Dit is een oude revisie van het document!


Haan, Jacob Israël de

Smilde 31 december 1881 — Jeruzalem 30 juni 1924

Nederlands letterkundige, voornamelijk dichter, maar ook bekend door enkele romans en essays. De Haan was de iets jongere broer van Carry van Bruggen, pseudoniem van Lientje de Haan; zij werden in hetzelfde jaar geboren, merkwaardigerwijs op 1 januari en 31 december van dat jaar. Op jeugdige leeftijd, in 1885, verhuisden zij naar Zaandam, waar hun vader Izak chazan of Joods voorzanger in de Synagoge werd. Elf jaar later, in 1896 ging Jacob Israël naar de Rijkskweekschool in Haarlem. Hij was enige jaren onderwijzer, onder meer in Krommenie.

In 1903 studeerde hij rechten in Amsterdam, in 1904 debuteerde hij met de verhalenbundel Kanalje, die in hetzelfde jaar werd gevolgd door de roman Pijpelijntjes. Dit bracht hem in conflict met de socialistische politicus Pieter Lodewijk Tak (1848-1907) en veroorzaakte morele verontrusting in de SDAP door de onverhulde homoseksuele aard van het boek. In 1907 volgde de roman Ondergangen, die zich voor een belangrijk deel in de Zaanstreek afspeelt. Hij gebruikte er woorden uit de Zaanse volkstaal in zoals fleken en kluft. Andere proza-uitgaven waren de roman Pathologieën uit 1908, het essay In Russische gevangenissen uit 1913 en de dissertatie Rechtskundige Significa uit 1916. Na zijn promotie was De Haan drie jaar werkzaam als privaat-docent aan de Hogeschool van Amsterdam.

In 1919 vertrok hij naar Jeruzalem, om zich daar te ontpoppen als tegenstander van het politieke zionisme. Hiermee haalde hij zich de vijandschap van de Joodse gemeenschap op de hals. Nadat hij in 1923 al schriftelijk was bedreigd, maakten drie schoten op 30 juni 1924, in Jeruzalem, een bruut einde aan het leven van de 42-jarige Jacob Israël de Haan. De moord, de eerste politieke moord in Palestina, schokte de wereld. Zijn moordenaar, Avraham Tehomi, was een 21-jarige ondercommandant van de paramilitaire zionistische organisatie Haganah. Pas in 1985 is onthuld dat de moord met medeweten van de latere president Ben Zvi was gepleegd. Het gevaarlijk element De Haan, die voor Nederlandse en Britse kranten stukken schreef waarin hij het zionisme scherp bekritiseerde, moest worden geliquideerd, zo vond men bij Haganah. Het liep uit op een tragische dood na een tragisch leven.

Tragisch, want Jacob Israël de Haan was onaangepast, even intelligent als omstreden. Hij getuigde van zijn homoseksualiteit, verdiepte zich in zijn Jood-zijn en deed dit op een voor die tijd ongekend openhartige, strikt eerlijke manier. Hij botste, naar welke kant hij zich ook bewoog, schreef Gerrit Komrij over hem. 'Zo ontstond uit noodzaak de behoefte zichzelf te rechtvaardigen, door te schelden, te vluchten, uit de hoogte te doen, groteske maar serieus bedoelde pogingen te ondernemen zich te rehabiliteren, ja door zichzelf te kronen (…). Met gemis en verlangen stond hij op vertrouwder voet dan met aanwezigheid en realisering. Hij zag de droom aan voor de daad. Wie niet voor hem was, was tegen hem', citaat uit een inleiding van Komrij, die besluit met de opmerking dat aan De Haan eindelijk de plaats moet worden toegekend die hij verdient onder de Nederlandse dichters: onder de grootsten.

Hoewel de kroniek die De Haan schreef voor het Algemeen Handelsblad goed werd gelezen, en twee homoseksuele romans, Pijpelijntjes en Pathologieën veel ophef veroorzaakten, bleef hij in de Nederlandse literatuur een randfiguur. Zijn zus Carry van Bruggen werd bekender. In de twee romans schreef de Haan, ongekend voor die tijd, openhartig over liefdesrelaties tussen jonge mannen. Echt reclame voor de herenliefde maakte hij niet: in de romans spelen sadisme en masochisme een grote rol.

Jacob Israël de Haan kreeg als romanschrijver en dichter niet de plaats die hem toekomt. In het jaar van zijn dood kwam De Haans bundel Kwatrijnen uit; men vindt 'de worstelingen van zijn laatste jaren op vaak prachtige wijze verbeeld' (C. Buddingh). Als voorbeeld:

Die na mij komen lezen mijn kwatrijnen,
Zij zullen sidderen als zij verstaan,
Met welk een marteling van hartepijnen,
Ik zingend door het leven ben gegaan.

Vierregelige gedichtjes, het dagboek van zijn innerlijk leven. Zo kun je deze melancholieke, heldere en soms spottende verzen zeker lezen. Ze brengen de gekwelde schrijver, altijd worstelend met schuld en boete, met God die al dan niet bestaat, met heimwee en verlangen, met zijn liefde voor mooie jongens, dichtbij. Bekend werd zijn kwatrijn Onrust:

Die te Amsterdam vaak zei: “Jeruzalem”
En naar Jeruzalem gedreven kwam
Hij zegt met een mijmerende stem
“Amsterdam, Amsterdam”

Zaankanters voelen zich wellicht wat meer aangesproken door:

Wat is de Zaan een mooie brede stroom,
Ik ben een jongen te Zaandam geweest,
Jeruzalem: zó teder, als een droom,
Herdenk ik hier mijn jeugd en elk Joods Feest.

In vier regels vatte Jacob Israël de Haan hier zijn leven tussen de twee voor hem belangrijkste polen samen.

  • haan.1510862321.txt.gz
  • Laatst gewijzigd: 2017/11/16 20:58
  • door zaanlander