Vis, Heyme

Ondernemersgeslacht, actief in de verffabricage

vanaf het begin van de 17e tot in de 20e eeuw.

De verfhoutmalerij was al van het prille begin van de industriële ontwikkeling in de Zaanstreek vertegenwoordigd. Nadat het Amsterdamse tuchthuis het monopolie had verkregen op het raspen van het verfhout, werd op veel plaatsen - ook in de Zaanstreek - illegaal verfhout gemalen. Zie ook Verffabricage.

Een van de bedrijven die zich reeds vroeg met de verfmalerij bezig hield was het familiebedrijf Heyme Vis. Volgens de overlevering stamde dit bedrijf af van Jan Duyn (geb. 1625), koopman en fabriceur, die al in 1643 een verfmolen bezat. Zijn zoon. Adam Jansz Duyn (1655-1723), trouwde Aagt Jacobs Vis (1668-1728), dochter van Jacob Vis, een doopsgezinde Oostzaner die vermoedelijk boer was. Er was sprake van een dubbele verwantschap, want de dochter van Jan Duyn huwde de broer van Aagt. Heyme Vis Jacobsz (1662-1725).

Een compagnonschap, bestaande uit Adam Duyn, Heyme Vis en Jacob Arisz Ploeger (alias Water), bouwde in 1695 in het Oostzijderveld de molen De Duinjager, die in de windbrief een tabaksstamper werd genoemd, maar als verfmolen werd gebruikt. Ploeger trad reeds in 1696 uit en Heyme Vis en Adam Duyn gingen samen verder. In 1725 werd De Gekroonde Visser, eveneens in het Oostzijderveld, in gebruik genomen. Heyme Vis Jacobsz (Heyme I) had twee zoons: Jan Vis Heymesz (1688-1766) en Claas Vis Heymesz (1690-1740). Jan was degelijk en ingetogen, terwijl Claas veel luchthartiger van aard was en bijvoorbeeld drie keer trouwde. Een van zijn echtgenotes was Antje Doorn, die eerder gehuwd was geweest met Jacob Heyntjes en van hem een zoon had.

Dirk Heyntjes, Adam Duyn en Aagt Vis hadden geen kinderen en vermaakten hun bezittingen aan de familie Vis, waaronder de pelmolen De Oude Kweker en de oliemolen De Wever. De familie Vis werd hierdoor veel kapitaalkrachtiger. Jan Vis Heymesz werd mede-eigenaar en gaandehouder van de pelmolen. Ook Antje Doorn bracht twee pelmolens mee: De Reizenaar en De Stolp in Westzaandam. Na het overlijden van Jacob Vis (1722), Heyme I (1725) en Aagt Vis (1728) gingen Jan Vis Heymesz en Claas Vis Heymesz een compagnonschap aan met Antje Doorn en haar zoon Dirk Heyntjes.

Breuk door ruzie

Disputen tussen de echtelieden en ook onenigheid tussen de broers leidden echter tot een breuk in 1738. Er ontstonden drie zaken: firma Jan Vis Heymesz, firma Heyntjes-Doorn en firma Claas Vis. In 1740 gingen de zaken van Claas Vis toch over naar Jan Vis, omdat Claas' zonen geen interesse in de verfmalerij bleken te hebben. Om de overdracht van De Duinjager te bekostigen moest Jan zich echter ontdoen van pelmolen De Kweker. De enige zoon van Jan Vis die volwassen werd, was Heyme Vis Jansz (Heyme II) (1729-1792), gehuwd met Neeltje Zwaardemaker (1729-1790). Hij zette de zaken voort en breidde deze uit door de koop van de molen De Pauwin aan de Oostzijde.

Op hun beurt kwamen zijn zonen Klaas Vis Heymesz (1759-1802), getrouwd met Trijntje Volmer (1762-1819), en Jan Vis Heymesz (1765-1818), getrouwd met Trijntje Cleyndert (1773-1834) in het bedrijf onder firma Heyme Vis 8: Zoonen. In 1781 verbrandde De Duinjager, maar deze werd direct herbouwd en zou nadien nog 161 jaar dienst doen. Toen Klaas in 1802 stierf, sloot zijn weduwe Trijntje Volmer een compagnonschap met haar zwager Jan Vis en haar zoon Pieter Vis Klaasz (1793-1869). Na Jan's overlijden werd zijn weduwe Trijntje Cleyndert medevennoot en na haar dood haar zoon Heyme Vis Jansz (Heyme III) (1796-1876), gehuwd met Antje de Vries.

Heyme's broer, Albert Vis Jansz (1801-1848), gehuwd met Neeltje Groen begon een succesvol pellersbedrijf in Wormerveer (zie Vis, ondernemersgeslacht Wormerveer, ondernemersgeslacht in Wormerveer), dat hij overnam van de familie Vas, Geslacht in Wormerveer. Zijn broer Klaas Vis Jansz stichtte in 1834 een commissionair-firma, die in 1945 nog bestond. Na 1834 bouwden de twee neven Pieter Vis en Heyme Vis III de zaken in eendrachtige samenwerking weer op na de rampzalige Franse tijd. Maar ook hun bleven tegenslagen niet bespaard. Zij kochten de pelmolen De Stijfselbak en namen die na een kostbare verbouwing als verfmolen in bedrijf. In 1841 verbrandde de Gekroonde Visser, na 116 jaren trouwe dienst aan vijf generaties.

Het was moeilijk een geschikte opvolger voor deze molen te vinden. In 1842 kochten zij De Spinbol aan de Nauernasche Vaart, die in 1855 op zijn beurt verbrandde. Datzelfde jaar nog kocht men Het Ooster Kattegat in Oostzaandam. In 1869 tenslotte werd De Stijfselbak door brand verwoest. Inmiddels waren de zonen van de neven in de zaken opgenomen. Heyme's zoon Heyme Jr (Heyme IV, later vaak Heymebaas genoemd (1827-1914) en Pieter's zoon Klaas Vis Pietersz vormden de zevende generatie. Klaas stierf jong en daarna werd zijn zwager Jan Schiere (1821-1894), getrouwd met Trijntje Vis, in het compagnonschap opgenomen. In 1866 traden Pieter Vis Klaasz (73 jaar) en Heyme III (70 jaar) uit.

Stoomfabriek

Na de brand van De Stijfselbak besloot Heyme Vis Jr tot de bouw van een stoomfabriek, De Vooruitgang. Dat werd de eerste en enige stoomverfhoutfabriek in de Zaanstreek. De eerste steen werd in 1870 gelegd. Maar aan het einde van de 19e eeuw begon de opkomst van de synthetische verfstoffen als concurrent van het houtmaalsel. Men ging meer aandacht besteden aan het malen van aardverven. In 1898 werd Het Ooster Kattegat gesloopt. De Pauwin werd overgenomen door de firma Kamphuys en De Duinjager werd in 1909 verkocht. In 1874, resp. 1879, trad de achtste generatie aan: Symon Jansz Schiere (1847-1894) en Dirk Vis (1854-1919), zoon van Heyme IV. Ofschoon zij sterk uiteenlopende levensopvattingen hadden (mogelijk door de Friese afkomst van de familie Schiere), vormden zij in 1887 samen met Heyme IV toch een compagnonschap als 'kooplieden en verfhoutmaalders'.

Toen Symon Schiere in 1894 stierf, maakte de familie Vis gebruik van haar recht tot overname van het hun niet behorende aandeel en in 1895 ontstond een nieuwe vennootschap tussen Heyme IV en zijn zoon Dirk. In tegenstelling tot zijn vader voor hem, trad Heyme niet tijdig terug. Hij bleef tot zijn dood (op 87-jarige leeftijd) een zeer conservatief en patriarchaal beheer uitoefenen, en dat in een tijd van grote industriële veranderingen om hen heen. In 1912 werd de fabriek 'Rembrandt' gebouwd op een terrein naast het woonhuis van Heyme IV aan de Oostzijde, in 1912 werd deze uitgebreid met pakhuizen.

Dirk Vis had een grote werklust en plichtsbesef, maar door zijn zwakke gezondheid was het hem niet beschoren de zaak een grote vlucht te doen nemen. Door zijn toedoen ontstond wel een toename in de fabricage van anorganische verfstoffen, en de invoering van Japanse lakken en strijkbare verven, plamuur en stopverf. In 1920 werd de nv Heyme Vis & Zoonen opgericht, met als directeuren de twee zoons van Dirk Vis, Heyme Dirksz Vis (Heyme V) (geb. 1883) en Dirk Hendrik Vis (geb. 1890). Heyme V trad echter al in 1925 uit om kunstschilder te worden. In 1925 nam Kamphuys de verffabriek De Vooruitgang over.

Ir E.B . van Gelder

  • vis_heyme_ondernemersgeslacht.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/19 12:00
  • door jan