen de schoutambachten van zowel Wormer als Jisp in pacht bij eenzelfde persoon kwamen, overlegden beide dorpen of het niet goed zou zijn zich geheel met elkaar te verenigen. Tot die tijd bestond de regering van Jisp uit vijf schepenen en die van Wormer uit zeven schepenen. Dit leidde tot grote onkosten en lasten voor hen, en bovendien waren de twaalf schepenen bijzonder moeilijk bijeen te krijgen. Zij meenden daarom dat het nuttiger en goedkoper zou zijn om in één schepencollege verenigd te zijn. In hun daartoe strekkende voorstel in 1518 stelden zij voor dat in beide dorpen zeven schepenen zouden fungeren, waarvan vier in Wormer, twee in Jisp, en de zevende 'oock onder Jhisp over den wegh aen de Wormerzijde'.

De schout zou met vier schepenen in Wormer de kleine zaken afdoen, en met drie in Jisp. Zwaardere zaken zouden ter beslissing staan van de schout en de zeven schepenen. Hiertoe werden vooral geschillen over erven en landen gerekend. (31 augustus 1518). Tezamen zouden zij hun bandingen en buurrechten houden, eenmaal per jaar in Wormer en eenmaal per jaar in Jisp. Met elkaar zouden zij 'alle onkosten van morgengelt, maetgelt, ende vennegelt ende diergelijke die op landen vallen, ghelijckelijck geven en betalen.'

Karel V ging bij monde van de Staten geheel met dit voorstel akkoord. Beide dorpen kwamen na verloop van tijd tot de conclusie dat de schepenen een te zware taak op zich hadden genomen. Zij moesten in elk van de twee dorpen tweemaal per week zitting houden en bovendien alle beden en omslagen innen die de inwoners moesten opbrengen. Daar kwam nog bij dat de schepenen alle bestuurstaken én in Wormer en in Jisp moesten behartigen. Daarvoor moesten zij vaak de buren raadplegen, hetgeen tal van onvruchtbare vergaderingen ten gevolge had. Zij wensten nu een college van Raden of Vroedschappen van twintig personen om de schepenen behulpzaam te zijn en om mee te stemmen. Bovendien moesten zij meehelpen bij het innen van bedenomslagen. Zij moesten door de baljuw beëdigd worden. De Staten stemden hierin toe onder voorwaarde dat de vroedschappen zich niet bezig zouden mogen houden met 'het maken van keuren of politiën`. Bovendien bcpaalden de Staten dat de vroedschappen om de 2 of 3 jaar moesten aftreden (11 september 1565). Uit een akte van 16 februari 1567 bleek dat de baljuw uit de voordracht van een dubbeltal 20 personen tot vroedschap moest benoemen. De gekozenen zwoeren Raden en Waarschappen van Wormer en Jisp te zijn, en te komen als zij daartoe door schepenen werden opgeroepen, behalve in geval van ziekte en dergelijke. Voorts moesten zij zweren geheimhouding te betrachten en dat zij met geen ketterij besmet zijn. In 1588 maakten Wormer en Jisp bezwaar tegen het verpachten van het schoutambacht (ambt van schout). Dit gebeurde volgens hen altijd aan de meestbiedenden en niet aan de bekwaamsten. Zo was deze functie hier verpacht geweest aan Paulus van der Laen, die nu gestorven is. Beide dorpen wilden dat de pachtsom afgelost zou worden aan zijn erfgenamen, die de pacht echter niet wilden beëindigen. De Rekenkamer ging er mee akkoord dat de dorpen samen een som van 900 pond zouden betalen aan de genoemde erfgenamen, waarna de Rekenkamer Wormer en Jisp in het bezit zou stellen van het schoutambacht. De verschuldigde pachtsom mocht door de Rekenkamer te allen tijde afgelost worden met 644 pond en de belofte dat het schoutambacht niet opnieuw aan particulieren verpacht zou worden (16 januari 1588). Op 24 september 1597 besliste het Hof van Holland dat schepenen geen keuren mochten maken buiten vroedschappen of burgemeesters om. De vereniging van Wormer en Jisp bleek niet aan de verwachtingen te voldoen. Op verzoek van Jisp brachten de Staten op 2 december 1611 de scheiding tot stand.


1)
J. de Boer: Assendelft, de geschiedenis van een Hoge Heerlijkheid
  • bestuur/bestuur_en_rechtspraak_1.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/17 11:11
  • door jan