vroedvrouwen

In het verleden berustte de verloskundige zorg bij de plaatselijke artsen en door de gemeenten aangestelde vroedvrouwen. Deze laatsten verleenden vooral hulp bij bevallingen in onvermogende gezinnen. Zij werden in de volksmond 'poppiesroeisters` genoemd. De pasgeborene, het kraamkind, duidde men namelijk als een “poppie aan. De kinderen kwamen in de Zaanstreek bij overlevering niet “van de ooievaar, maar “uit het rietland, of “uit de watermolen'. Dat gold niet alleen in Zaandijk, waar de watermolen toepasselijk “Het Leven' heette. Het was gebruik dat de vroedvrouw assistentie kreeg van twee naaste buurvrouwen. De oudste vermelding die in de archiefstukken van een dorpsvroedvrouw is gevonden dateert uit 1626; in Oostzaandam nam Neeltje Jans toen als zodanig afscheid. Blijkbaar bestond de functie al langer en had zij een officiële aanstelling.

De vergoeding uit de gemeentekas was laag: in 1727 werd in Zaandijk Hillemet Cornelis aangesteld als dorpsvroedvrouw op een loon van f 50 per jaar. G. Oosterbaan, Gosse somde (in “De Kerk in het midden', Krommenie 1981) een lange lijst van vroedvrouwen in gemeentedienst te Koog en Zaandijk op. De functie, waarvoor een examen moest zijn afgelegd, bleef tot ver in de 20e eeuw gehandhaafd; in 1925 werd aan de toenmalige vroedvrouw in Koog een jaarsalaris van f 1000 vergoed. Langzamerhand namen daarna ziekenfondsen en particuliere ziektenkostenverzekeringen de kosten van de bevallingen voor hun rekening en veranderde ook de organisatie van deze tak van gezondheidszorg. Huisartsen zijn nog slechts zelden bij zwangerschapszorg en bevalling betrokken, de taken berusten nu bij gynaecologen en (in meerderheid) bij verloskundigen, vooral doordat in ons land de thuisbevalling gebruikelijk bleef. Zie ook: Gezondheidszorg 1.5.1. en Kraamzorg

  • vroedvrouwen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/09/01 20:04
  • door judith