pellerij

Naam van zowel bedrijfstak als de inrichting waarin dit bedrijf wordt uitgeoefend; het ontdoen van het kroonkafje, meestal dop (pel) genoemd, en de vruchtwand en zaadhuid van onder andere granen, zonder de korrel te breken. In de Zaanstreek is in vroeger eeuwen gerst gepeld, met gort als product. Gerst is niet eenvoudig te pellen, aangezien de dop is vergroeid met de korrel. Vanaf het midden van de 19e eeuw werd rijstpellerij belangrijk. De pellerij had een grote omvang in de Zaanstreek. Rond 1900 was de invloed van de Zaanse rijstpellerij zelfs wereldwijd. Een aantal grote panden langs de Zaan herinnert nog altijd aan deze bloeiperiode. Aan de Oostzijde te Zaandam staan nog de panden van de voormalige pellerij Kamphuys (thans huisvesting biedend aan Meypro nv), in Wormer aan de Veerdijk van de voormalige rijstpellerij Bloemendaal & Laan de panden Hollandia, Java, Saigon en Batavia, terwijl de panden van Lassie bv vroeger de rijst- en gortpellerij en havermoutfabriek Gebr. Laan huisvestten. In 1979 zijn de panden van de rijstpellerij De Unie van Wessanen gesloopt en enige jaren later verdwenen de gebouwen van de rijstpellerij Birma aan de Oostzijde te Zaandam.

Ontwikkeling

De Zaanse rijstpellerij kwam voort uit de gerstpellerij. De eerste windpelmolen in de Zaanstreek werd in 1639 in Koog aan de Zaan gebouwd (zie: Pieter Pel en De Pelikaan). In totaal hebben er 121 pelmolens in de streek gewerkt. Voor zover bekend waren dit alle bovenkruiers, herkenbaar aan een aantal in het bovenlijf aangebrachte stofluiken. In 1990 resteerde alleen nog pelmolen Het Prinsenhof in Westzaan. Gort was een algemeen volksvoedsel. Het product diende ook als proviand voor de scheepvaart en werd in grote hoeveelheden geëxporteerd. Een pelmolen lijkt op een korenmolen. In plaats van maalstenen maakt men echter gebruik van een pelsteen, die de korrels van hun dop ontdoet zonder ze te vermalen.

Het werkende oppervlak van de pelsteen is zijn omtrek, in feite dus de zijkant. De liggende, draaiende steen (de loper) is omgeven door een kuip van blik (plaatijzer) waarin gaatjes zijn geslagen waarvan de punten naar binnen zijn gericht. De gerst wordt op de draaiende loper gestort, beweegt door de middelpuntvliedende kracht naar de buitenrand en valt in de 'rel', de smalle ruimte tussen steen en pelkuip. Daarin worden de korrels meegesleurd door de steen en vervolgens door de puntjes in het pelblik van hun dop ontdaan. Om te voorkomen dat de korrels worden vermalen tussen de loper en de legger (de onderste steen, waarboven de pelsteen ronddraait) is de loper aan de onderkant voorzien van windkerven die een luchtstroom opwekken van het middelpunt naar de rand. De afstand tussen pelsteen en -kuip luistert nauw; is deze te klein dan worden de gerstkorrels tot het zogenoemde (vrijwel waardeloze) 'futmeel' vermalen, terwijl ze bij een te grote 'rel' merendeels ongepeld blijven. Deze bewerking wordt een aantal malen herhaald: voor gerst 6 keer en voor rijst 3 keer. Voor het pellen van rijst gebruikte men een andere steensoort dan voor gort. Het pelmateriaal werd eerst op schudzeven geschoond en na bewerking in een waaierij gereinigd.

Er werd overigens ook wel met één steen gepeld. Later werd gebruik gemaakt van kleine conische stenen, achter elkaar geschakeld in kleine compacte machines. De indruk bestaat dat pellers eenvoudig van product konden wisselen. In de eerste helft van de 19e eeuw stonden er nog 50 gortpelmolens ingeschreven bij de onderlinge brandwaarborg 'Het Pelderscontract'. De meeste van deze molens stonden in het Oostzijderveld te Zaandam. De eerste rijstpelactiviteiten vonden echter in Wormerveer plaats. Omstreeks 1860 was de Zaanse pellerij al deels van gort op rijst overgestapt. Een verslag uit Groningen uit 1860 meldt dat men in die provincie toen meer gerst pelde, aangezien de Zaanse pellers op rijst overschakelden. Het pellen van gerst in Groningen was mede een gevolg van de toen heersende aardappelziekte. Aardappelen vormden het belangrijkste volksvoedsel, gort en rijst waren er vervangers voor. Bovendien was de introductie van het 'vrijgevig handelsstelsel' in Engeland van groot belang; de invoer van rundvee in Nederland was geheel vrij van rechten. Dit bevorderde in Nederland de veemesterij, waarbij als voedsel veel pelafval werd gebruikt.

Reeds vanaf de late Middeleeuwen importeerde men in Nederland al rijst uit Italië. Rijst werd beschouwd als lekkernij en als versterkend middel voor zieken. Na de Franse tijd werden de verbindingen tussen de koloniën in de Oost en Nederland hersteld en begon men met het importeren van Java-rijst. Later werd ook rijst ingevoerd uit Carolina in het zuiden van de Verenigde Staten. Rond 1830 kende Amsterdam al een stoomrijstpellerij. Tien jaar daarvoor was in de hoofdstad al een rosmolen aanwezig waar rijst werd gepeld. De koopman Jan Laan (zie: Laan, ondernemersgeslacht) van de firma Wessanen & Laan was de eerste Zaankanter die in rijst ging handelen. In 1831 gaf hij aan genoemde Albert Vis de opdracht om in diens molen De Jonge Voorn in Wormerveer Java-rijst te gaan pellen. Later ging Albert Vis dit ook voor eigen rekening doen.

Het centrum van de Europese rijstpellerij lag in het begin van de 19e eeuw bij de steden Liverpool en Londen. De gegevens over de geschiedenis van de Engelse rijstpellerij zijn zeer schaars. Het lijkt erop dat er in de eerste helft van de 19e eeuw alleen met watermolens gepeld werd. De plaatsen waar deze watermolens gevestigd waren, bijvoorbeeld bij Schotse riviertjes, lagen ver van de rijstinvoerhavens. Hoge transportkosten speelden dus zeker een rol (gegevens van John Boyes, Newcomen Society). In Liverpool en Londen werd ook rijst uit Bengalen verwerkt. Vanuit Bengalen veroverden de Britten gedurende de eerste helft van de 19e eeuw geleidelijk heel Birma.

Onder de 'Pax Brittanica' verdween een groot deel van het Birmese oerwoud, om plaats te maken voor rijstvelden. Aan het einde van de 19e eeuw was Birma 's werelds grootste rijstexporteur. De Europese distributie ging aanvankelijk via de Engelse havens, maar door het intrekken van de 'Acte van Navigatie' en de introductie van het vrijhandelsregime ontstonden ook directe relaties tussen Birma en Hollandse en Noordduitse pellers. De vrachtprijs werd veel lager door de introductie van grote vrachtzeilschepen (windjammers) en later stoomschepen en door de opening van het Suezkanaal. De invoer in Nederland van (on)gepelde rijst steeg snel. In de periode 1825-1829 was de jaarlijkse import 9.000 ton; van 1839 tot 1841 12.000 ton en van 1845 tot 1850 werd 21.000 ton per jaar ingevoerd, waarvan een kwart werd verwerkt in de stoompellerijen van G. Ochsner in Amsterdam (bron: R.T. Griffiths, Industrial retardation in the Netherlands 1830-1850, Den Haag, 1979).

In 1846 kwam er 4.300 ton uit Engeland, 925 ton uit Sardinië, 8.244 ton uit Java en 1.127 ton uit de Verenigde Staten. In 1847 kwam er voor het eerst 1.063 ton rijst uit Brits Oost-Indië. Na 1855 volgde een sterke toename van de invoer uit dit gebied: 35.000 ton op een totale import van 56.000 ton. Dit was een vijfde deel van de totale jaarlijkse export van Birma. De piek in de rijstinvoer duurde tot aan 1859. De import kwam in dat jaar vrijwel stil te liggen, nam daarna opnieuw toe, maar bereikte een nieuw dieptepunt in 1865. Daarna vertoonde de invoer (met name uit Birma) een stijgende lijn.

De Zaanstreek betrok zijn rijst eerst via de haven van Amsterdam. De rijst voor de Zaanstreek werd daarnaast ook aan het Nieuwe Diep (Noordhollands Kanaal) overgeslagen: in 1876 een hoeveelheid van 200.000 balen. Vanaf 1840 ijverden pellers als Albert Vis, Jan en Adriaan Laan in Wormerveer voor een verbinding met het Noordhollands kanaal, om de vaarweg van het Nieuwe Diep tot de Zaan te verkorten. In 1850 bracht de particuliere Kanaal en Zaanverbinding Maatschappij van Wormerveerse ondernemers deze verbinding tot stand, het kanaal door de Kogerpolder. Dit kanaal zorgde mede voor de grote bloei van Wormerveerse en Wormerse rijstbedrijven na 1850. De eerste Zaanse stoomrijstpellerij verscheen in 1852 in Zaandam onder de naam 'Koningin der Nederlanden' van Frederik van Voorst, die eerder onder de naam D. van Voorst & Zn drie pelmolens had geëxploiteerd. Zijn stoomrijstpelmolen haalde een productie gelijk aan die van twee grote rijstwindpelmolens. Op het moment dat Van Voorst zijn fabriek in gebruik nam, waren er in Amsterdam drie stoomrijstpellerijen. Zijn fabriek had een stoommachine van 15 pk.

Alleen de pellerij van Ochsner in Amsterdam was krachtiger. De Amsterdamse pellerijen breidden hun capaciteit snel uit. De rijstpellerij 'De Vriendschap' van Westerouwen van Meeteren had in 1852 een productie van 7.000 ton, die opliep tot 21.000 ton in 1856. Na 1856 gingen de Amsterdamse resultaten achteruit door een prijsdaling als gevolg van een toename van de import uit Rusland. De handel zat met grote voorraden onverkochte rijst. In 1860 en 1861 volgde een opleving als gevolg van slechte Europese oogsten. In de daaropvolgende jaren was de vraag naar uitheemse rijst gering door goede Europese oogsten en grote aanvoer van aardappelen. Daarnaast ondervonden de Amsterdamse pellers een sterke concurrentie uit Antwerpen en Bremen. In 1865 was er nog één Amsterdamse pellerij in bedrijf.

Als andere oorzaken voor het verdwijnen van de Amsterdamse pellerijen kunnen genoemd worden: het gebrek aan scheepsruimte voor rijsttransport als gevolg van oorlogen, het verdwijnen van rijstexporten uit Carolina (VS) door de Amerikaanse burgeroorlog en uit Bengalen door de 'Indian Munity'. Tussen 1852 en 1856 waren er in Holland, buiten Amsterdam tien stoomrijstpellerijen bijgekomen, waarvan de meeste na enkele jaren weer verdwenen. Tot 1858 ging het goed met de stoompellerij van Van Voorst, maar door verminderde rijstaanvoer en de lage prijs van andere levensmiddelen ging het daarna minder. Van 1860 tot 1863 liep het weer beter, maar 1864 was weer ongunstig als gevolg van politieke ontwikkelingen. Na 1865 ging het weer beter. Frederik van Voorst was al in 1855 gestorven. zijn weduwe Elisabeth Vis (†1861) en zijn broer Hendrik zetten de zaak voort. Toen de laatste in 1866 overleed was er waarschijnlijk geen opvolger meer in de familie en werd de zaak (met steeds ca. 10 werknemers) geliquideerd,mede beïnvloed door de factoren die tot het verdwijnen van de Amsterdamse stoompellerijen leidden.

De Zaanse ondernemer koos om de productiecapaciteit uit te breiden in eerste instantie voor het gebruik van meerdere molens. Ook in de olieslagerij koos men voor deze vorm van capaciteitsuitbreiding. In 1843 was er in Zaandam een peller met drie molens, één met twee molens en 26 pellers met één molen. In 1848 waren er twee pellers met drie molens (Zwaardemaker en Van Voorst) en één met twee molen. Alle andere pellerijen werden met één molen uitgeoefend. De investeringskosten en de exploitatie-kosten voor een windmolen waren aanzienlijk lager dan die van een stoomfabriek. Pas nadat de stoommachine een belangrijke rendementsverbetering onderging, werd zij een duurzaam alternatief voor windkracht. De windmolen was relatief goedkoop in aanschaf en flexibel in gebruik; men kon gemakkelijker op een ander product overschakelen: bij een wisselende aanvoer van grondstoffen waren de vaste kosten bij stilstand van het bedrijf lager dan bij een stoomfabriek. De uitbreiding van het molenbestand van een ondernemer had een economisch optimum. De bepalende factoren van dit optimum waren investeringskosten, loonkosten en brandstofkosten. Deze drie variabelen bepaalden per periode de keuze van de ondernemer. Van Voorst was een peller met drie molens, evenals later Wessanen en Klaas Blans. Kamphuys en Bloemendaal & Laan waren bedrijven met twee pelmolens toen zij overgingen op stoom. In hetzelfde jaar dat de stoompellerij van Van Voorst zijn poorten sloot, plaatste Klaas Vis, de firmant van Albert Vis, een locomobiel bij zijn pelmolen De Jonge Voorn. Hij had deze stoommachine gekocht van de aannemer die het Amstelhotel in Amsterdam gebouwd had. Vier jaar later ging hij echter weer over op windkracht. In 1871 bestelde C. Laan, firmant van Wessanen & Laan te Wormerveer, bij de ijzergieterij J.L. Nering Bogel te Deventer een stoommachine zoals hij had gezien bij Noury & van der Lande. De Wormerveerse molenbouwer Gorter kreeg de opdracht voor de bouw van een pellerijgebouw, machinekamer, ketelhuis, binnenpelwerk en pakhuis. De investering in gebouwen bedroeg f 43.405. De fabriek verrees aan de Veerdijk in Wormer. De stoommachine kwam met enige vertraging in Wormer aan en kostte inclusief ijzerwerk f 25.838. In de zomer van 1872 kon de fabriek in gebruik worden genomen. Laan was echter nog een aantal jaren kwijt aan experimenteren alvorens de fabriek naar wens draaide. In 1873 werd het traditionele molenwerk vervangen door riemen en riemschijven. Een jaar later werd daarvoor opnieuw een ander systeem aangeschaft. In 1877 werd een tweede ketelhuis gebouwd en vanaf 1878 was men op zoek naar een nieuwe stoommachine. Die werd een jaar later besteld bij Van den Kerckhove in Gent. In 1880 kwam deze Corliss machine in bedrijf. De machine gaf veel aanloopproblemen en kon zich niet bewijzen want in datzelfde jaar verbrandde de fabriek. Er werd opnieuw een Corliss machine besteld; nu bij de ijzergieterij 'De Prins van Oranje' in Den Haag.

De grootste stoompellerij ter wereld was op dat moment waarschijnlijk de pellerij van Rickmers in Bremen. Maar in de Zaanstreek kwam de ontwikkeling nu in een stroomversnelling. Cornelis Kamphuys was grossier te Zaandam. In 1865 kocht hij de pelmolen De Jonge Kuiper en in 1869 pelmolen De Walvis. In 1874 brandde De Jonge Kuiper af. Kamphuys verving de windmolen door de stoomrijstpellerij De Jonge Kuiper. Deze stoomrijstpellerij verbrandde in 1879 en werd toen vervangen door de stoompellerij Phenix. In 1876 was het Noordzeekanaal in gebruik genomen en in 1884 volgde de Zaandamse zeehaven. De zeeschepen konden nu rijst in Zaandam lossen. De kosten voor de Zaanse pellers gingen hierdoor omlaag. In 1879 nam Klaas Blans zijn stoomrijstpellerij Birma in gebruik. Klaas Blans was ook een windrijstpeller. Hij begon in 1861 voor zichzelf. Zijn beginkapitaal bestond onder andere uit een erfenis van zijn schoonmoeder en de uitzet die hij van zijn schoonvader kreeg. Van zijn vader nam hij de pelmolens De Wildschieter en De Houtsnip over. In 1862 had hij een goed jaar. In 1863 verbrandde De Houtsnip. Desondanks verdiende hij voldoende en liet hij een nieuwe Houtsnip bouwen. Dit was de laatste in de Zaanstreek gebouwde windpelmolen. Deze keuze voor een windpelmolen zal mede het gevolg zijn geweest van de bepalingen voorkomende in het 'Pellerscontract', die inhielden dat een premie van f 6.000 werd uitgekeerd voor de herbouw van een windmolen zoals aan de Zaan gebruikelijk was. Toen De Jonge Kuiper verbrandde, trachtte Kamphuys vergeefs via de rechter gedaan te krijgen dat deze herbouwpremie ook voor een stoomrijstpelmolen mocht worden gebruikt. De twee daarop volgende jaren waren weer erg goed. Weliswaar sloot in 1867 de eerste Zaanse stoomrijstpellerij 'De Nijverheid' zijn poorten, maar voor Klaas Blans was het een goed jaar. Hij kocht van zijn vader een kaaspakhuis, dat hij tot gewoon pakhuis liet verbouwen. Daarna ging het een jaar of wat minder, maar 1870 was weer uitstekend. Bij een balanstotaal van boven de f 100.000 bedroeg de winst f 16.000, in de twee opvolgende jaren oplopend tot f 30.000. In 1873 bedroegen balans en winst respectievelijk f 200.000 en f 20.000 en in 1874 f 280.000 en f 63.000. In deze periode kocht Blans molen De Gans en het pakhuis De Helling. Balans en winst waren in 1875 f 344.000 en f40.000, in 1877 f430.000 en f 82.000. Van de winsten reserveerde Blans f 60.000 voor de nieuwe stoompellerij 'Birma'. In datzelfde jaar overleed Klaas Blans en werd de zaak door zijn zoon Hendrik voortgezet. Deze kon in 1880 een winst van f 114.000 noteren.

Rond 1880 kwamen verschillende nieuwe stoompellerijen aan de Zaan in bedrijf. Van Waveren & Dekker nam 'De Roggebloem' in gebruik. Deze brandde na enige jaren af en men ging verder als windpeller. A. Latenstein van Voorst startte de pellerij 'De Groene Boer'. Kort na de ingebruikneming overleed de eigenaar. De machines werden overgebracht naar de afgebrande pellerij Birma van Blans. De belangrijkste nieuwkomer was Bloemendaal & Laan. Deze firma werd in 1872 gesticht door twee zonen en de stiefzoon van Remmert Laan; een van de firmanten van Wessanen & Laan. Zij begonnen als fabrikanten met een rijstpellerij en een olieslagerij en verder waren zij handelaar. Zij huurden van Wessanen & Laan 'De Jonge Prinsen'. Als snel werkte men met twee pel- en twee oliemolens. De zaken gingen zo voorspoedig dat men in 1877 de rijstpellerij 'Hollandia' in gebruik nam. In 1881 kocht men de stoomolieslagerij 'De Toekomst'. De stoomrijstpellerij werd in 1879 met een houten pakhuis 'Bassein' en in 1883 met een houten pakhuis 'Rangoon' uitgebreid. In 1888 volgde een stenen rijstpakhuis 'Saigon' en in 1894 'Batavia'. Na een grote brand in 1896 werd een nieuw pakhuis 'Saigon' gebouwd. Het eigenlijke fabrieksgebouw was al enige keren vergroot. De uitbreiding en modernisering schreed voort en rond 1912 bereikte het complex de huidige vorm. Ook de andere pellerijen evolueerden in die dertig jaar van bedrijfjes waarin de grondvorm van de windpelmolen nog te herkennen was naar grote fabriekscomplexen. Het grootste deel van deze fabrieken bestond uit pakhuisruimte. De peltechniek onderging eigenlijk geen fundamentele wijziging. Het aantal productie-eenheden per fabriek nam toe, het interne transport verbeterde, en de kwaliteit van het product steeg.

De arbeidsomstandigheden in de stoompellerijen waren niet florissant: werktijden van 14 uur of meer, die in een stoffige omgeving met onbeschermde ronddraaiende assen werden doorgebracht en waarbij balen rijst van 100 kg versjouwd moesten worden. Per fabriek verschilden de arbeidsomstandigheden. Remmert Adriaan Laan (van Bloemendaal & Laan) was een sociaal voelende patriarchale werkgever. Het bedrijf kende eigen sociale voorzieningen bij ziekte en overlijden. Cornelis Kamphuys voldeed aan het beeld van de primitief kapitalistische ondernemer in wiens bedrijf dergelijke regelingen niet bestonden. De markt voor gepelde rijst was aanvankelijk Nederland en omringende landen, maar vlak voor de Eerste Wereldoorlog exporteerde men over de hele wereld. Een aanzienlijk deel van de rijstexport van Zuid-Oost Azië kwam aan de Zaan terecht voor veredeling. De Zaan en de Duitse rivieren Elbe en Weser vormden als het ware de Europese tegenhangers van de Aziatische rijstrivieren lrrawaddy en Mekong. Niet alle windmolenpellers gingen over op stoom. Zelfs de succesvolle stoompeller Klaas Blans hield zijn 'Houtsnip' tot 1908 in bedrijf. De laatste windrijstpelmolen, De Witte Klok werd in 1918 stil gezet en in 1924 gesloopt. De firma Alb. Vis veranderde in 1891 van aandrijvingsmethode door de aanschaf van een gasmotor. Het bedrijf kocht een Dowson gas-installatie, waarmee gas voor de motor geproduceerd kon worden. Deze installatie was vrij uniek in Nederland. Later ging men over op stoomkracht toen een groter vermogen noodzakelijk bleek.

In 1903 werd de Wilhelminasluis in Zaandam in gebruik genomen. Ook grote Rijnschepen konden nu de Zaan opvaren en ladingen rijst uit bijvoorbeeld Antwerpen of Rotterdam aanvoeren. De pellerijen hadden hun eigen binnenschepen waarmee zij hun producten konden vervoeren. De grootste bloei van de Zaanse rijstpellerij lag in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog. Men exporteerde over de hele wereld. De belangrijkste periode van bouw- en investeringsactiviteit lag rond de eeuwwisseling. In 1910 werkten er bij de Zaanse rijstpellerijen 295 arbeiders op een totaal van 575 in het hele land. In datzelfde jaar werkten er bij de Zaanse gortpellerijen 105 en in de Zaanse stijfselindustrie 150 man. Kijken we naar het vermogen van de krachtwerktuigen, dan ontstaat het volgende beeld: bij de Zaanse olieslagerijen 2000 pk, bij de Zaanse houtzagerij en schaverij 3000 pk, en bij de rijstpellerijen 7100 pk. Bij Kamphuys was er een arbeidsvermogen van 2000 pk. De papierfabriek De Eendracht van Van Gelder Zonen in Wormer, destijds het grootste Zaanse bedrijf, beschikte over 2660 pk. De grootste aanvoer van rijst in de Zaandamse haven was in 1908 met ruim 1,2 mln. balen. De aanvoer was later mogelijk groter omdat er via de havens van Rotterdam en Antwerpen ook rijst naar de Zaan werd verscheept. Verder was er altijd een onderlinge handel tussen de pellers zodat cijfers niet eenduidig zijn te interpreteren.

Aantal ingevoerde balen rijst in de haven van Zaandam in de periode 1884-1927 (bron: gemeenteverslagen Zaandam). 1884 250.588 1886 496.801 1887 440.212 1892 653.445 1893 549.563 1894 483.244 1895 563.740 1896 407.087 1897 531.787 1898 703.393 1899 670.079 1900 600.368 1901 675.989 1902 697.134 1903 891.741 1904 742.714 1905 761.31 1 1906 981.581 1907 1.190.232 1908 1.266.979 1909 1.210.039 1910 926.648 1911 1.081.994 1912 1.053.036 1913 1.044.479 1914 746.630 1915 t/m 1923 geen aanvoer 1924 274.729 1925 503.322 1926 799.493 1927 564.862

De verslagen van de Kamer van Koophandel geven weer andere inzichten. Het verslag van 1891 is beknopt; de pellerijen hadden een goede afzet en vaste prijzen. Het jaarverslag van 1907 was al veel uitvoeriger. De markt van ongepelde rijst verkeerde het hele jaar in een opgewekte stemming. Er werd een analyse gemaakt van de factoren die de wereldrijstmarkt bepaalden. Hoewel er een scherpe concurrentie heerste had deze tak van nijverheid geen reden tot klagen. Het jaar 1910 was een goed jaar. De duurste rijst was de Java-rijst, gevolgd door Patnarijst en Japanse rijst. De rijst uit Siam was het goedkoopst. De productie van rijst in Azië nam sterk toe, maar de regionale vraag ook. Het volgende jaar was erg goed door slechte Europese oogsten. De grote Europese vraag leidde tot een kettingreactie van Aziatische uitvoerverboden. Het volgende jaar bracht opnieuw Aziatische exportverboden en lokale speculatie in rijst. 1913 was geen goed jaar: de grondstoffen waren duur ingekocht en de verkoopprijzen daalden. De omzet was toegenomen. De Balkanoorlogen bevorderden de minder gunstige gang van zaken. Over 1914 werd geen commentaar gegeven en in 1915 werd gemeld, dat door het uitvoerverbod en geringe import men was aangewezen op de binnenlandse markt, 'waar rijst als volksvoedsel minder gewild is'. De Zaanse pellers hielden zich ook met andere economische activiteiten bezig. Wessanen & Laan bezat een meel- en een oliefabriek. Blans had een gortpellerij en een stijfselfabriekje en Van Odijck (Kamphuys) bezat een meelfabriek (de Vrede) en een cacaofabriekje. Rijst werd ook gebruikt als grondstof voor alcoholbereiding (patent fa. Blans), bij puddingfabricage, voor rijststijfsel en kindermeelvoeding.

De Eerste Wereldoorlog vernietigde het netwerk van internationale handels- en arbeidsverdeling. De internationale vraag viel weg en voor de nationale vraag was de productiecapaciteit van de Zaanse rijstpellerijen veel te groot. Na de Eerste Wereldoorlog verdween Rusland als afnemer. Er waren talloze nieuwe staten in Centraal Europa ontstaan met eigen wetten en voorschriften met betrekking tot im- en export. De VS, Spanje en Italië werden belangrijke exporteurs van gepelde rijst. Het internationale kredietsysteem functioneerde niet meer naar behoren. De Zaanse rijstpellerij herstelde zich nooit meer van deze klap. De pellerij van Blans werd in 1918 gesloten na het overlijden van twee van de drie firmanten. De pellers gingen zich toenemend met andere activiteiten bezighouden. Zo namen Wessanen & Laan en Bloemendaal & Laan een havermoutfabriek in gebruik en begaven Wessanen & Laan en Kamphuys zich in de mengvoederindustrie. Wessanenen & Laan stichtte voorts een cacaofabriek en een margarinefabriek. Er zijn weinig cijfers bekend van de rijstpellerijen. De gegevens van rijstpellerij Java zijn waarschijnlijk representatief voor het wedervaren van de pellerijen. Dit bedrijf werd op 2 november 1909 opgericht als nv Rijstpellerij voorheen Albert Vis. Het was een voortzetting van de rijstpellerij De Jonge Voorn van de firma Albert Vis. In de nv waren ingebracht de nieuwe fabriek Java en het pakhuis Moulmein voor f 121.085,87, woonhuis en kantoor f 15.000,- en goederen voor f 121.843,85. Samen met gereedschappen en effecten bedroeg het totaal f 265.132,90. De goodwill aan de oude firma bedroeg f 98.790,94. De erven Klaas Vis hadden 352 aandelen en Wessanen had 12 aandelen. De rijstpelrekening bedroeg in 1910 f 103.316,20. In 1911 was het topjaar met f 149.945,78. Daarna werd het geleidelijk minder. In 1916 f 23.837,44. Het jaar daarop f45.286,22, maar in 1918 was het nog maar f 1489,52. Vanaf 1915 was men tapioca gaan verwerken. In 1925 was de rijstrekening weer substantieel: f 88.639,39. Vanaf 1911 keerde het bedrijf een vast dividend uit van 3%. Dit dividend was onafhankelijk van de winst. Deze bedroeg in 1910 f 25.896,20 en bereikte in 1914 zijn maximum met f 88.753,64. Het niet uitgekeerde deel van de winst werd in effecten belegd. In 1920 beliep de effectenrekening meer dan f 2 mln . In 1926 nam het bedrijf nog een nieuwe stoomketel in gebruik. In datzelfde jaar werd echter een verlies genoteerd van f 24.388,10 en in het jaar daarop een verlies van f 93.451,17. De verliezen bleven. In 1932 had men voor f 84.000 aandelen in de nv Rijst-Unie. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er echter ook weer nieuwe bedrijven in de rijstbranche. De gortpellers Gebr. Laan openden bij hun gortfabriek 'Mercurius' een havermoutfabriek en later een rijstpellerij.

De 'MICO', ofwel nv Mercantiele en Industrieele Compagnie, is in 1921 om nog niet duidelijke redenen opgericht door de Reis und Handels AG te Bremen, de grootste concurrent van de Zaanse rijstpellers. De MICO bouwde aan de Oostzijde te Zaandam een nieuwe rijstpellerij.

In 1933 werd een rijstmalerij en in 1943 een havermoutfabriek in gebruik genomen. De Duitse moedermaatschappij was een trust, die de MICO in belangrijke mate als inkoopbureau liet fungeren. In 1945 kwam het bedrijf als vijandelijk vermogen aan de Staat der Nederlanden; het werd in beheer gegeven bij het Nederlands Beheersinstituut.

Wegens de slechte vooruitzichten in de rijstindustrie en onder druk van de andere Zaanse rijstpellers zijn de bedrijfspanden in '51 aan Albert Heijn verkocht. Pas in 1958 was de liquidatie van de MICO door de Nederlandse overheid definitief afgewikkeld.

De Zaanse pellers Wessanen & Laan, Kamphuys en Alb. Vis verenigden zich met drie Zuidhollandse pellers tot de nv Rijst-Unie. Gezamenlijk kochten zij grondstoffen in en legden zij productie-eenheden stil. De pellerij van Alb. Vis sloot in 1928, Kamphuys in 1932. De Rijst-Unie was een bondgenootschap met onderlinge spanningen. Wessanen probeerde haar marktaandeel in Polen te behouden door samen met de Rotterdamse firma Van Schaardenburg een pellerij te stichten. Wessanen stopte met pellen in 1951. Bloemendaal & Laan, die buiten de Rijst-Unie was gebleven, heeft haar bestaan als Zaanse rijstpellerij tot 1961 weten te rekken. De laatste vertegenwoordiger van de pellerij in de Zaanstreek is Lassie bv (voorheen de gort- en rijstpellerij Mercurius van Gebr. Laan) in Wormer. Het productieproces bestaat daar echter niet meer uit het traditionele pellen, maar uit het 'voorkoken' van elders gekookte rijst. Er kan eventueel nog wel een slijpproces aan voorafgaan. Behalve fabriekscomplexen herinneren grote woonhuizen en kantoren aan de Zaanse rijstpellers. Hun filantropie heeft blijvende sporen nagelaten. Remmert en Adr. Laan financierden o.a. 'Ons Huis', het Wilhelminapark, bejaardenwoningen, scholen en 'Het Hof van Zaenden' (alle te Wormerveer). De familie Blans steunde vele r.k. instellingen in Zaandam en Van Odijck de Theosofische loge in Zaandam.

De economische betekenis van de Zaanse pellerijen bestond niet alleen uit de directe werkgelegenheid, maar ook uit een groot bouwvolume, dat aan de Zaanse bouwnijverheid ten goede kwam. Daarnaast ontstonden door de pellerij veel binnenvaart-transport, haven- en later ook veemactiviteiten en onderhoudswerk voor plaatselijke ambachtslieden. De ontwikkeling van de rijstpellerij heeft ook geleid tot impulsen om de infrastructuur van de Zaanstreek te verbeteren. De bewaard gebleven gegevens van de diverse rijstpellerijen zijn te schaars om een relatie met het algemeen conjunctuurverloop te leggen. Ook de factoren die de rentabiliteit van de ondernemingen bepaalden zijn op grond van beschikbare gegevens niet te achterhalen. De gegevens zijn mede zo schaars doordat er tot aan de Eerste Wereldoorlog door de pellers een beperkte administratie is gevoerd. Het lijkt erop dat men zich in de eerste plaats als koopman zag en dat de veredeling van het product een secundaire plaats in het handelsproces innam.
Zie ook: Economische geschiedenis 2.6.3., 3.6.8.

J. Kingma

Literatuur (naast de in de tekst vermelde): - U.G. Schilthuis, Bijdragen tot de kennis van den tegenwoordigen staat der Provincie Groningen, Eerste deel, Groningen 1860; - R. Laan, Wessanen's Koninklijke fabrieken 1765-1940, Wormerveer 1940; - Statistiek van den In -, uit- en doorvoer Koninkrijk der Nederlanden, diverse jaren, archief Centraal Bureau voor de Statistiek; - Th. van Tijn, Het Noordhollands zeehavengebied voor en na de openstelling van het Noordzeekanaal. Tijdschrift voor geschiedenis, 1966; - idem, Twintig jaren Amsterdam, 1965; - J. Kingma, Stoomrijstpellerij De Unie, in: Met Stoom. Koog 1989; - idem, De gasmotor van de firma Albert Vis, in; Met Stoom, Koog 1989; - idem, De eerste Zaanse stoomrijstpellerij, in: Met Stoom, Koog 1990; - G. Bolten, De betekenis van de stoommachine voor de modernisering van enkele traditionele windindustrieen in de Zaanstreek, in: Met Stoom, Koog 1990; - D. Damsma e.a.. Statistiek van de Nederlandse Nijverheid uit de Eerste Helft der 19e eeuw, suppl. Den Haag 1979; - Staat van fabrieken en trafieken te Zaandam op 1 januari 1848, Gem. archief Zaanstad; - M.T. Pruijs, J. Kingma, De Zaanwand in Wormer, in: Industriële Archeologie, Tilburg 1989; - J.C.A. Everwijn, Beschrijving van Handel en Nijverheid in Nederland, Den Haag 1912; - P.G. Kuyk, A Commercial and Industrial district of historical importance, in: De Hollandsche Steden, Laren; - Kasboek Albert Vis en verzameling Kasboeken Wessanen, Gem. archief Zaanstad; - Diverse jaarverslagen van de Kamer van Koophandel Zaanland, incompleet aanwezig, Gem. archief Zaanstad. - -

  • pellerij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/08/26 20:46
  • door wies