verblifa

Voormalig blikbedrijf in Krommenie, tot stand gekomen bij een fusie in 1912. De samenstellende bedrijven, Woud & Schaap en Verwer Blikfabrieken waren in strikte zin geen echte familiebedrijven. Beide waren opgericht aan het einde van de 19e eeuw, toen Zaanse bedrijven meer behoefte kregen aan blik als verpakkingsmiddel.

In 1888 begon de toen nog minderjarige Cornelis Woud onder aansprakelijkheid van zijn vader een blikslagerij. Hij werd vanaf 1889 financieel gesteund door Jacob Schaap, kleinzoon van de eigenaar van de fabriek waar de vader van Cornelis werkte. Deze Jacob Schaap zag de zeildoekfabricage afkalven. In 1780 waren er nog 24 ondernemingen geweest, maar in 1891 was dat aantal tot vijf gedaald: Sijpesteijn, Van Leyden, Schaap, Van Eeden en Planteyd. Van deze vijf restten er in 1901 nog maar twee.

In 1889 werd de Zaanlandsche Blikfabriek Fa. W. Woud Cz opgericht. Toen Cornelis 21 jaar werd, volgde de nieuwe vennootschap Zaansche Blikfabriek fa. Woud & Schaap, die verhuisde naar Krommenie waar als gevolg van de grote werkloosheid goedkope arbeidskrachten te krijgen waren. Vakbekwaam personeel moest echter van buiten worden aangetrokken. Cornelis Woud leidde voor zijn blikfabriek de lokale krachten zelf op. In 1891 had hij 23 personen aan het werk, in 1896 was dat aantal gestegen tot 50.

De bussen dienden er voor de merkartikelen fraai uit te zien. Het schilderwerk werd uitbesteed aan de Zaankanter C. Verwer. Deze was in 1885 begonnen als schilder, lak- en vernisstoker. Hij had in 1889 de beschikking gekregen over een geheim procedé voor het maken van zeer goed conserverende vernis. Sedert 1890 was hij zich gaan concentreren op het decoreren van bussen met lak- en schilderwerk. Toen de zaken aantrokken en kapitaal voor investeringen nodig was, zorgde de zeildoekfabrikant W. Kaars Sijpesteijn dat het benodigde kapitaal door familie en kennissen werd bijeengebracht.

In 1892 werd opgericht de nv tot Exploitatie van Verwer's Vernis en Stoommetaaldrukkerij. Het was duidelijk dat Woud & Schaap en Verwer elkaar prachtig over en weer aanvulden, maar ieder wilde directe klantenbinding en dat verhinderde samenwerking. Beide bedrijven groeiden hard en toen de familie Schaap de financiële behoefte niet meer kon bijhouden, zocht men ook daar naar steun van Zaanse ondernemers. Een commanditaire vennootschap werd opgericht waarin Dirk van Leyden, Jan Schaap, R.A. Laan, Klaas de Boer en Lourens Rempt, laatstgenoemden waren burgemeesters van respectievelijk Krommenie en Wormer, en tal van andere familieleden en kennissen deelnamen.

Zaanlandsche Blikfabriek

Dit leidde in 1900 tot de NV Zaanlandsche Blikfabriek v/h Woud en Schaap met Cornelis Woud en Jacob Schaap als directeuren. Beide bedrijven werden dus in eerste instantie voornamelijk met behulp van Zaans kapitaal gefinancierd en leverden een belangrijke bijdrage tot de werkgelegenheid. In 1909 had Woud & Schaap 310 en Verwer 330 werknemers. Doordat de conjunctuur terugliep en de totale Nederlandse blikproductie sterk was gegroeid was omstreeks 1911 het aanbod van blik gelijk geworden aan de vraag. Bij verdere productievergroting kon de markt bedorven worden.

Maar beide blikemballage-fabrieken in Krommenie hadden uitbreidingsplannen. Verwer opende in 1912 een nieuwe fabriek in Utrecht, waarin ook een goed uitgeruste drukkerij-afdeling werd ondergebracht. Woud en Schaap hadden, naast een overname van de fabriek van A.C. Vis in Weesp, ook een werkplaats aan de De Ruijterkade in Amsterdam gebouwd. De lasten voor beide ondernemingen waren evenwel hoog. Verwer had (met een aandelenkapitaal van fl. 800.000) twee obligatieleningen van in totaal fl. 158.000 en een bankschuld van ruim fl. 300.000, terwijl het bedrijf van Woud en Schaap (met een aandelenkapitaal van fl. 500.000) een bankschuld van fl. 108.000 en een obligatielening van fl. 138.000 had uitstaan.

Met deze hoge lasten zou het voor beide bedrijven moeilijk zijn om het voor eventuele nieuwe uitbreidingen vermogen te verkrijgen. Daarom kwamen Verwer en Woud en Schaap in het begin van 1912 bijeen om besprekingen te voeren met het doel een einde aan de concurrentie te maken. Men streefde naar een fusie. Na langdurig overleg kwamen zij tot overeenstemming. Op 23 september 1912 werd de NV de Vereenigde Blikfabrieken (de Verblifa) opgericht. Volgens de statuten was het doel van de nieuwe NV: het fabriceren en bedrukken van metaalwaren, het fabriceren van lakken, vernissen en metaalverf en de handel in deze artikelen.

Het aandelenkapitaal werd vastgesteld op fl. 5.000.000, waarvan fl. 2.000.000 (2000 aandelen van 1.000 gulden) werd geplaatst. Voor deze aandelen werd een beursnotering aangevraagd en verkregen. Ter aflossing van de bestaande obligatieleningen werd een nieuwe obligatielening van 6 procent uitgegeven. Het hoofdkantoor van de vennootschap werd aan het Damrak in Amsterdam gevestigd. De directies en commissarissen van de fuserende bedrijven werden in de nieuwe NV samengevoegd. Verwer, G. van Houten (ooit als administratief medewerker bij Verwer begonnen), Woud en Schaap werden directeur van de Verblifa, en W. en P.H. Kaars Sijpesteijn, P. Smidt van Gelder, K. de Boer Czn, L. Rempt, E. van Leyden en J.A. Laan jr. werden lid van de raad van commissarissen.

Overnames

Eind 1912 werkten 1145 arbeiders in de fabrieken van het concern. Na de fusie probeerde de directie door overnames de concentratie in de blikverwerkende industrie verder te vergroten. In januari 1913 werd daartoe de fabriek van de firma Stroman in Rotterdam aangekocht, waarvan de inrichting in 1915 naar een nieuw gebouw in Hillegersberg verhuisde. Eveneens in 1913 werd de firma J.B. Lorrewa in Delft overgenomen met een zeer moderne inrichting voor de vervaardiging van conservenbussen. Dat bedrijf werd in 1917 naar een nieuw gebouw buiten Delft overgeplaatst.

Tenslotte werd het bedrijf van A. den Boer Wzn. uit Rotterdam overgenomen, in mei 1917 naar de Gedempte Botersloot in datzelfde Rotterdam overgeplaatst en van een geheel nieuwe installatie voorzien. Door deze concentratie hoopte de Verblifa een ruimer aandeel van het aanbod op de blikmarkt te gaan beheersen. De productiecapaciteit zou daarmee optimaal benut kunnen worden, waardoor de productiekosten zouden kunnen dalen. Als uitvloeisel hiervan werd de productie van verschillende artikelen over de diverse fabrieken van de onderneming verdeeld.

Deze politiek werd later in de jaren twintig met kracht voortgezet. De eerste jaren na de fusie waren de bedrijfsresultaten van de Verblifa ongunstig. Over de resterende maanden van het boekjaar 1912 kon slechts een dividend van 2,5 procent worden uitgekeerd en over 1913 een dividend van 4 procent. De hoge rentelasten en de stijgende productiekosten van blik (die nauwelijks aan de afnemers konden worden doorberekend) veroorzaakten deze teleurstellende gang van zaken. In deze periode bleek duidelijk hoe noodzakelijk de fusie tussen Woud & Schaap en Verwer was geweest.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 bracht voor de Verblifa een opleving van de bedrijvigheid. Doordat de buitenlandse concurrentie wegviel konden hogere prijzen aan de afnemers worden berekend. De fabrieken werkten op volle capaciteit (uitgezonderd de in de vroegere fabriek van Verwer ondergebrachte steendrukkerij, naar bedrukt blikwerk bestond weinig vraag). Door de goede verkoopmogelijkheden tijdens de Eerste Wereldoorlog konden grote winsten worden gemaakt en werd de positie van de NV aanzienlijk versterkt. Een belangrijk deel van de oude schulden werd afgelost, terwijl de dividenduitkeringen op een hoog peil lagen.

Uitblijvende orders

In 1919 bezat de Verblifa bedrijven in Krommenie, te weten de oude fabrieken van Woud & Schaap en Verwer, Utrecht, Weesp, Amsterdam, Rotterdam, Hillegersberg en Delft. Opvallend genoeg nam de vraag naar blik na de beëindiging van de oorlog niet toe zoals was verwacht, maar bleven de orders uit. Het Engelse blik kwam ook weer op de Nederlandse markt, maar kostte nu twee maal zoveel als voor de oorlog. Pas in de zomer van 1919 kwamen weer flinke bestellingen binnen. De vraag was voornamelijk uit het binnenland afkomstig. De export werd geremd door de hoge koers van de Nederlandse gulden. De sterke gulden bevorderde ook de invoer van buitenlands blikwerk.

In de eerste twee na-oorlogse jaren was deze invoer nog beperkt van omvang en werd ze niet als hinderlijk gevoeld. De vraag naar blikemballage was zeer groot. De vraag naar gedecoreerd blikwerk zoals luxe trommeltjes nam flink toe, de bedrijvigheid in de steendrukkerij in Krommenie groeide hierdoor. In 1925 overleed directielid G. van Houten. Hij werd in 1926 als directeur opgevolgd door P. Breman. De directeuren Corn. Woud en W. Woud (opvolger van Schaap) bleven in december 1927 niets over dan aftreden. Zij waren in conflict gekomen met de commissaris dr. A. Tietje over de bedrijfspolitiek. Tietje kreeg een meerderheid van aandelen achter zich. Bij deze gelegenheid legde president-commissaris W. Kaars Sijpesteijn eveneens zijn functie neer. Zijn plaats werd door Tietje ingenomen.

Per 1 januari 1928 werd ir. C. van der Waerden benoemd als technisch directeur naast Breman. Nadat Tietje president-commissaris was geworden verleende de raad van commissarissen meer steun aan de directie. Technisch directeur Van der Waerden legde de nadruk op de aanschaf van arbeidsbesparende machines. Pogingen werden gedaan om de verkooporganisatie van het concern te verbeteren. Er werd een zekere mate van decentralisatie ingevoerd, omdat het systeem waarbij alle orders vanuit het hoofdkantoor over de verschillende fabrieken werden verdeeld vertragend werkte. In 1930 kwam het tot verdere concentratie in de Nederlandse blikindustrie, toen de Verblifa de aandelen van NV Woud & Bekkers Blikfabrieken in Dordrecht, in omvang het tweede Nederlandse blikbedrijf, overnam.

De aandeelhouders van dit bedrijf, een voortzetting van Bekkers, waarbij C. Woud en W. Woud zich na hun aftreden als directeuren van de Verblifa hadden aangesloten, werd de gelegenheid geboden aandelen tegen de koers van 116% aan de Verblifa over te doen. Bijna alle aandeelhouders maakten van dit aanbod gebruik. De naam werd na de overname terug veranderd in NV Dordrechtsche Metaalwarenfabriek v/h Weduwe J. Bekkers en Zoon. De Verblifa financierde de overname door fl. 700.000 aan nieuwe aandelen uit te geven.

Felle concurrentie

De situatie op de afzetmarkt bleef moeilijk. In het bijzonder in de ijzersector werden de prijzen door de felle concurrentie steeds lager. In 1934 sloot de Verblifa een overeenkomst met de NV Metaalwarenfabriek v/h Jb. Pielkenrood in Zaandijk. Laatstgenoemde onderneming zou haar activiteiten in de blikverwerkende sector staken, terwijl de Verblifa beloofde de productie van ijzeren emballage-artikelen aanzienlijk te verminderen. Een gedeelte van het aandelenkapitaal van de metaalwarenfabriek werd door de familie Pielkenrood aan de Verblifa overgedragen.

Verdere verbetering kwam in 1936, toen Nederland de gouden standaard losliet. In enkele dagen tijds verminderde de waarde van de gulden met 20 procent ten opzichte van de dollar. De concurrentiepositie ten opzichte van buitenlandse bedrijven verbeterde. De afzet in het binnenland groeide, terwijl de prijzen hoger lagen. Het aantal werknemers van de Verblifa groeide weer. Om aan de toenemende vraag naar gedecoreerd blikwerk, met name uit het buitenland, te kunnen voldoen, werd in 1937 de centrale drukkerij in Krommenie uitgebreid met enige snellopende druk- en lakpersen. Aan het einde van 1937 daalde de vraag naar producten van de Verblifa, met name ook naar gedecoreerd blikwerk, plotseling. Deze tendens zette zich in de eerste helft van 1938 voort.

In de tweede helft van 1938 volgde weer herstel. Door de inrichting van de fabriek voor het zware ijzerwerk in Krommenie kon de Verblifa ook voor de onder invloed van de internationale spanningen gegroeide oorlogsindustrie worden ingeschakeld. Van het ministerie van oorlog werden verscheidene orders verkregen voor stalen helmen, granaathulzen en busjes voor gasmaskers. De Verblifa fungeerde als toeleveringsbedrijf voor de Artillerie Inrichtingen met welk bedrijf intensief werd samengewerkt. Ook de vraag naar emballage-artikelen nam aanzienlijk toe. 1939 was voor het concern een prima jaar. De opleving van de vraag zette zich voort, met name de vraag naar olie- en verfbussen, zeepfusten en vetbussen nam sterk toe.

Het eerste jaar van de Tweede Wereldoorlog kon de Verblifa, dankzij de grote voorraden, op volledige capaciteit doorwerken. In 1941 stagneerde de toevoer van grondstoffen. Men probeerde zoveel mogelijk andere grondstoffen te verwerken. Zo slaagde men er in een goede kartonnen doos voor droogwaren te produceren. Daarnaast werden oude conservenbussen opgekocht en ontbind. Daarvoor werden schoonmaakinstallaties ingericht in de fabrieken in Krommenie, Utrecht en Hillegersberg. Van dit blik uit de regeneratiebedrijven werden hoofdzakelijk verfbussen, kroonkurken en schroefdoppen gemaakt.

Uit Duitsland werden regelmatig partijen gelakt ijzer met vertinde randjes ontvangen. Hieruit werden conservenbussen gemaakt, waarvoor de Verblifa een geheel nieuwe installatie aanschafte. De panden van de fabriek in Dordrecht, die wegens gebrek aan materiaal niet meer werkte, werden in maart 1941 aan de Maatschappij voor Vliegtuigbouw Aviolanda verhuurd. De inventaris werd naar Krommenie overgebracht. In 1942 daalde de productie verder. Naast gebrek aan grondstoffen kreeg de Verblifa als gevolg van de Duitse Arbeitseinsatz ook te maken met een gebrek aan geschoolde arbeidskrachten.

Werknemers gefusilleerd

De gemiddelde leeftijd van de werknemers steeg als gevolg van de Arbeitseinsatz aanzienlijk hetgeen de loonkosten per werknemer en per eenheid product aanzienlijk deed groeien. In de zomermaanden werden de werktijden uitgebreid tot 52.5 uur, het daglicht werd zo optimaal benut. In mei 1943 brak in Krommenie een korte staking uit, als protest tegen de wreedheden van de Duitsers. Als represaille werden 12 arbeiders van de Verblifa gearresteerd. Vier van hen werden de volgende dag gefusilleerd en de anderen werden in een concentratiekamp opgesloten.

De laatste oorlogsjaren werd de situatie steeds moeilijker. De machines waren niet geschikt voor de verwerking van blikvervangende metalen. Tegen het eind van de oorlog produceerde de Verblifa onder andere carbidlampen en noodkacheltjes. Om de arbeiders door de moeilijke tijd heen te helpen werden stukken land gekocht, waarvan volkstuintjes gemaakt werden. Het aantal arbeiders was in 1945 gedaald tot minder dan 1000. Verscheidene machines werden uit de fabrieken weggehaald en naar Duitsland getransporteerd. Als gevolg van de oorlogshandelingen werden verschillende fabrieksgebouwen beschadigd.

Na de bevrijding in 1945 kon het concern zijn productie hervatten. Er werd blik verkregen dat was gekocht in opdracht van de Nederlandse regering, maar aangezien concurrent Thomassen en Drijver in Deventer eerder bevrijd was, kreeg deze onderneming eerder en meer van het geïmporteerde blik, zodat daar de productie bijna onmiddellijk hervat kon worden. Vanaf 1 juli 1945 trad een wijziging op in de status van de NV. Dordrechtsche Metaalwarenfabriek v/h Weduwe J. Bekkers en Zoon. Op die datum werden de panden van de vennootschap door de Verblifa in huur genomen. Hierdoor werd de vroegere fabriek van Bekkers voor rekening van de Verblifa op dezelfde basis als de overige fabrieken geëxploiteerd.

De NV Dordrechtsche Metaalwarenfabriek trad sindsdien op als handelsmaatschappij in huishoudelijke artikelen. De fabriek in Dordrecht kon zich in de jaren na 1945 behoorlijk ontwikkelen. In 1946 opende de Verblifa een nieuwe fabriek in Doesburg omdat de steeds omvangrijker wordende afdeling trekkerij en stamperij in Krommenie de aanschaf van een fabriekspand elders gewenst maakte. Met medewerking van het Beheersinstituut (een door het Rijk ingesteld instituut dat de na-oorlogse economie diende aan te zwengelen) slaagde de directie erin goedkoop een fabriekspand in Doesburg te krijgen waarin men gezien de gunstige ligging vooral halffabricaten voor de emaille-industrie in het gebied van de IJssel wilde vervaardigen. Het duurde langer dan verwacht voordat de fabriek in Doesburg bevredigend werkte. In de eerstvolgende twee jaren leverde het bedrijf geen bijdrage tot de winst. Aan het einde van 1950 had het bedrijf in Doesburg op de beide fabrieken in Krommenie na, het grootste aantal werknemers in dienst.

Overname Electro Blikfabriek

Door de overname van de NV Electro Blikfabriek uit Leeuwarden in 1949 kon aan het concern een grote, modern ingerichte fabriek worden toegevoegd. Naast de productie van verf- en vernisbussen, die het grootste deel van de omzet van de Electro Blikfabriek uitmaakten, werden enige nieuwe artikelen in het productieprogramma opgenomen. Vrij kort na de overname werd een tubemakerij in Leeuwarden gevestigd, terwijl ook conservenbussen, olie- en vetbussen en droogwaarbussen werden gemaakt. De productie van condensbusjes werd echter geheel stopgezet. De overname was geschied door ruil van aandelen.

De resultaten van de Electrofabriek gingen na de overname vooruit. De toegenomen mechanisatie waarop het streven van de directie na de oorlog was gericht, begon eveneens vruchten af te werpen hetgeen zich uitte in een daling van het aantal werknemers bij het concern. De arbeiders die in de loop van 1950 de dienst verlieten, hoefden niet meer vervangen te worden. De Verblifa investeerde in 1949 ongeveer 1 miljoen en in 1950 1,2 miljoen gulden in nieuwe machines.

De Verblifa heeft zich in het bijzonder in de jaren 1914 tot 1930 sterk ontwikkeld, mede dankzij de gevoerde politiek van het opkopen van bestaande blikverwerkende bedrijven en door specialisatie van de diverse fabrieken van het concern op verschillende producten. Daarbij werd ook getracht de mechanisatie van de fabrieken zo ver mogelijk door te voeren, hetgeen er toe leidde dat de Verblifa in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog over het beste machinepark van de Nederlandse blikverwerkende industrie beschikte. De Verblifa was in 1950 nog steeds één van de twee grootste blikverwerkende industrieën in Nederland met fabrieken in Krommenie (twee), Dordrecht, Utrecht, Delft, Rotterdam, Doesburg (twee) en Leeuwarden.

Het doel van de fusie in 1912, om de gehele Nederlandse blikverwerkende industrie in één naamloze vennootschap te concentreren, was echter nog niet bereikt. In 1953 werd in Oudenbosch in een gewezen papierfabriek een blikfabriek opgestart en werd in Krommenie de productie van kunststoffen begonnen. Met American Can Comp. werden in 1957 contacten gelegd met betrekking tot de kennis van kunststoffen. In het begin van de jaren zestig werden drukkerij Paauw in Leiden en kroonkurkenfabriek Heyloo en Visser in Boskoop overgenomen.

In 1963 volgde de viering van het 75-jarig bestaan. In december 1964 werd bekend dat de Verblifa door Thomassen & Drijver uit Deventer was overgenomen. De aandelen van Tietje, die in de Verenigde Staten was overleden, waren door Continental Can gekocht. Wat de directie van de Verblifa vanaf 1912 voor ogen had gestaan, de samenvoeging van de grootste blikfabrieken in Nederland, werd uiteindelijk door Thomassen & Drijver gerealiseerd.

Sluiting fabriek Krommenie

Op 16 april 1969 maakte Thomassen & Drijver bekend dat de fabriek in Krommenie op 31 december 1970 gesloten zou worden. Deze mededeling had een demonstratie, een verzoek van het college van b en w van de gemeente Krommenie om de zaak terug te draaien en de wens van de ondernemingsraad om de noodzaak tot sluiting door een onpartijdige commissie te laten onderzoeken tot gevolg. Het standpunt werd echter niet gewijzigd en op 16 oktober 1969 werden de fabriek-Zuid aan de fa. Krijt Krommenie bv en de fabrieken Padlaan aan Forbo Linoleum Fabriek verkocht. Op 31 december 1969 werd de Fabriek-Noord gesloten. Op 23 februari 1970 volgde een verkoping van machines en roerende goederen in sociëteit Ons Genoegen in Krommenie. Tenslotte volgde verkoop van de Fabriek-Noord op 2 augustus 1971 aan Vlaar Enveloppen Fabriek, H.B. Klinkenberg Konstruktie bv en Zaanlandia-Blik bv.

Directeuren van Verblifa-Krommenie waren: R. Stuurman 1909-1946, Ir. W. v.d. Laan 1946-1949, G.H. Hofmeester 1949-1957, Ir. B. Diepeveen 1957-1967 en Ir. P. v.d. Berg 1967-1970.

J. Kriek

  • verblifa.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/12/25 01:00
  • door zaanlander