klederdracht

Het dragen van kleding uit vroegere tijden als uiting van gebondenheid aan een bepaalde (streek)cultuur en aanwezige historiciteit. Tegenwoordig wordt de dracht ook aangewend voor folkloristische feesten en voor toeristische doeleinden.

Van oudsher heeft de mens kleding nodig gehad om zich te beschermen tegen de klimatologische omstandigheden. Daarnaast was kleding echter een mogelijkheid om een bepaalde status te tonen. In het modebeeld gaven het hof en de adel de toon aan, gevolgd door de rijke burgers in de steden. Langzaam drong die mode tenslotte door op het platteland. Het is bijzonder moeilijk om een compleet beeld van de kleding door de tijden heen te krijgen.

Wat bewaard is gebleven en in de diverse musea te aanschouwen is, betreft voornamelijk kleding van de rijkere burgers, gemaakt van dure stoffen zoals zijde en sits. De Zaanlandsche Oudheidkamer bezit veel rokken en jakken van deze stoffen, doch slechts één rok (van omstreeks 1830) van een slechte kwaliteit katoen. In deze rok zitten maar liefst 38 verstelstukken. Toch mogen wij aannemen dat dit nog een 'mooie' rok was, anders zou zij niet bewaard gebleven zijn.

Kleding van vrouw en man aan hel eind van de 17e eeuw, naar de tekeningen van J. Thopas, cica 1690. Uiterst rechts: rouwdracht in de Zaanstreek, 17e eeuw.

De 'gewone man' was arm en alle kleding werd regelmatig vermaakt en opnieuw gebruikt totdat het totaal was versleten. Deze noodzakelijke gewoonte bleef tot in de twintigste eeuw voortbestaan. Ook op schilderijen kan men kleding bestuderen, maar bedacht moet worden, dat slechts de rijkere burgers in staat waren zich te laten portretteren. Het gevolg van dit alles zou een vertekend beeld kunnen zijn. Om kennis te nemen van de kleding van gewone mensen is men aangewezen op bodemvondsten, zoals de opgravingen op Spitsbergen van begin 1980 waar een vrij grote collectie werkmanskleding uit de 17e en 18e eeuw werd gevonden. Uit deze kleding valt af te leiden dat de mode in grote lijnen op afstand wel werd gevolgd, maar dat de kwaliteit van de gebruikte stoffen vrij slecht was. Van invloed op de kleding in de Zaanstreek waren vooral geografische en demografische omstandigheden.

De ligging dicht bij Amsterdam en de instroom van vele immigranten met het meebrengen van hun eigen cultuur door de tijden heen, hebben het beeld mede bepaald. De spaarzame, zakelijke, en vlijtige aard van de Zaankanter en de sobere levenswijze, waarbij de invloed van de Doopsgezinden (Doopsgezinde gemeenten) zeer groot is geweest, completeren het geheel. De oudste nog aanwezige Zaanse kleding is in het bezit van de Zaanlandse Oudheidkamer en stamt uit de 18e eeuw.

Voor kleding uit eerdere perioden moet men afgaan op afbeeldingen. Ook opgaven van kledingstukken uit boedelinventarissen, vaak gedetailleerd beschreven, kunnen ons iets vertellen over hoe men vroeger gekleed ging. De oudste, nog aanwezige afbeelding van Zaanse kledij dateert uit ongeveer 1570. Het is een aan J. (v) Horst toegeschreven houten paneel, waarop een Wormer beschuitverkoopster is geschilderd. De schilder heeft een serie van 25 paneeltjes gemaakt, bijna allemaal vrouwenportretten uit geheel Noord-Holland.

Rode rok

Op kleine onderlinge verschillen na, dragen de afgebeelde vrouwen een rode rok, een rijglijf of 'onderzieltje' met een vetersluiting aan de voorkant. Daarover een schouderkraag, een zogenoemd 'kletje' (verbastering van het Franse 'collerette') en losse halve- of lange mouwen. Op het hoofd droeg men een kunstig gevouwen doek van lichtgekleurd of wit linnen, die met spelden was vastgezet. Zie de afbeelding op blz. 74. Daar het hier om vrouwenportretten uit geheel Noord-Holland gaat, die onderling slechts weinig verschillen vertonen, zou men kunnen vermoeden dat in grote gebieden in de 16e en 17e eeuw de gedragen kleding een vrij uniform karakter had.

Uit de afbeeldingen en beschrijvingen die uit de 17e eeuw zijn overgebleven, kunnen we opmaken, dat de vrouwenkleding in onze streek heel eenvoudig was en bestond uit een donker jak, bij de schouders licht geplooid en een wijd schootje. Onder aan de mouwen bevond zich een wit linnen manchet. De wijde lange donkere rok was van grein (een stevige wollen stof) en een donker half schort van dunne wollen stof. Voor de borst was een witte borstlap gespeld.

Bij de rijkere dames werd dit een soort grote kraag met twee puntige uiteinden die waren versierd met ''akertjes'; kwastjes van zeer fijn knoopwerk. De gevouwen linnen hoofddoek uit de 16e eeuw werd allengs van dunnere stof gemaakt, om uiteindelijk een klein kapje te worden, dat strak om het hoofd werd gedragen. Om dit kapje in model te houden werd een oorijzer gedragen, een smalle band van ijzer of koper aan de uiteinden versierd met een klein knopje, vaak in de vorm van een vogelkopje. Buitenshuis werd over het kapje een soort sluier van dunne donkere stof gedragen, de voorganger van de latere 'kaper'. In huis droeg men schoenen van dun leer of stof, de zogenoemde 'stillegangers', die voor gebruik buitenshuis in muilen werden gestoken. Ook de Zaanse mannenkleding was in de 17e eeuw zeer eenvoudig. Waar men in de omringende grote steden al fluwelen en zijden kleding zag, werden hier donkere wollen stoffen gebruikt.

Wijde broek

De Zaanlandse Oudheidkamer bezit twee op glas geschilderde portretten uit 1640 van Pieter Gijsen en zijn zoon, rijke doopsgezinden. De kleding bestaat uit een wijde broek tot even over de knie, rolkousen, een hemdrok (ook wel wambuis genoemd) met vele kleine knoopjes. Een lange, zeer wijde loshangende jas en een grote hoed met brede rand completeren het geheel. De toegenomen welvaart in de 18e en 19e eeuw uitte zich ook in de Zaanstreek in de mode. Meer dan voorheen werden voor kleding kostbare gekleurde stoffen gebruikt zoals zijde, zijdedamast en sits.

Deze weelderige en vooral fleurige dracht was een langzaam verlopende navolging van de stadse mode. De vele rijke en toonaangevende doopsgezinden hielden, door hun eenvoudige levenswijze, lang vast aan de donkere kleding, zoals op de zilverstift tekeningen van J. Thopas, gemaakt rond 1690, zeer duidelijk is te zien. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw veranderde hier het donkere jak in de kleurige zijden of sitsen 'kassekien', gedragen op vele wijde rokken.

Hierbij werd ook de specifieke Zaanse kap, afwijkend van de Noord-Hollandse, gedragen. Dit Zaanse kostuum, in zwang van ongeveer 1760 tot rond 1820, was een van de rijkste van ons land. De vrouwen droegen een linnen hemd met halve mouw tot op de knieën met daarover een rijglijf met vele baleinen. Reeds op kinderleeftijd werd een strak rijglijf gedragen, zodat men op oudere leeftijd nog een zeer slanke taille had. Men droeg vijf onderrokken van linnen en wollen damast. Overigens behoorde bij de onderkleding geen broek.

Pas in de tweede helft van de 19e eeuw zou deze verschijnen; de zogenaamde 'open broek', zonder kruis en gemaakt van katoen en met bandjes in de taille en rond de knieën vastgemaakt. De bovenrok, de 'wagd', was vaak van rode zijdedamast. De rok met een omtrek van zes meter was van voren licht gefronst en achter en opzij in vingerdiepe plooien gelegd. Aan beide zijden van de rokken was een split om bij de 'diessek' (diefzak) te komen. Deze losse zak was met banden om het middel vastgemaakt en werd onder de vele rokken gedragen, dus veilig voor dieven.

Zaans kostuum, zoals dat in zwang was van ongeveer 1760 tot rond 1820.

Over het hemd en rijglijf droeg men een 'simesetje' (afkomstig van chemise = hemd). Dit 'hempje' bedekte alleen de hals en bovenrug. Het laatste kledingstuk was de 'kassekien', een strak jakje, met een in diepe plooien gelegd schootje en bij de hals diep uitgesneden. Het materiaal was van zijde of sits en later ook van katoen. De kassekiens en ook de bovenrokken waren gevoerd met grein, een wollen stof, die werd gekalanderd. Dit was het bewerken van de enigszins ruwe stof met een glazen bol (de kalander) zodanig, dat de stof spiegelglad werd en mooi soepel viel en tevens vuil afstotend werd.

Aan het einde van de tot de elleboog reikende mouw zat een los elleboogstukje, het zogenoemde 'kransje'. Dit kransje was rondom afgewerkt met een in zeer fijne plooitjes gelegd lint, of met reepjes stof. Om de onderarmen te bedekken droeg men mitaines, in de Zaanstreek ook wel wantjes genoemd. Dit waren van zijdegaren gebreide handschoenen zonder vingers, puntig uitlopend op de bovenhand. De punt werd versierd met een strookje kant. Om de mitaines werden polsbandjes van stof gedragen met gouden gespjes. Over de rokken en het kassekien werd een half schort gedragen. Het weefsel was een zijde-linnen binding, vaak uitgevoerd in een rozerood ruitjesmotief.

Schorthaak

Om het schort van voren in een mooie punt te laten uitkomen, gebruikte men de corsetpen, ook wel schorthaak genoemd. Een omslagdoek van wit batist of neteldoek, meestal afgezet met een strookje kant, completeerde het costuum. Horizontaal over de borst en rond de taille werden sierlinten gedragen, versierd met een gesp of broche. Men droeg witte kousen en zwarte muilen of lage schoenen, versierd met een zilveren gesp. Rond de hals droeg men vaak de bootjesketting, granaten of komalijnen gevat in bootjes van goud. Na het eerste kwart van de 19e eeuw raakte de Zaanse dracht uit de mode en deed de japon haar intrede.

Vrouwen uit Assendelft droegen een van de Zaanse dracht afwijkende kleding. Zij droegen een zeer kort jak, waarvan de taille zich iets beneden de oksels bevond. Ook droeg men buitenshuis geen kaper over de kap, maar een strooien hoed met een zeer brede rand. Over de mannenmode in de Zaanstreek is weinig specifieks mee te delen. Deze was niet streekgebonden. Wel werden hier ook gekleurde zijden stoffen verwerkt voor bijvoorbeeld vesten. Het algemene modebeeld werd heel langzaam nagevolgd.

Het zetten van de Zaanse kap vroeg een aantal handelingen, die hier in volgorde zijn afgebeeld. Geheel onder de kaper, die bij slecht weer over de kap werd gedragen.

De Zaanse kap

In de loop der tijden werd het uit de 17e eeuw stammende eenvoudige gladde kapje steeds meer versierd met kant en gouden- of zilveren ornamenten. Vanaf het midden van de 18e eeuw werd in de Zaanstreek de zogenaamde 'Zaanse kap' gedragen. Deze bestond uit twee ondermutsen en een bovenmuts van blauwe tule met een gladde vooren achterstrook van Rijsselse of Beverse kant. Daarbij werden een oorijzer, kapspelden, veren en een voornaald gedragen.

Deze Zaanse kap werd tot rond 1800 gedragen. Daarna kwam de Noord-Hollandse kap, ook wel 'lange kap' genoemd, in de mode. De lange kap had een gladde voorstrook en een in vele diepe plooien gelegde achterstrook. De doopsgezinden bleven de gladde kap dragen. Men vond de vele diepe plooien van de lange kap verspilling van kostbaar kant. Voor het zetten van de kap werd rond het hoofd een twee centimeter brede zwart wollen band gewonden, het zogenoemde 'strijklint', zodat het kort afgeknipte haar niet te zien was.

Op het achterhoofd werd de 'pol' vastgezet. Een halfronde constructie van bordpapier en ijzerdraad, die diende om het achterhoofd iets te verlengen waardoor een mooier silhouet van de kap ontstond. Daarover kwam de ondermuts van zwarte tibet (een fijn geweven wollen stof). Dan volgde de ondermuts van witte tule met doorstopwerk, afgezet met zwart met witte stipjes versierd ripslint. Het oorijzer groeide in de loop der tijd uit tot een ongeveer zeven centimeter brede band van goud of zilver. De kleine knopjes aan de uiteinden werden rechthoekige, gebogen plaatjes, de zogenaamde 'boeken', soms versierd met gedreven bloemmotieven of rozetjes. De afmetingen en versieringen van deze boeken waren aan mode onderhevig. Het oorijzer kwam onder de blauwtulen bovenmuts.

De kapspelden dienden om de bovenmuts aan het oorijzer vast te maken. Achter de boeken zaten gaatjes, waar de kapspelden doorheen werden gestoken en tevens door het op die plaats verstevigde kant van de bovenmuts. De uiteinden van de kapspelden waren naar de mode van de tijd versierd, soms met filigrain en na 1840 vaak met stukjes haarwerk achter glas. Om de kap een mooie strakke vorm te geven dienden de 'veren', anderhalve centimeter brede banden van zilver of goud, die aan één kant spits toeliepen. Ze werden aan de zijkanten van het voorhoofd tussen de witte ondermuts en de bovenmuts gestoken en iets gedraaid. De brede uiteinden bleven zichtbaar op het voorhoofd.

Asymetrische gouden band

De voornaald, een zuiver versierend element, completeerde de kap. Het was een asymetrische gouden band, aan één kant rijk versierd met gedreven motieven of filigrain en soms ook met diamantjes. De oorsprong van de voornaald lag waarschijnlijk in de haarnaald, die aan de zijkant van het hoofd werd gedragen en op vele 16e-eeuwse Nederlandse portretten voorkomt. Van de zijkant van het hoofd is de haarnaald vóórnaald geworden, horizontaal op het voorhoofd liggend. Dit was het sieraad waar men de status van de draagster aan kon aflezen. De legende wil dat de verplaatsing van dit sieraad werd ingevoerd rond 1740 door de burgemeestersvrouw van Purmerend, mevr. Peereboom als camouflage voor een ontsierende plek op haar voorhoofd. De voornaald werd in deze streek dan ook wel een Peereboompje genoemd.

In plaats van de voornaald werd ook wel het meer eenvoudige stiftje of ferronnière gedragen. Een halvemaanvormig ornament van goud of zilver, liggend op het voorhoofd en door middel van kettinkjes aan de muts bevestigd. Het haar van de draagster van de Zaanse kap was niet zichtbaar, wellicht als gevolg van het bijbelse verbod voor de vrouw om buitenshuis het haar te tonen. Later kwamen er toch kleine platte krulletjes van onder de kap tevoorschijn, liggend op het voorhoofd en aan de zijkanten groter, meestal gemaakt van dun geteerd touw. Daarna kwamen de 'toertjes' in de mode, krullentoefjes die meestal van zwart paardenhaar waren gemaakt en aan beide zijden van het voorhoofd werden gedragen. De grootte van deze toefjes was sterk mode-afhankelijk.

Om de kap tegen slechte weersomstandigheden te beschermen werd er een kaper overheen gedragen. Dit was een geraamte van stevig karton, versterkt met repen walvisbalein. Aan de buitenkant overtrokken met een donkere stof en van binnen met licht gekleurde zijde gevoerd. Aan de achterkant hingen twee linten met gouden haakjes. Bij harde wind sloot men deze haakjes middenvoor op de taille. Dit model is specifiek voor de Zaanstreek. Naast de kaper werd bij regen ook de huik gedragen, een soort grote wijde cape van donkere wollen stof die ook het hoofd bedekte.

Dit kledingstuk dat al voorkomt op prenten uit de 17e eeuw werd ook als rouwkleed gedragen. Bij regen droeg men ook de enorme grote paraplu's van walvisbaleinen, de zogenoemde besteedsters. In de tweede helft van de 19e eeuw werd in de Zaanstreek over de kap ook de luifelhoed gedragen. Deze strooien hoed was gevoerd met stof en had een gewelfde rand, die onder invloed van de mode steeds kleiner werd. Het hallelujahoedje dat vrouwelijke heilsoldaten dragen is een overblijfsel van de luifelhoed.

Hierna kwam de zogenoemde kapothoed in de mode. Deze, ook op de kap gedragen hoed bestond uit een geraamte van dun ijzerdraad met karton waarop een zwarte zijden of wollen stof werd genaaid, versierd met kraaltjes en veertjes. Aan de zijkanten hingen lange linten die onder de kin werden gestrikt. Vrouwen die geen kap konden bekostigen, droegen binnenshuis een hul, een mutsje van witte tule met doorstopwerk, met aan de voorkant een meestal machinaal vervaardigd strookje, dat in zeer fijne plooitjes werd gelegd door middel van een mesje of een hullenplooimachine.

Aan de achterkant werd de hul met een koordje ingenomen. Onder de hul werd een zwarte ondermuts gedragen, zodat de kantmotieven mooi uitkwamen. Buitenshuis droeg men op de hul een luifelhoedje. Deze waren hier zeer populair en bekend onder de namen hullenhoedje, boerenhoedje of Assendelvertje. Ondanks de populariteit van de hul bleef het bezit van een kap voor iedere vrouw zeer begeerlijk en men had er veel geld en jarenlang sparen voor over. Rond 1850 raakte bij de gegoede burgers het dragen van de kap uit de mode. Bij de gewone burgers werd het gebruik algemener en werd de kap op zon- en feestdagen gedragen.

C.J. Schoone-Slop

Literatuur:

  • Franq van Berkhey, Nat. Historie van Holland;
  • B. Valentijn en B. van Ueberfeldt, Ned. Klederdrachten naar de natuur getekend;
  • J. Duyvetter, Van hoofdbrekens en kopzorgen. de Noordhollandse kap, 34e bundel Hist. Genootsch. Oud Westfriesland;
  • Jacob Honig Jansz. Jr, Over het IJ. in: Tijdschrift De oude tijd:
  • Gerrit Jan Honig, Zaanse kleding, De Zaende 1946;
  • Kerkmeyer de Regt, Het vrouwencostuum in Westfriesland, De Speelwagen 1951:
  • E. Maaskamp, Afbeeldingen van de kleeding en Zeden en Gewoonten in de Ned. Prov. 1805;
  • S.J. v.d. Molen, Klederdrachtpaneeltjes, in: Tijdschrift Antiek april 1973;
  • N. Mulder. Uit den goeden ouden tijd;
  • C. Nieuwhoff, Klederdrachten;
  • N. Ottema, Westfriese boerendracht, in: Westfries jaarboek 1941;
  • H. Roovers en P.H. Zijl, Onvoltooid verleden;
  • Jacob Willem van Sante, Het dagverhaal van Aafje Gijsen;
  • dr. G. Schotel, Zeden en gebruiken aan de Zaanstreek;
  • F.W.S. Thienen en J. Duyvetter, Klederdrachten;
  • Dirk Vis, De Zaanstreek;
  • C. Voorberg, Erfenis van Eeuwen;
  • R.W.P. de Vries, Nat. Klederdrachten.
  • klederdracht.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/03 12:16
  • door 87.210.148.75