gezondheidszorg:gezondheidszorg_voor_1800

* Voorwoord * Voor 1800 * 19e eeuw * Gezondheidszorg in de 20e eeuw

1.1. Inleiding. Filosofische geneesheren en heelkundige handwerkers.

Asklepios, afbeelding naar een 15e-eeuwse houtsnede.

Vóór de 19e eeuw waren de wetenschappelijke kennis, het sociale gevoel en de maatschappelijke organisatie niet toereikend voor een adequate zorg voor de volksgezondheid. Waardevolle geneeskundige ervaringskennis en doeltreffende technieken werden in ons werelddeel evenwel reeds in het klassieke Griekenland beschreven. Hippocrates (460-377 v. Chr.) en zijn leerlingen van de Asklepiaden-tempelschool voor priester-artsen op het eiland Kos waren beroemd dankzij opmerkelijke therapeutische resultaten. Hun 'kunst van het genezen' was gebaseerd op nauwgezette en onbevooroordeelde waarnemingen aan het ziekbed en op grote aandacht voor nadelige factoren in de levenswijze, de voeding en het leef- en werkmilieu van de patiënten. De diagnose was voor hen minder belangrijk dan het onderkennen van gestoorde lichaamsfuncties en het verloop van een aandoening. De beoordeling en de behandeling van de zieke geschiedde zonder theoretische bespiegelingen, maar berustte op een verstandelijke afweging van alle verzamelde feitelijke informatie en toetsing aan eerder verkregen ervaringen en inzichten bij overeenkomstige zieken. In dezelfde historische periode beproefden grote Griekse filosofen het opstellen van een theoretisch geneeskundig model waarin het 'wezen van de mens' en de wetmatigheden van bouw en verrichtingen bij gezondheid en bij ziekte zouden kunnen worden ondergebracht. Als gevolg van de zeer smalle basis van feitelijke biologische kennis zou dit doel nog vele eeuwen onbereikbaar blijven. Er ontstonden slechts speculatieve theoretische systemen die, door het grote gezag van de klassieke systeembouwers, de ontwikkeling van de geneeskundige wetenschap vele eeuwen zouden blokkeren.

Geneeskundigen en chirurgijns

Tot in de 19e eeuw zijn deze Griekse invloeden op de Universitaire Geneeskunde aantoonbaar. Dit geldt ook voor de tweedeling van het geneeskundige arbeidsveld. Universitair opgeleide geneeskundigen bleven zich beperken tot theoretisch-wetenschappelijke benaderingen van de onzichtbare (inwendige) aandoeningen terwijl aan ongeletterde, ambachtelijke handwerkers, de zogenaamde 'chirurgijns'. opgeleid in de praktijk als knecht en gezel door een meester-chirurgijn, de 'heelkunde werd toevertrouwd. De chirurgijns hadden sinds de tijd van de tempelartsen naast het barbieren en scheren als taken het behandelen van uitwendige kwalen, zoals huidziekten, verwondingen, ontwrichtingen, botbreuken, het trekken van tanden en het verrichten van kleine operaties. Bovendien werden op aanwijzing van een doctor medicinae het masseren en baden, het aderlaten, het bereiden en toedienen van medicijnen, operaties zoals het staarsteken, het verwijderen van blaasstenen, het behandelen van liesbreuken en gezwellen, plastische operaties, het doorboren van schedelbotten (trepanatie) en enige verloskundige ingrepen beoefend. In Nederland zouden eerst de wetten van Thorbecke van 1865 een uniforme geneeskundige stand doen ontstaan. Deze wetten maakten geleidelijk een einde aan een chaotisch bestel waarin twaalf soorten 'geneeskundigen' met zeer uiteenlopende kennis, vaardigheden en bevoegdheden elkaar een moeilijk bestaan bezorgden.

1.2. De geneeskundige wetenschap sinds de Renaissance

Vesalius

De huidige wijze van denken en handelen in de geneeskunde heeft zich zeer geleidelijk kunnen ontwikkelen sinds de Renaissance, dankzij de toewijding, de begaafdheden, de inspanningen en de weetgierigheid van een lange reeks individuele onderzoekers. Het nieuwe elan stimuleerde tot speurwerk; de afnemende invloed van kerkelijke dogma's en verboden maakte het mogelijk ook menselijke kadavers te onderzoeken. De Brusselaar Andreas Vesalius (Andreas van Wesel 1514- 1564), telg uit een geslacht van hofartsen, werd de grondlegger van de moderne ontleedkunde (anatomie). Reeds in zijn jeugd was hij een toegewijd onderzoeker van dode katten en honden, soms ook van menselijke botten. Na zijn geneeskundige studie aan de Universiteiten van Leuven en Parijs vertrok hij naar Venetië. Een stage in een Venetiaans ziekenhuis betekende een toen zeer ongebruikelijke praktijk-aanvulling van de theoretische geneeskundige opleiding. Hij promoveerde in december 1537 tot doctor medicinae aan de Universiteit van Padua en werd weldra benoemd tot tweede hoogleraar Chirurgie en belast met het geven van openbare anatomische lessen en lijkopeningen. In 1543 vertrok hij naar de Universiteit van Basel voor de publicatie van zijn opzienbarende anatomische handboek 'De humani corporis fabrica'. Hij corrigeerde in deze studie talrijke onjuiste anatomische beschrijvingen van beroemde klassieke collega's die vele eeuwen eerder werden gebaseerd op secties van dieren. Vesalius werd in 1544 hofarts van Karel V.

Na Vesalius

Veel anatomen na Vesalius onderzochten ook de werking van de organen die zij hadden ontleed. Zo beschreef de Engelsman William Harvey (1578-1657) de bouw van hart en bloedvaten en baseerde daarop zijn ideeën over de functie van dit orgaanstelsel, de bloedsomloop. Antony van Leeuwenhoek (1632-1723), een geneeskundig ongeschoolde bouwer van microscopen in Delft, verleende deze aanvankelijk zeer omstreden theorie krachtige steun, toen hij de haarvaten - de uiterst fijne verbindingen tussen slagaderen en aderen - onder zijn microscoop had waargenomen, evenals de daarin stromende rode bloedcellen. Van Leeuwenhoek werd de grondlegger van de microbiologie door een lange reeks van ontdekkingen van zeer kleine wezentjes, zoals bacteriën en zaadcellen. De microscopische structuur van botten, spieren en zintuigen werd eveneens beschreven.

De bijdrage van natuurkundigen

Ook natuurkundigen leverden belangrijke bijdragen aan de geneeskunde, zoals Christiaan Huygens (1629-1695), die de functie van de ooglens voor de lichtbreking ontdekte, en Isaac Newton (1642-1725) die het ontstaan van kleuren beschreef. Fundamentele kennis van bouw en verrichtingen van menselijke en dierlijke organen werd steeds omvangrijker. De Zwitser Albrecht von Haller (1708-1777), een leerling van Boerhaave, publiceerde het eerste systematische leerboek voor de fysiologie, waarin de functie van talrijke organen, zoals de spierwerking, de prikkelgeleiding in het zenuwstelsel, de automatie van het hart, de spijsvertering, de functie van de nieren en de hersenen, werd geanalyseerd.

Door wetenschappelijk geneeskundig onderzoek aan het ziekbed leerde men de eigen aard en de onderlinge afgrenzing van een reeks kwalen omschrijven in goed herkenbare ziektebeelden. Thomas Sydenham (1624-1689) onderscheidde daarbij drie groepen van symptomen van ziek zijn:

  • 1. de wezenlijke, de kenmerkende reacties van de zieke op processen en stoffen die het ziek zijn bewerkstelligen;
  • 2. de modificaties van deze reacties op grond van eigenschappen van de individuele patiënt, zoals diens conditie, geslacht, leeftijd, aanleg, leefmilieu, enzovoort; en
  • 3. de accidentele, de toevallige symptomen, veroorzaakt door de behandeling van de zieke.

Gaub (1704-1780), een leerling van Boerhaave, wees bovendien op ziekteverschijnselen zoals koorts, die de uitdrukking zijn van de strijd van de zieke tegen de ziekteveroorzaker en de ziekelijke processen. Brown (1735-1788) ontwikkelde de gedachte dat - in hedendaagse termen - gezondheid bestaat bij een harmonie, een evenwichtstoestand van een mens en de lasten die hij te dragen krijgt. Het inzicht in lokalisatie, aard en betekenis van ziekelijke processen werd belangrijk verdiept door het levenswerk van Giovanni Morgagni (1682-1771), hoogleraar te Padua, de grondlegger van de pathologische anatomie, de ontleedkunde van organen waarin ziektehaarden aanwezig zijn.

De behandeling van patiënten met inwendige ziekten profiteerde vóór 1800 nog weinig van de wetenschappelijke aanwinsten. Ziekte-oorzaken bleven veelal onbekend, ziekelijke processen onbegrepen, evenals de wijze waarop geneesmiddelen hun werking uitoefenden. Onontbeerlijke natuurwetenschappelijke kennis (biologie, scheikunde, natuurkunde) was nog niet verkregen. De oogst van gedetailleerde wetenschappelijke informatie was in de 18e eeuw wel zo groot dat veel astrologische, magische en andere irrationele gedachten en speculaties over gezondheid en ziekte konden worden vervangen door rationele benaderingen. De natuurwetenschappen zouden in de geneeskunde van grote betekenis worden, evenzo de experimentele toetsing van veronderstelde samenhangen.

De koepokinenting

De koepokinenting, een ontdekking van de Engelse plattelandsgeneesheer Edward Jenner (1749-1823) in 1796, werd een magistrale afsluiting van dit 18e-eeuwse denkwerk. Magistraal door het uiteindelijke resultaat (de uitroeiïng van de zeer gevaarlijke pokziekte op mondiale schaal in de tweede helft van 20e eeuw) en door de uitgangspunten: het voorkomen van een ernstige aandoening door kunstmatige verhoging van de weerstand (het immuniseren), door middel van het opzettelijk ziek maken (de inenting) met de smetstof van een nauw verwante maar onschuldige besmettelijke ziekte (de koepokken).

1.3. De praktijk van de doctores medicinae

Opleiding van de doctores

Doctores waren in onze landen vóór de 17e eeuw schaars en alleen gevestigd aan de hoven en in grote steden. De opleiding was sinds de 13e eeuw te volgen aan universiteiten in het buitenland, zoals in Leuven, Parijs, Montpellier, Padua en andere Italiaanse steden. De studie was kostbaar, de voertaal Latijn en de aantrekkelijkheid voor welgestelde jongemannen vrij gering. De eerste Noordnederlandse universiteit werd in 1575 in Leiden gesticht. De academische leerstof werd overal hoofdzakelijk ontleend aan klassieke wijsgerige geschriften en was vrijwel geheel theoretisch. Praktijklessen aan het ziekbed werden eerst aan het eind van de 18e eeuw vrij algemeen ingevoerd; Nederland liep daarbij niet voorop, ondanks het goede voorbeeld dat Boerhaave reeds aan het begin van die eeuw had gegeven. Anatomische lessen en (openbare) secties in een 'theatrum anatomicum' waren al sinds Vesalius toegevoegd aan de opleiding.

Rollen van de doctores

De doctores, in de steden vrij gevestigd, aanvaardden naast hun eigen praktijk graag een aanstelling als stadsgeneesheer voor de armenpraktijk in woonwijken en in openbare gasthuizen, pesthuizen en dergelijke; ook kerkbesturen benoemden wel eigen doctores voor de hulp aan hun arme leden. De doctores adviseerden het plaatselijke gemeentebestuur bij de bestrijding van besmettelijke ziekten en bij gerechtelijke zaken. Zij hadden tevens de supervisie van de praktijken, de opleiding en bij het examineren van de plaatselijke chirurgijns. Een vooraanstaand geneeskundige - niet zelden met de titel professor of lector - werd belast met de secties en de anatomische lessen aan chirurgijns. In grotere steden fungeerde een 'Collegium Medicum' als toezichthoudend orgaan voor de stedelijke geneeskundige zorg. Op de handels- en oorlogsvloot, in het veldleger en in Oost- en West-Indië waren vrijwel geen doctores werkzaam.

Herman Boerhaave (1668-1738)

Een objectieve beoordeling van de geneeskundige kwaliteiten van de doorsnee stedelijke doctor is thans niet goed mogelijk. Dit geldt niet voor de vooraanstaande, praktizerende geneeskundigen uit die tijd, dankzij vele schrifturen en onderlinge briefwisseling, waarin hun levensloop, inzichten, kennis, activiteiten en ontdekkingen zijn vastgelegd. Zo was de Leidse hoogleraar Herman Boerhaave (1668-1738) geen vernieuwer van wetenschappelijke geneeskundige kennis, maar wel een zeer veelzijdige hooggeleerde docent en een befaamd genezer. Hij werd door veel beroemde leerlingen als de gemeenschappelijke leraar van geneeskundig Europa gezien. Hij gebruikte alle destijds verworven wetenschappelijke kennis zeer kritisch en selectief door toetsing aan eigen ervaringen en inzichten. Zijn Europese studentenschare kwam naar Leiden voor de uitzonderlijke kwaliteit van zijn onderwijs, in het bijzonder de praktijklessen aan het ziekbed van patiënten. De zieken kwamen uit geheel Europa naar Leiden, aangetrokken door de opmerkelijk gunstige resultaten van zijn behandelingen. Deze werden bereikt met het bescheiden arsenaal geneesmiddelen en geneeswijzen waar iedere geneesheer over beschikken kon. Het optreden van Boerhaave aan het ziekbed en zijn adviezen doen ons denken aan Hippocrates, ondanks hun sterk verschillende theoretische kennis en inzichten.

Christiaan Hahnemann (1755-1843)

Een eveneens vooraanstaand practicus was de Duitse geneeskundige Christiaan Hahnemann (1755-1843), een knap genezer en een markante persoonlijkheid, suggestief optredend en begaafd met een kritische geest. Zo bestreed hij de toen gebruikelijke keuze van geneesmiddelen, die hoofdzakelijk berustte op ficties en giswerk inzake hun uitwerking op de zieke mens. Hij was ook tegenstander van het voorschrijven in een medicament van een groot aantal verschillende kruiden, het toedienen van agressieve chemische en van koortswerende middelen. Hij werd en is nog steeds bekend door de introductie van een door hem bedachte geneeswijze, de homeopathie: het behandelen van een ziekte (symptoom) met een eenvoudig plantaardig of mineraal medicijn dat in zeer sterke verdunning aan de zieke wordt toegediend. De keuze van zo'n geneesmiddel berust op de voorkennis dat het toegediend aan een gezond mens en in een geringe verdunning dezelfde klachten en symptomen zou opwekken als de zieke vertoont. Tot een afdoende experimentele toetsing van dit idee is het nooit gekomen, noch in de tijd van Hahnemann, noch in de 150 jaren daarna. In de sterke verdunningen die veelal worden aanbevolen is bovendien ook met de hedendaagse gevoelige analyse-technieken geen molecuul, noch enig ander bewijs gevonden voor de aanwezigheid van de werkzame stof. Rationeel natuurwetenschappelijke verklaringen voor de veronderstelde therapeutische invloeden zijn evenmin ontdekt.

1.4. De heelkunde van de chirurgijns

De oudste berichten over scheerders/barbiers/ chirurgijns en heelmeesters in Nederland stammen uit de tweede helft van de 14e eeuw. Kampen benoemde haar eerste stadschirurgijn voor de armenpraktijk in 1429. Taak, bevoegdheden, plichten en privilegiën werden sindsdien in stedelijke ordonnantiën min of meer omschreven. De 'geneeskundige' bevoegdheden beperkten zich tot het scheren en knippen en eenvoudige ingrepen. Het aderlaten was het meest gewichtige onderdeel van de kunst. Het 'laten' om ziekte te voorkomen kon alleen met succes worden verricht indien dat geschiedde op een goed gekozen dag en uit de juiste ader. Voor deze keuze was een grondige kennis vereist van de stand van de planeten en de sterrebeelden. Voor meer ingrijpende behandelingen was steeds toestemming vereist van het stadsbestuur, later van de stadsdoctor. Aanvankelijk, toen er nog weinig doctoren gevestigd waren, behandelden de chirurgijns ook veel niet-heelkundige aandoeningen. Op het platteland bleef dit tot diep in de 19e eeuw meer regel dan uitzondering. Voor alle chirurgijns bleef de barbierswinkel tot midden l7e eeuw een welkome en goede bron van inkomsten en daarnaast de belangrijkste werkplaats van chirurgijnsleerlingen.

Chirurgijnsgilden in de steden

In de steden werden de heelkundige taken wel duidelijk een onderdeel van het vakgebied dat door de mr. chirurgijn persoonlijk werd verzorgd, daarbij geassisteerd door zijn proefknechten die eerlang het chirurgijnsexamen zouden gaan afleggen. In het midden van de 15e eeuw werden in vele steden de eerste chirurgijnsgilden opgericht die, zoals alle gilden, primair de taak hadden de zakelijke belangen van de leden te beschermen tegen concurrentie onderling en tegen de moeilijk te beteugelen praktijken van reizende vrije meesters, beunhazen, kwakzalvers en echte bedriegers. In de gildebrieven werden gildebestuurders door hun stedelijke overheid belast met het toezicht op de praktijkvoering van hun leden en bovendien, veelal onder supervisie van een stadsdoctor, met het opleiden en examineren van chirurgijnsleerlingen en -knechten. De geslaagden voor de meesterproeve verwierven het recht toe te treden tot het gilde en daarmee tot het heelkundig monopolie in hun woonplaats. Het gildebestuur werd ook geraadpleegd over de kwaliteiten van de rondreizende genezers, voordat deze van het gemeentebestuur toestemming konden verkrijgen hun bijzondere kundigheden in de stad te praktizeren. Onder deze lieden bevonden zich soms kundige heelmeesters, de zogenaamde 'vrije meesters', maar ook bedriegers, wonderdokters en dergelijke, veelal voorzien van valse, fraaie getuigschriften. Op het platteland, waar geen gilden ontstonden, bleef grote vrijheid, vaak bandeloosheid, bestaan voor iedereen die zich geroepen voelde als therapeut op te treden.

Ambroise Paré (1517-1590)

Het aanzien van chirurgijns bij de overheid en bij de bevolking en de waardering voor hun kennis en kundigheden waren in de 15e en 16e eeuw gering. Dankzij het levenswerk van de Franse chirurgijn Ambroise Paré (1517-1590) hebben vooraanstaande vakgenoten echter een snelle ontwikkeling kunnen doormaken. Paré was, zoals alle chirurgijns van vóór de l7e en 18e eeuw, van afkomst een zeer eenvoudig handwerksman, opgeleid als barbiersleerling en verbandknecht zonder veel schoolse kennis, zonder universitaire studie en zonder kennis van het Latijn. Zijn faam als heelkundige dankte hij niet alleen aan zijn grote handvaardigheid, zijn gaven als diagnosticus en leermeester, maar evenzeer aan zijn geschriften. Hij slaagde erin de anatomie van de geleerde Vesalius te introduceren in de heelkunde en te verklaren voor de weinig geschoolde en niet belezen praktizerende chirurgijns in de steden en dorpen. Paré verwierf eigen kennis, ervaring en technische vaardigheid gedurende zijn loopbaan als mr. chirurgijn, wondarts op de slagvelden van de Franse legers. Daar leerde hij fracturen en wonden veel sneller en doeltreffender te behandelen (het gieten van kokende olie in schotwonden werd afgeschaft), het amputeren van ledematen met onderbinding van de bloedvaten (inplaats van het gebruikelijke dichtschroeien met een brandijzer), het hechten van darm- en buikwandwonden, enz.

In tijden van vrede verbeterde hij vele operatietechnieken: de plastische operatie van een hazelip, de snede tussen de ribben bij etterophoping tussen de borstvliezen, liesbreukoperaties, etcetera. De aloude trepanatie - het doorboren van schedelbotten - werd niet alleen technisch verbeterd. maar ook voorzien van duidelijke en begrijpelijke aanwijzingen wanneer deze grote ingreep overwogen moest worden. Ook Nederlandse chirurgijns hebben veel aan hem te danken. De stadsdoctor van Dordrecht, Carel Basten, vertaalde in 1590 een samenvatting van Paré's geschriften. Dit 'Handboeck der Chirurgijns` bleef gedurende honderd jaar het verplichte naslagwerk van de heelkundigen aan boord van de Oost-Indiëvaarders van de VOC. De operatietechnieken, door Paré en een schare navolgers ontwikkeld, werden weldra overgenomen door vooraanstaande stedelijke en zeevarende chirurgijns, mede dankzij de gewoonlijk verplicht gestelde heelkundige en anatomische lessen in een stedelijk Theatrum Anatomicum. In Amsterdam werd daarmee reeds in 1578 een aanvang gemaakt. De basisopleiding, die vooral van de zeechirurgijns tot in de l7e eeuw zeer beperkt was en niet toereikend voor het meesterexamen en het lidmaatschap van een gilde, werd geleidelijk verbeterd.

Anatomische lessen

Nieuwe anatomische kennis en technische vaardigheden leidden tot een duidelijke opwaardering van de heelkunde en de heelkundigen. De bekende, deftige 'Anatomische lessen', groepsportretten van vooraanstaande stedelijke chirurgijns, getuigen daarvan. Ze waren bestemd voor verfraaiing van de eigen gildekamer. De 'Anatomische les van Dr. Nicolaas Tulp' werd door Rembrandt geschilderd in 1632, in opdracht van zes Amsterdamse heelkundigen, waaronder de gasthuischirurgijn. Dr. Tulp was een bekend Amsterdamse doctor medicinae en als praelector belast met het anatomie-onderwijs aan de gildeleden.

Ziektes tijdens zeereizen

De nieuwe scheepsheelkundigen op de grote vaart konden zich in de harde leerschool van de grote zeereizen ontwikkelen tot zeer vaardige en ervaren chirurgen voor velerlei kwetsuren als gevolg van ongelukken en gevechtshandelingen. Hun behandeling van lijders aan inwendige ziektes had weinig succes. Zeer vele schepelingen overleden tijdens epidemieën van besmettelijke darmziekten, pest, vlektyphus, pokken en malaria. Overbevolking van de schepen, slechte hygiëne, bedorven drinkwater en onvolwaardig voedsel waren oorzaken van de snelle verspreiding van deze kwalen. Geneeskundige kennis en de geneesmiddelen waren destijds overal in de wereld onmachtig om het ziekteverloop gunstig te beïnvloeden. Tijdens de langdurige zeereizen veroorzaakte 'scheurbuik' als gevolg van een gebrek aan vitamine-C de meeste sterfgevallen.

In de 16e eeuw ontdekte men echter een afdoend middel om de kwaal te voorkomen en te genezen: de consumptie van verse groenten en fruit. In 1598 stichtte de VOC een eigen verversingsstation en compagniestuin op Mauritius; de meest bekende, op Kaap de Goede Hoop sinds 1648, werd in 1652 door de opperkoopman van de VOC Jan van Riebeeck omgebouwd tot een permanente vestiging. Jan van Riebeeck was oorspronkelijk scheepsheelmeester bij de VOC; collega's werden aan het eind van de 17e eeuw als opperchirurgijn op grond van hun chirurgische verrichtingen de best betaalde en hoogst gewaardeerde officieren aan boord van de Indiëvaarders. In het vaderland, waar scheurbuik in de grote steden en bij de arme plattelandsbevolking (zoals rond Alkmaar) eveneens in kleine epidemieën voorkwam bleven de nieuwe preventie en de therapie nog vele jaren onbekend.

Verloskunde als specialisme

In de loop van de 17e eeuw ging een aantal chirurgijns zich in het bijzonder bezighouden met de problematiek op onderdelen van het vakgebied. Franse heelkundigen - onder hen François Mauriceau (1637-1709), die thans nog niet vergeten is - specialiseerden zich in de verloskunde.

Ook vroedvrouwen leverden belangrijke bijdragen; zij hadden ervaringskennis van vele eeuwen waarin zij de enige en veelal gewaardeerde verloskundige helpers waren, ook voor de notabelen. In de geneeskundige stand was hun aanzien gering. Hun algemene ontwikkeling was zeer beperkt en een verloskundige opleiding bestond nog niet. Toch werden zij reeds in de 15e en 16e eeuw officieel door gemeentelijke overheden aangesteld voor de verloskundige armenpraktijk, ook in de dorpen. Bij de geboorte van een 'natuurlijk kind` hadden zij veelal ook de opdracht de naam van de vader te weten te komen ten behoeve van het gemeentebestuur. De specialisatie van heelmeesters tot vroedmeesters en het opnemen van vroedvrouwen in de chirurgijnsgilden, met alle gebruikelijke lusten en lasten, werd een goede ontwikkeling. Vroedmeesters moesten de vroedvrouwen te hulp komen bij gecompliceerde bevallingen. Zij waren de enigen die instrumentele verlossingen mochten verrichten. Zij werden waardevolle leermeesters. De Nederlandse chirurgijn Hendrik van Deventer (1651-1724) publiceerde een nauwkeurige studie over het vrouwenbekken en gaf de eerste rationele analyse van het gebeuren bij normale en afwijkende bevallingen in zijn 'Dageraet der Vroetvrouwen' (1696) en in een reeks latere geschriften. Dr. Frederik Ruysch (1638-1731), een interna- tionaal bekend Amsterdams medicus en een goede vriend van Boerhaave, hoogleraar anatomie en een uitstekend geneesheer en heelmeester, bracht de toegepaste verloskundige kennis, zijnde de praktische verloskunde aan het kraambed, op veel hoger peil door zijn onderwijs aan vroedmeesters en vroedvrouwen. De overheden waardeerden deze spontane ontwikkeling binnen het vakgebied. In het Amsterdamse St. Pietersgasthuis werd in 1680 in het koor van de voormalige Nonnenkerk een eerste kraamkamer ingericht, in de kerk zelf een kraamzaal; een gasthuis-vroedmeester werd met de leiding belast.

Meer specialisten

Reeds eerder waren een oogstaarsteker en twee (blaas)steensnijders aangesteld. Zij mochten hun operaties zonder voorafgaande toestemming van de regenten uitvoeren.

Onder de reizende `vrije meesters' waren reeds vele jaren anders-gespecialiseerde chirurgijns werkzaam. Echte opleidingen bestonden niet. Het waren veelal ondernemende, niet zelden wat drieste lieden, die zich een grote handvaardigheid en ervaring hadden verworven betreffende een of enkele moeilijke en riskante operaties. Tandmeesters, ledezetters, pestmeesters, en dergelijke waren gewoonlijk onvolledig geschoolde leerling-chirurgijns. Op jaarmarkten boden bovendien vele totaal onbevoegden in een kermisachtige sfeer hun diensten en wondermiddelen aan. Jan Steen, Adriaan Brouwer en anderen hebben deze lieden vereeuwigd. In de 17e en 18e eeuw werd de maatschappelijke en wetenschappelijke afstand tussen vooraanstaande heelkundigen en de 'doctores medicinae' geleidelijk aan kleiner. Chirurgijns gingen op hogescholen geneeskunde studeren en academici gingen zich bekwamen in heelkundige vaardigheden en hun genees-, heel- en verloskundige theoretische kennis toepassen aan het ziekbed. Het primitieve heelkundige handwerk ontwikkelde zich tot een wetenschappelijke discipline met een gedegen theoretische opleiding en praktische scholing. Eerst in het midden van de 19e eeuw liepen ook de grote chirurgen, ondanks hun kennis van anatomie en fysiologie, vast op de onopgeloste problemen van pijnstilling en wondinfecties.

1.5. Zorg in de Zaanstreek tot 1870

1.5.1. Geneeskundige zorg

Over de gezondheidszorg in de Nederlandse dorpen voor 1800 is weinig gepubliceerd. Schaarse archivalia over onze streek suggereren dat echte achterstand niet bestond. De relatieve welstand sinds eind 16e eeuw, het intensieve handelsverkeer en de behoeften van walvisvaart en grote zeevaart hebben wellicht de afwezigheid van gilden en de ontoereikende middelen en werkzaamheid van de lokale overheden kunnen compenseren. Ook de nabijheid van Amsterdam met vele voorzieningen en geneeskundige opleidingen zal een rol hebben gespeeld. Tot in de eerste helft van de 19e eeuw hadden Zaanse chirurgijns een groot aandeel in de verzorging van de bevolking; zij behandelden ook veel niet-heelkundige kwalen. Naast een barbierswinkel beschikten zij soms ook over een apotheek. In de 18e eeuw vestigden zich meer doctores medicinae in de streek.

De samenwerking met de chirurgijns kwam geleidelijk tot stand. In de stads- en dorpspraktijken van Nederlandse geneeskundigen liet de toepassing van wetenschappelijke aanwinsten veelal lange tijd op zich wachten. Dit was in de eerste helft van de vorige eeuw nog weinig veranderd; vakbladen bestonden nauwelijks of niet, vooraanstaande vakgenoten hielden elkaar op de hoogte met lange brieven. Omstreeks 1850 gebruikten Nederlandse studenten nog een vertaling naar de zesde druk uit 1832 van een leerboek geschreven door een leerling van Boerhaave, de Weense hoogleraar Baron Gerard van Swieten (1700-1772)! Auenbrugger publiceerde in 1760 zijn nieuwe onderzoeksmethode van de borstkas door middel van percussie, het bekloppen. Vochtophopingen in en rond de longen kon hij zo ontdekken, zoals zijn vader - een herbergier - de inhoud van zijn wijnvaten. Deze zeer waardevolle techniek werd eerst alom toegepast na propaganda door Corvisart, de lijfarts van Napoleon, in 1806. De thermometer, in 1775 ingevoerd in de Weense klinieken door Anton de Haen (1704-1776), eveneens een leerling van Boerhaave, was in 1850 nog niet doorgedrongen in de praktijken van de doctores in de Nederlandse steden.

Het vorenstaande doet vermoeden dat een beschrijving van geneeskundige en gezondheidszorg in de Zaanstreek, vóór de grote ontwikkelingen in het laatste kwart van de 19e eeuw, veel gelijken zal op die van de hulp die in dezelfde eeuwen elders in Nederland werd verleend.

De Jisper ledezetters

Het meest befaamd in de geneeskundige geschiedenis van onze streek zijn de Jisper ledezetters. Zij praktizeerden gedurende de gehele 17e eeuw en waren tot over de landsgrenzen bekend. In de hervormde kerk te Jisp vermeldt een zerk: 'Taemszoon de Ledesetter, Sterf in `t Jaer ons Heeren 1606 den 29 mertius'. Hij was de eerste van een hele reeks. Van hem is verder niets bekend. Zoon mr. Willem Taemszoon (gestorven 11-02-1613), bijgenaamd 'de IJseren Duijm, was een man 'daer men voor verschricken soude (. . . ), dat hij de ellendige menschen armen en benen brak en op ladderen bondt. . . '. Zo groot was de toeloop van patienten dat het nodig bleek te Jisp een hospitaal in te richten. De Staten van Holland vertrouwden hem in 1609 de behandeling van hun actieve soldaten toe. Jacob Cats, de dichter/raadpensionaris, prees zijn werk in het gedicht 'Gebrek genesen om een houwelijck te vorderen'. De schoonzoon van mr. Willem, mr. Jacob Cornelisz. Ploeg (gestorven 24-02-1644) werd de opvolger. De laatste ledezetter in de reeks, mr. Cornelis Jacobsz. Ploegh 'sterft 14-05-1697, out 72 jaren'. Hij was ook burgemeester van Jisp.

Mr. Willem Taemszoon zou 'toen hij nog op een buis voer (. . .) met een kleine studie aan de konst gekomen zijn.' Hij vestigde zich daarna als heelmeester en barbier in Jisp. Over de afkomst en de opleiding van het geslacht Ploegh is niets bekend, evenmin over de aard, de inhoud en de resultaten van hun kunst. Deze bleven familiegeheim, zoals toen gebruikelijk indien 'singuliere gaven' vereist zouden zijn. In de 17e eeuw telde Nederland verschillende ledezetters van internationale faam. Zij hadden hoogwaardigheidsbekleders binnen hun cliëntele, zelfs een Franse koning. Ledezetters waren heelkundigen die zich in het bijzonder bezig hielden met de behandeling van 'dislocatiën' van botten en gewrichten, dat zijn fracturen, ontwrichtingen en de gevolgen daarvan. Veelal hadden zij slechts een zeer korte en beperkte chirurgijnsopleiding doorlopen; niet zelden was het volkomen onbekend welke scholing zij hadden gehad en welke bevoegdheden zij hadden verworven. Een stedelijke scherprechter, de beul, die ambtshalve door folteringen en andere lijfstraffen veel ervaring met deze kwalen had, genoot nogal eens het vertrouwen van de bevolking op dit gebied. Hij werd ook wel als stadsledezetter geaccepteerd door de stedelijke overheid, op grond van 'singuliere gaven' en krachtens oud gewoonterecht, tot in de 18e eeuw (Deventer 1703). Het is wel zeker dat vele officiële chirurgijns in de steden het ruwe en vaak riskante gebied van de orthopedie graag zelf vermeden.

Stiers Wreedheid
De gevolgen van wat als Sriers Wreerheyd bekend bleef: boer Egh ligt op de grond, zijn vrouw wordt door de chirurgijn behandeld. Naar een prent uit het jaar 1647.

Een ernstig ongeval in Zaandam op 29-08-1647 kreeg grote bekendheid. Het tragische gebeuren werd zelfs afgebeeld op serviesgoed en Dr. Schoo uit Krommenie schreef nog in de 20e eeuw voor een wetenschappelijk boekwerk een artikel over 'Stiers Wreedheid, de geschiedenis van een ongewone geboorte'. Bij een poging twee vliegerende jongens te beschermen tegen zijn woedende stier werd boer Jacob Eg door het dier dodelijk verwond. Trijn Eg, zijn hoogzwangere vrouw die kwam toesnellen, werd op de horens genomen, in de lucht geslingerd en gedood. Haar baarmoeder was opengereten als bij een keizersnede; in de lucht werd het kind Jacob geboren. Het overleed op 25-05-1648, negen maanden later. Allen werden begraven in de Westzijderkerk, vanaf dat moment Bullekerk geheten. Een hedendaags beeldje op het kerkplein herinnert aan het gebeuren.

Abraham L. Vrolingh

Sipke Lootsma vond in het archief van de Zaanse historicus Jacob Honig Jansz. jr. (overleden 1870) ondermeer een boekje uitgegeven in 1646 door de Zaandamse boekverkoper H.J. Soet (Soetenboom) op de Dam. Het werd geschreven door een gemeentelijke chirurgijn van Zaandam, Abraham L. Vrolingh, en opgedragen aan het gemeentebestuur uit dankbaarheid voor zijn aanstelling, als vreemdeling, in deze gemeente. Het geschrift bestaat uit twee delen. Het eerste is een uitgebreide en herziene herdruk van een veel geraadpleegd 'pestboekje`, oorspronkelijk geschreven in 1593 door de Engelse chirurgijn Eduardus Putman, gevestigd te Doesburg. Het verkreeg als 'Putmans Manuaal of Journaal' bekendheid en vele herdrukken dankzij de raadgevingen voor de bestrijding van de pest. Het tweede deel is het rijmdicht 'Der Matrosen Gesondheydt', een verhandeling over de scheurbuik, gebaseerd op Vrolingh`s eigen ervaringen als zeechirurgijn. Het beschrijft opvattingen over oorzaken en behandelingen die in 1646 op de grote vaart reeds waren achterhaald. Het geschrift eindigt met de opwekking bij Vrolingh het kruidenmengsel te kopen dat hij zelf had samengesteld en dat hij een probaat geneesmiddel noemde.

Chirurgijns in Assendelft

Het gemeentebestuur van Assendelft liet zich in hetzelfde jaar 1646 door een drietal chirurgijns adviseren over de uitoefening van het chirurgijnsambt. Deze heelkundigen praktizeerden zelf in Edam, Hoorn en Monnickendam. Hun verklaringen werden in een notariële akte vastgelegd.

Jaarlijkse bieding in Assendelft

De gemeente Wormer gebruikte sinds 1680 een reglement voor de dorpschirurgijn die werd belast met het geneeskundig verzorgen van de armlastigen gehuisvest in het Weeshuis. Behalve tot scheren en knippen was hij gehouden zieken 'Zo binnen als buyten na vermogen te cureren' en alle gewenste medicamenten te verstrekken 'brandwijn incluys'. Ieder jaar werd opnieuw een contract gesloten met de laagst biedende heelmeester, ook indien deze in een ander dorp woonachtig was (Zaende 1946, blz 175).

Vroedvrouwen

Over vroedvrouwen zijn er eveneens mededelingen uit de 17e eeuw. Op 07-01-1634 verklaarde de 'oudt schepen en oud kerckmeester op Zaerdam Cornelis Claesz. Joor' dat 'Neel Jans Dochter alias Neeltje-Moer' de eerste is geweest die 'van de gemeente van Zaendam soo ten Oosten als ten Westen van de Zaan, met loon en gagie is aengenomen ende ghepromoveert tot Vroemoersampt.' Tevens werd voor haar een 'huys getimmert', waarin acht jaar later ook haar opvolgster 'in 't selve ampt' werd gehuisvest. Dr. C. Bakker berichtte dat de eerste vroedvrouw van Broek in Waterland werd aangesteld in 1654. Tot 1786 werd een naamlijst bijgehouden van alle opvolgsters. In 1670 werd een nieuwe vroedvrouw voor aanstelling geëxamineerd door een mr. chirurgijn in Monnickendam; de eerste volledige instructie werd genoemd in 1786.

Bekendheid van de chirurgijn

Dorpsheelmeesters waren soms gewaardeerde leden van de gemeenschap. Eén van de Jisper ledezetters werd zelfs burgemeester; hij was toen al een welvarend man. Eind 18e eeuw, in de huidige gemeente Broek in Waterland, werd een dorpschirurgijn niet alleen gerechtsbode - een zeer laag ambt - maar tevens schout, een gewichtige functie. Een aantal advertenties in de Amsterdamse Courant, opgespoord door S. Hart (Zaende 1951) geeft een opmerkelijk beeld van de toenmalige geneeskundige praktijkvoering. Op 20-02-1698 en 28-05-1699 adverteerde zich 'Mr. Nicolaas Band, bij de kerk in Koog aen Zaerdam, zoon van een gewezen Doctor en Geneesheer tot Winkel' als genezer van een reeks ernstige geestes- en zenuwziekten. Hij bood aan belangstellenden in contact te brengen met reeds genezen patiënten. Op 06-09-1718 berichtte zijn zoon, mr. chirurgijn Johannes Band, over zijn vestiging met een zelfde 'gespecialiseerde heelkundige'(!) praktijk. Op 10-04-1698 werd aangekondigd dat 'tot Wormerveer in 't Bonte Huys' van Juffr. Marijke Salde 'een prima aambeienzalf' te bekomen is, bovendien 'poeders voor graveel, dat de sandigheydt en de kleine (blaas-)steentjes geheel afzet en de pijn wegneemt.' Op 29-08-1699 verscheen een advertentie dat mr. chirurgijn Willem Boom 'tot Wormerveer, daar waar de medicijnboom uythangt, uit Indië heeft meegebracht een remedie om vallende ziekte, alsmede de kanker en breuken zonder snijden te genezen'. Op 07-01-1723 kwam de mededeling van Conradus Kisselius, medisch Doctor tot Oostzaandam op de Bloemgraft, dat hij zich aanbeveelt voor de levering van 'een onfeilbaar middel om een bevalling gemakkelijk en spoedig te doen verlopen'. De prijs was civiel, voor onvermogenden om niet. Meer reële en cliëntvriendelijke gebruiken, afgestemd op de beperkte mogelijkheden van geneeskundige behandelingen in het tijdsgewricht werden eveneens bekend. In 1753 was het in Wormerveer (en elders) een normale procedure dat een geneeskundige behandeling van moeilijk te cureren kwalen - bijvoorbeeld een 'open been' of een kankergezwel - geschiedde op condities die vooraf werden overeengekomen. De heelmeester aanvaardde dan de opdracht genezing te bereiken in een tijd korter en voor een honorarium lager dan maximaal was vastgesteld, soms ook op de conditie 'no cure, no pay`. De genezing van een 'zere lip' - een kankerachtig gezwel - die op advies van een dorpsheelmeester werd overgedragen aan de Amsterdamse vlootchirurgijn Jan Rathlau, kwam niet tot stand, ook niet na verlenging van de overeenkomst. Het afbreken van de vruchteloze behandeling door de opdrachtgever - een kerkelijk diaconie-bestuur te Wormerveer - werd aanleiding voor een fikse ruzie tussen de beide heelmeesters (Aten, Zaende 1946). In deze jaren had Wormerveer ongeveer 1800 inwoners, waaronder drie gevestigde chirurgijns. Het overdragen van een moeilijke of riskante behandeling aan een elders gevestigde collega zal wellicht zijn bevorderd door angst voor mislukking van eigen pogingen, waardoor schade zou kunnen ontstaan aan de eigen faam als geneesheer.

Zaanse chirurgijns

Rond 1800 waren er ook in de Zaanstreek aanwijzingen voor een geleidelijke vooruitgang van het geneeskundige handelen en van toenadering tussen doctoren en heelmeesters. In 1792 publiceerde de Koogse heelmeester Coenraad Kerbert in een landelijk wetenschappelijk periodiek zijn succesvolle behandeling van een schijndode jongen, die vijftien minuten in het water had gelegen. De beschrijving van de patiënt en van zijn behandeling was duidelijk en kritisch, haast hedendaags. Mond-op-mond beademing ontbrak niet. De Maatschappij tot redding van drenkelingen eerde Kerbert 'met hare gewone gouden medailje'.

Zoon Jac. Joh. Kerbert volgde zijn vader als heel- en vroedmeester in Koog op. Kleinzoon C. Kerbert Jr. (1816-1857) studeerde na zijn heelkundige opleiding aan de klinische school te Haarlem, geneeskunde in Leiden en promoveerde tot doctor medicinae op 12-12-1839. Hij praktizeerde in Koog en Zaandijk. Dr. J.J. Kerbert, geboren in 1822, promoveerde in 1846 en praktizeerde van 1863 af in Arnhem. Hij publiceerde vele wetenschappelijke artikelen.

Neeltje Mulder is in haar 'Jeugdherinneringen' vol lof over de mr. Hendrik Tobbe III van haar jeugd. Deze praktizeerde als derde generatie van het chirurgijnsgeslacht Tobbe in Zaandijk van 1832 tot 1864. Hij behandelde blijkbaar alle voorkomende aandoeningen, was bovendien vroed- en tandmeester. Bij gecompliceerde en moeilijke kwalen raadde hij steeds een consult van doctor Nellius in Zaandam. Zijn zoon, Hendrik IV, werd arts in Heerenveen. Grootvader mr. Hendrik Tobbe I was eveneens als heelmeester werkzaam in Koog-Zaandijk (1772-1805). Hij verdronk in Zaandam. toen zijn rijtuig door gladheid en mist in de wegsloot belandde. Dr. P. Bleeker (1819-1878) was een Zaandamse zeilmakerszoon. Hij werd opgeleid tot stedelijk heelmeester (1840) en praktizeerde als militair-geneeskundige op Java tot 1861. Van 1856 af was hij lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen en Staatsraad sinds 1860. Hij publiceerde belangrijke wetenschappelijke studies. Van 1861 af praktizeerde hij in Leiden.

Dr. A. Sasse, geboren 13-12-1832 in de Rijp als zoon van een doctor medicinae, promoveerde in Leiden (1855) en was daarna medicus in Zaandam. Hij publiceerde veel, ook over niet-medische onderwerpen en in vreemde talen. Zijn zoon, dr. J. Sasse Az., volgde hem op in Zaandam; kleinzoon dr. H.F. Sasse was reeds als medisch student een schrijver.

Organisatie van genees- en heelkundigen

Een genees- en heelkundig gezelschap aan de Zaan, met als zinspreuk 'Tot heyl van het Mensdom' werd opgericht in 1803. Het telde vele leden in Zaandam en in de Zaanse dorpen. Dr. F. le Maire, geneesheer te Westzaandam, was voorzitter. In een bekendmaking aan de bevolking van 27-01-1804 berichtte het bestuur dat 'iedere dinsdag- en vrijdagmiddag tussen 3 en 5 uur, door twee leden van het gezelschap op de gewone vergaderkamer te Oostzaandam, ten huize van de heelmeeester W. Dijkhoff, iedere minvermogende geheel gratis met koepokstof kan worden ingeënt'. De leden deden dit aanbod omdat zij in hun particuliere praktijken reeds gedurende een jaar goede resultaten hadden verkregen. Op 17 maart 1801 was reeds het driejarig bestaan gevierd van het eerste, soortgelijke genootschap aan de Zaan, met de zinspreuk 'Vlijt bouwt Kunst'. Le Maire was ook daarvan de voorzitter. Een ruzie van enige werkende leden leidde tot opheffing in 1802. Het tweede ontving in 1810 uit de berooide gemeentekassen van Oost- en Westzaandam een subsidie van f 50.

Koepokinentingen

Koepokinentingen kregen in de Zaanstreek vroegtijdig veel aanhangers. Nadat de Engelse arts Jenner op 14 mei 1796 zijn eerste vaccinatie had verricht, volgde de eerste in Nederland reeds in 1800 te Rotterdam. In januari 1803 werd zoon Willem van Hendrik Sijpesteijn in Krommenie geprikt, 'hetwelk bij de 't najaar ontstane kinderziekte (de pokken, red.) door zeer vele gevolgt is, meest alle met Groot Cukces'. Dr. Verburg propageerde in een vergadering van het Nut op 25-08-1805 deze preventieve bestrijding. Het gemeente-archief van Krommenie bevat van 1828 tot 1866 voor ieder jaar een lijst met namen van de ingeënten. In 1849 werden 47 van de 2700 inwoners behandeld, daarvan 31 gratis door de drie heelmeesters in de gemeente; de plaatselijke medicus Dr. van Leyden werd niet vermeld. Door de gemeente Zaandam werd in 1812, in het eerste jaar van haar verheffing tot stad, indirecte dwang uitgeoefend op armlastige inwoners om zichzelf en hun kinderen te doen immuniseren. Alleen met een 'pokkenbriefje' konden zij toegang verkrijgen tot 'Godshuyzen en scho1en`.

1.5.2. De Zaanse geneeskundige stand; omvang en welstand tot 1865

In heel Nederland was er een groot aantal genezers van velerlei rang, bevoegdheid, opleiding en kennis ontstaan. Bovendien was het een aantrekkelijk vak voor wonderdokters en bedriegers. Deze ontwikkeling wordt fraai geschetst door Neeltje Mulder (1833-1912) in haar 'Jeugdherinneringen`. Rond 1865 waren er twaalf soorten genezers met enige officieel erkende bevoegdheden. S. Lootsma vond in protocollen van Zaandamse notarissen in de jaren 1641-1700 de namen van zeven doctores medicinae, allen in Oost- en Westzaandam, waarvan één tevens als apotheker werkte. Daarnaast waren er 32 chirurgijns, twee ledezetters en een breukmeester. Voor de jaren 1711-1769: twaalf doctores en vele chirurgijns. Alle chirurgijns waren tevens barbier en beschikten ook vaak over een apothekerswinkel. De lijsten opgesteld voor de Personele Quotisatie (de evenredige verdeling van een tijdelijke belasting op het inkomen in 1745-1748) geven meer informatie over de positie van geneeskundigen. S. Hart (de Zaende 1946, 1947) vermeldt daaruit het onderstaande: Alle jaarinkomens lager dan f 600 waren vrijgesteld. Dit bedrag gold als een zeer behoorlijk inkomen; een geschoolde werkman verdiende f 300 á f 450 per jaar. Het inkomen van werkbazen en vrije meesters werd wel in de taxatie door deskundigen betrokken. Onderstaand een overzicht van de jaarlijkse belastingaanslag per inkomensklasse:

  • klasse 1 (f 600 tot f 700) f 6
  • klasse 2 (f 700 tot f 800) f 8
  • klasse 3 (f 800 tot f 1000) f 12
  • klasse 4 (f 1000 tot f 1200) f 15
  • klasse 5 (f 1200 tot f 1500) f 18
  • en zo oplopend tot klasse 17 (f 9000 tot f 10.000), met een aanslag van f 200.

De gemiddelde aanslagen in de Zaanse dorpen bedroegen f 13 tot f 18, geldend voor 8 tot 18% van de gezinnen (vgl. Amsterdam f 34 voor 32%). In Westzaandam met 6300 inwoners werd aan 4 med. doctores en l apotheker een aanslag opgelegd waarvan twee in klasse l, één in klasse 2, en twee in klasse 4. Van de zeven chirurgijns kregen er vier een aanslag: in klasse l en 2 elk één, en twee in klasse 4. Gezien de kleine aantallen inwoners en het relatief grote aantal geneeskundigen zijn de lage inkomens van geneeskundigen verklaarbaar.

1.5.3. Gezondheidszorg in de Zaanstreek tot 1870: de cholera-epidemieën.

De gezondheidszorg vóór 1800 beperkte zich tot geneeskundige behandeling van zieken. Voor armlastigen betaalde de kerkelijke of burgerlijke armenzorg dokter, chirurgijn, vroedvrouw en apotheker. Soms probeerde men de verspreiding van besmettelijke ziekten, met name van de pest en melaatsheid, te voorkomen door isolatie van patiënten in pesthuizen en gestichten voor leprozen. Ook quarantainemaatregelen bij het handelsverkeer waren niet onbekend.

Pestepidemieën teisterden in de Middeleeuwen geheel Europa. In Nederland eiste de laatste golf, in 1663-1664, nog zeer veel slachtoffers. Gedurende de epidemie van 1601-1602 werden in het Pesthuis van het Amsterdamse Sint Pieters Gasthuis wel vijfhonderd lijders tegelijk verzorgd; vaak lagen toen twee of drie patiënten in één bed. In september overleden negenhonderd zieken. Driehonderd van de 750 kinderen in het Weeshuis stierven eveneens. Amsterdam telde toen 60.000 inwoners. Andere kwaadaardige en besmettelijke koortsen traden eveneens in epidemische vorm op. In 1625 werd Amsterdam bezocht door een pokken- en een mazelenepidemie; ongeveer zevenhonderd patiënten werden in de gasthuizen verzorgd. Later in dat jaar volgde een pestepidemie. Men had tegen deze kwalen geen enkel verweer; diagnoses bleven onzeker, de oorzaken en ziektebronnen onbekend. Naast bovengenoemde kwamen voor: buiktyphus, dysenterie, roodvonk, malaria, tuberculose, schurft en syphilis. Bovendien kwamen in de 18e eeuw vlektyphus en in de 19e eeuw cholera in epidemische golven over Europa.

Oorzaken van epidemieën

Soms zocht men de oorzaak in het leefmilieu, zoals de kwaliteit van drinkwater, dat door afval en faecaliën verontreinigd was. Zo verbood het gemeentebestuur van Delft reeds in de 16e eeuw het grachtwater op deze wijze te verontreinigen. Men dacht daarbij ook aan de bedreiging van de smaak van het veel geroemde Delftse exportbier. Zoals de geneeskunde te kort schoot bij het genezen van lijders, zo was de gezondheidsleer, de hygiëne, nog niet in staat ziekte-oorzaken aan te wijzen en op te sporen om ziekte te voorkomen. Op het Nederlandse welzijns- en gezondheidspeil in de eerste helft van de 19e eeuw is de volgende omschrijving van toepassing (uit: Een eeuw Staatstoezicht op de Volksgezondheid, Querido 1965). 'Diep was de armoede in de eerste helft van de 19e eeuw; honger en epidemieën veroorzaakten sterftecijfers die de geboortecijfers overtroffen. Hygiënische misstanden, onwetendheid en zedelijk verval vormden de meest miserabele levensomstandigheden. ( . . .) Naast deze misstanden een medische stand die niet opgewassen was tegen deze ontwikkelingen. Het platteland (was) vaak verstoken van deskundige geneeskundige hulp en overgeleverd aan de kwakzalverij.' Aldus het rapport. De gebeurtenissen rond het vóórkomen van besmettelijke ziekten in de Zaanstreek in deze eeuw ondersteunen deze uitspraak. De geleidelijke groeiende aandacht van de (rijks-) overheid voor gezondheidszorg is er uit af te lezen, evenals de doorslaggevende betekenis van wetenschappelijke biologische en geneeskundige ontdekkingen in het laatste kwart van de 19e eeuw voor het voorkómen en het bestrijden van besmettelijke ziekten. Een belangwekkend en zeer informatief beeld van feitelijkheden, verhoudingen en onopgeloste problemen in de Zaanse gezondheidszorg rond het midden van de 19e eeuw schetste Neeltje Mulder (1833-1912) in haar 'Jeugdherinneringen'. Niet iedere geneeskundige kon door haar worden geprezen, de hygiëne van de mensen en van hun woon- en leefmilieu baarde zorgen, de kwakzalverij tierde welig en besmettelijke ziekten bedreigden veler bestaan.

Cholera-epidemieën

De gemeentelijke archieven concretiseren deze indrukken op verschillende onderdelen. In de 19e eeuw werd de Aziatische cholera epidemisch in geheel Europa, in 1832-1833, in 1848-1849, in 1853-1854 en in 1866-1867. Telkenmale waren er in Nederland duizenden sterfgevallen; in 1866-1867 ongeveer 19.000 (dat was 5,5 promille van de Nederlandse bevolking), veelal op de tweede of derde ziektedag. De bewoners van overvolle stadswijken zonder voldoende hygiënische voorzieningen - zoals zuiver drinkwater, een hygiënisch verantwoorde faecaliënafvoer en dergelijke - werden steeds het zwaarst getroffen. De Zaanstreek werd eveneens door de cholera bezocht; gezien de dichte bebouwing van de paden, de vieze sloten met sekreten en boenwallen, het verkeer van Indische retourschepen van Den Helder naar Amsterdam, wekt dat geen verbazing.

De cholera-epidemie van 1832

Op 19 november 1831 berichtte de gouverneur van Noord-Holland alle gemeentebesturen over het optreden van 'Asiatische braakloop' (de cholera) in Hamburg en in Engeland. Hij raadde aan gemeentelijke voorzieningen te treffen voor het verzorgen van lijders en van overledenen; bovendien maatregelen die de bevolking zouden kunnen brengen tot een sobere en hygiënische leefwijze, waardoor de weerstand zou kunnen worden verhoogd en de besmettingskans verkleind. De armen zouden extra aansporingen behoeven en toezicht van pad- en armenmeesters. Noodziekenverblijven dienden beschikbaar te zijn, evenals ziekenoppassers en voorraden genees- en ontsmettingsmiddelen. Nieuwe gouvernementele berichten en aanwijzingen volgden in januari en mei 1832. Op 28 mei werd zelfs gewag gemaakt van verplichtingen die gemeentebesturen zouden hebben. Er werd opnieuw nadruk gelegd op de vrijheid voor iedere patiënt zich al dan niet te laten opnemen en isoleren in een ziekenbarak. Op 4 juli 1832 meldde de gouverneur het eerste Nederlandse geval van cholera, in Scheveningen. Op 2 augustus volgde een nieuwe openbare bekendmaking met voorschriften voor zelfbescherming en onmiddellijke zelfhulp bij ziekte. Op 16 augustus 1832 werd de eerste cholera-patiënt in Amsterdam gemeld. In het Zaandamse archief zijn geen verdere gegevens over deze eerste epidemie aangetroffen.

In Westzaan (Jantszen, Zaende 1948) werden in deze periode 220 van de 2400 inwoners door cholera aangetast; 33 overleden. De hulpverlening geschiedde door de drie plaatselijke geneeskundigen, één van hen was hoogbejaard.

De extra kosten voor de inrichting van een cholerabarak, voor de waaklonen van de ziekenoppassers, het ontsmetten van lijf- en beddegoed, de lichamen van de overledenen en van de woningen werden betaald uit gelden bijeengebracht door de inwoners op verzoek van het gemeentebestuur. De offervaardigheid was zo groot dat er in 1836 nog f 5000 in kas was.

De cholera-epidemie van 1849

Bij de volgende choleragolf, in 1849, waarbij 79 van de 2550 Westzaners ziek werden en 57 overleden, betaalde men f 1098 uit hetzelfde “potje voor het aanleggen van twee drinkwaterreservoirs bestemd voor Vechtwater; bij de dreiging van een nieuwe epidemie metselde men nog een derde bak bij het gemeentehuis. In 1893, toen cholera opnieuw scheen te naderen, werd de gemeente aangesloten op de duinwaterleiding. Het “potje” behield een taak tot 1936.

In het gemeente-archief van Zaandam bevindt zich een lijst met namen en dagtekening van de sterfgevallen in 1849. Het verloop van de epidemie in Zaandam is daaraan af te lezen. Op 21 oktober 1848 verscheen een openbare bekendmaking over nieuwe cholera-gevallen in Noord-Holland. In Zaandam werden tussen vijf mei 1849 en 31 oktober 1849 225 sterfgevallen aangegeven (er waren in 1840 11.139 inwoners), daarvan tussen 3 mei en 30 mei elf doden, nul tot twee per dag; tussen 31 mei en 19 juni 161 doden, nul tot veertien per dag, en tussen 24 juni en 19 oktober 61 sterfgevallen, nul tot drie per dag.

In de jaren sinds 1832 waren de officieel aanbevolen bestrijdings- en geneesmiddelen niet veranderd. De extra kosten voor de verzorging van onbemiddelde lijders bedroegen f 1597. 43 Weduwen van cholera-patiënten werden armlastig.

Latere cholera-epidemieën

De cholera-epidemie van 1853-1854 ging grotendeels aan Zaandam en Westzaan voorbij. In 1866-1867 waren er opnieuw vele slachtoffers, zoals in geheel Nederland. In Zaandam, toen met ongeveer 12.000 inwoners, werden tussen 26 juli en 10 oktober 1866 95 ziektegevallen bekend, daarvan overleden er 58. Tussen 27 augustus 1867 en 23 september 1867 160 zieken en 103 sterfgevallen; in de week van 27 augustus 1867 tot 4 september 1867 waren er 103 nieuwe gevallen en zestig doden.

Gedurende deze epidemie trad de, in 1865 opgerichte, afdeling Zaanland van de Maatschappij voor Geneeskunst voor het eerst naar buiten met een cholera-commissie ter advisering van de Zaanse gemeentebesturen. In Zaandam werd op verzoek van B & W een cholera-commissie gevormd uit vooraanstaande burgers, ter financiële ondersteuning van minvermogende zieken. In september 1866 werd f 3000 ingezameld, in oktober 1867 f 2500. Het geld werd besteed zoals dat veel eerder in Westzaan geschiedde. Deze commissie functioneerde tot 1872.

Het provinciale bestuur adviseerde in 1866 nieuwe bestrijdingsmiddelen. Schotels met carbolzuur dienden in de kamers te worden geplaatst en op het erf, bij de buitendeuren, vuren waarop potten met dampende koolteer. De gemeente stortte bovendien teer op verontreinigde sloten. Voorzieningen voor betrouwbaar drinkwater werden onnodig geacht, 'gezien de vele en goed onderhouden regenbakken bij de woningen'.

De gasfabriek verstrekte zes ton teer aan de Zaandammers. Uit Zaandijk berichtte Neeltje Mulder hoe haar vader het voortdurende verdampen van de koolteer op de vuurpotten op het eigen erf verzorgde.

Na november 1867 bleven sporadische cholera-gevallen nog jarenlang onrust zaaien; nieuwe epidemieën bleven echter uit.

Naar een effectieve behandeling en bestrijding van cholera

Het is wel zeker, dat noch de geneeskundige behandeling van de lijders, noch de strijd tegen de uitbreiding van de cholera onder de bevolking, veel invloed heeft gehad. De gevaren van snelle uitdroging en mineralenverlies door onstuitbaar braken en een waterdunne diarree waren onvoldoende bekend en deze kwalijke symptomen waren niet in voldoende mate te beïnvloeden. De doorslaggevende betekenis voor de verspreiding van de besmetting door (met cholera-kiemen) verontreinigd drinkwater en door daarmede behandeld vers voedsel, was nog niet onderkend. Eerst in 1892 zond de Utrechtse cholera-commissie gratis aan alle gemeentebesturen de brochure 'Wenken aan de bevolking ten aanzien van het voorkomen van Cholera'. De auteur was een plaatselijke hoogleraar, eerder inspecteur van het Geneeskundige Staatstoezicht, die, mede dankzij de ontdekking van de choleraziektekiemen (Robert Koch, 1884), thans klare taal kon gebruiken. 'Aangezien de darmen van een cholera-patiënt, zoals bij lijders aan andere besmettelijke darmziekten, de bron zijn van iedere besmetting en met faecaliën verontreinigd drinkwater het transportmiddel is van de kiemen, zal verspreiding van de ziekte worden voorkomen door koken van drinkwater en van alle dranken en spijzen (melk!) die daarmee in aanraking komen. Potten, pannen, bussen, bestek en serviesgoed moeten met gekookt, schoon water worden gereinigd; faecaliën afdoende worden ontsmet en verwijderd.'

Zonder enige kennis van de bacteriologie waren reeds vele tientallen jaren eerder hier en daar soortgelijke adviezen gegeven door geneeskundigen op grond van kritisch nadenken over eigen ervaringen. In het Zaandamse archief bevindt zich een brochure uit 1832, geschreven door de Leidse prof. dr. C.L. Blume, 'Vruchten mijner ondervindingen in het afwerken en genezen der Cholera'. Na een nauwkeurige beschrijving van het ziektebeeld en het ziekteverloop bij patienten op Java - de auteur was daar vele jaren werkzaam geweest - beschreef hij de eigen wijze van behandelen van patienten en de maatregelen om verspreiding van de ziekte te voorkomen. Gezond, helder drinkwater, dan wel gekookt en gezuiverd water was daarbij het belangrijkste middel. Duizend exemplaren van het boekje werden reeds in november 1832 gratis toegezonden aan gemeentebesturen, maar werden blijkbaar zelden geraadpleegd. Althans, concrete maatregelen lieten vooralsnog op zich wachten.

  • gezondheidszorg/gezondheidszorg_voor_1800.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/15 23:30
  • door jan