deur

In de Zaanstreek treffen we geen oudere dan 17de eeuwse deuren aan. Deze 17de eeuwse deuren waren uitgevoerd als opgeklampte deuren, waarbij voor de buitendeuren soms gecanneleerde delen werden toegepast. Zie ook: Dooddeur. In het interieur werden ook meer-paneelsdeuren gebruikt. Het regelwerk was daarbij uitgevoerd met een fijne profilering. Soms zien we hier ook gedraaide spijlen in de binnendeuren opgenomen. Hierbij kan een relatie worden gelegd met de kastenmakers. Later in de 17de eeuw werden ook de éénpaneelsdeuren gemaakt.

De uitvoering van de 17de eeuwse deuren was in eikenhouten eiken wagenschot. De afwerking voor buitendeuren was geteerd en na ca. 1650 ook geschilderd, onder andere in dodekop kleuren. De binnendeuren waren hoofdzakelijk (en passend bij het interieur) in de was gezet. Naarmate de eeuw vorderde werden ook de binnendeuren meer en meer geschilderd; daarbij bleef de houtnerf zichtbaar. Soms zien we daarbij enig marmer-imitatiewerk toegepast. De buitendeurenen ook de opgeklampte binnendeuren werden afgehangen aan duim-gehengen; de overige binnendeuren aan gesmede bocht- en vlinder-knieren.

Kastdeuren draaiden vaak op ijzeren spindels. Het sluitwerk bestond uit houten en ijzeren klinkstellen, grendels en slot met sleutel voor de buitendeuren; aan de binnendeuren meestal een kruk met wervel.

In de 18de eeuw verdwijnen de gecanneleerde deuren en de toepassingvan eikenhout aan deuren, m.n. voor deurpanelen. In hoofdzaak werden nu, naast de vlakke opgeklampte deuren, de éénpaneelsdeuren toegepast. Pas aan het eind van deze eeuw kwamen de tweepaneels-deuren. Daarbij werden in Krommenie en Assendelft deuren met kussenpanelen gemaakt. Aan de klampen en spiegels van de opgeklampte deuren werd een eenvoudig profiel geschaafd. Voorts werden in de interieurs veelvuldig de aan het eind van de 17de eeuw ontstane glasdeuren aangebracht; deze deuren hadden houten roeden. De toepassing van meer grenenhout hield mede verband met de meerdere toepassing van schilderwerk in de interieurs. De verkrijgbare kleuren, betaalbaar, breidden zich uit door ontwikkelingen in de verffabricage. De fijnheid van de profileringen uit de 17de eeuw verdween daarmee ook en de profielen werden, weliswaar fraai van lijn, zwaarder. Het teren van deuren raakte, behalve bij schuren, enz., na 1750 in onbruik.

In de 19de eeuw werden hoofdzakelijk tweepaneelsdeuren en opgeklampte deuren toegepast. Veel buitendeuren werden voorzien van glas met daarvoor een gietijzeren rooster. Aan het einde van deze eeuw kwamen veel vormen van meerpaneelsdeuren in gebruik. In de binnendeuren werden ook paneel-vullingen van gestraald en/of gekleurd glas toegepast. De klampen van de opgeklampte deuren werden al sinds de 18de eeuw zichtbaar in en meespelend met het interieur; soms waren de groffe profielen ervan aangezet in een andere kleur. Het schilderwerk is dan glad en glimmend. De krukken ondergingen veel vormveranderingen en het hang- en sluitwerk werd, onder invloed van de industriële ontwikkelingen, technisch verbeterd.

Literatuur:

  • J. Schipper/S, de Jong, Zaanse houtbouw; uitgave van de stichting de Zaanse Schans, 1976.
  • K. Sluyterman, Huisraad en binnenhuis in Nederland; Den Haag, 1975(herdruk).

Bron: Anno1961, nr. 77, Bouwkundig Alfabet

  • deur.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/05/26 12:13
  • door jan