veevoederindustrie

Door de aanwezigheid van vele olie- en pelmolens leverde de Zaanstreek al sinds de 17e eeuw veevoeder. De restproducten van vooral olieslagerij (veekoeken) en in mindere mate pellerij (doppen) waren uitermate geschikt als bijvoeding in de winter, bij een tekort aan hooi. Ook toen bij de olieproductie gebruik werd gemaakt van andere technieken (zoals wringen, persen en extraheren) en toen de klassieke grondstoffen (zoals koolzaad, raapzaad en lijnzaad) werden vervangen door bijvoorbeeld kopra, grondnoten en palmpitten, vonden de veekoeken een goede afzet.

Was het veevoeder aanvankelijk dus voor elke fabriek een soms profijtelijk nevenproduct, in de jaren dertig van de 20e eeuw kwam daarin verandering door de opkomst van de mengvoeder-industrie. In plaats van het enkelvoudige restproduct gingen enkele bedrijven meervoudig veevoer samenstellen, waardoor de voedingswaarde werd verbeterd en waaraan men ook vitaminen toevoegde. Het produceren van veevoeder werd toen een doel op zichzelf.

Fabrieken als Wessanen nv, Koninklijke (in De Ster), Kaars Sijpesteijn Sijpesteijn (in De Vrede), Adriaan Honig Merkartikelen bv (HMA) (in Het Hart en De Zwaan) en Zwaardemaker Mengvoeders nv ontwikkelden de productie van mengvoeders in een grote variëteit. Daarnaast waren er ook kleinere bedrijven die als zogenoemde 'prakkers' mengvoeders maakten, zoals de firma Kraaij in Oostknollendam. De overige oliefabrieken gingen hun enkelvoudige koeken aan de mengvoederindustrie leveren.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond weer een heel andere specialisatie, waarbij Wessanen (in De Tijd in Wormerveer) internationaal een voortrekkersrol vervulde. In 1955 werden hier de producten Nukamel en Fokkamel ontwikkeld, poeders die - vermengd met water - een uitstekend en goedkoop substituut opleverden voor de melk waarmee kalveren tot dan toe werden gevoerd. De simpele gedachte erachter was: melk is duur, doordat boter het duurste vet is. Vervang je de boter in de melk door goedkopere vetten, onder behoud van eiwitten en andere voedingsstoffen uit de melk, dan krijg je een product dat ongeveer half zo duur is.

Dit idee was zeer succesvol. In korte tijd ontstond een belangrijke export van Nukamel, Fokkamel, waarna fabrieken werden gesticht in België, Italië en Frankrijk, terwijl aan andere landen de licentie werd verkocht. Er werden bovendien tal van andere diervoeders ontwikkeld, voor rundvee, paarden, varkens en pluimvee. In plaats van de aanvankelijke bijvoeding werden deze veevoeders uiterst belangrijk in de talrijke mesterijen die ontstonden als gevolg van de zich snel ontwikkelende vraag naar vlees. De fabricage van veevoeder, ook die in de moderne zin, is inmiddels uit de Zaanstreek verdwenen. Wel dienen enkele Zaanse fabrieken nog als toeleverancier van de thans elders gevestigde, doorgaans gespecialiseerde veevoederindustrie.

  • veevoederindustrie.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/06/28 14:13
  • door 91.231.4.143