Verschillen
Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.
Beide kanten vorige revisie Vorige revisie Volgende revisie | Vorige revisie | ||
eco:economische_ontwikkeling_na_1800 [2015/11/16 11:58] jan [3.6.1. Nieuwe grondstoffen ; secondaire veredeling] |
eco:economische_ontwikkeling_na_1800 [2024/04/07 12:06] (huidige) zaanlander |
||
---|---|---|---|
Regel 1: | Regel 1: | ||
+ | ==== Economische ontwikkeling van de Zaanstreek na 1800 ==== | ||
+ | |||
+ | === 3.1. Economische stagnatie === | ||
+ | |||
+ | == 3.1.1. Stagnatie, armoede == | ||
+ | |||
+ | <WRAP right round box 30%> | ||
+ | **Zie ook:** | ||
+ | {{backlinks> | ||
+ | </ | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De [[: | ||
+ | |||
+ | De vermindering van het aantal molenbedrijven die na 1740 was begonnen, zette zich in en na de Franse tijd gestadig voort. In het algemeen verkeerden de Zaanse handel en nijverheid in de eerste helft van de 19e eeuw in een kwijnende toestand. Een groot aantal molens werd stilgelegd en/of gesloopt. Het aantal zeildoekfabrikeurs liep terug van ongeveer 20 in 1800 tot 12 in 1850. De papiermakerij verloor steeds meer terrein door de invoer van goedkoper machinaal bereid papier uit het buitenland. De gehele Zaanstreek had te kampen met grote werkloosheid en armoede. De bevolkingsgroei stagneerde. In de [[: | ||
+ | == 3.1.2. Economische structuur van de Zaanstreek omstreeks 1850 == | ||
+ | |||
+ | Wanneer we de industriële structuur van de Zaanstreek omstreeks 1850 vergelijken met die van 1731 dan valt een aantal duidelijke verschillen op. Een aantal bedrijfstakken uit 1731 kwam in 1850 met meer voor: de scheepsbouw en zijn nevenbedrijven, | ||
+ | |||
+ | In enkele bedrijfstakken bleef het aantal bedrijven ongeveer gelijk zoals verfmalerij. In sommige kleinere takken van nijverheid nam het aantal bedrijven toe, zoals in de cacaomalerij, | ||
+ | |||
+ | Van alle bedrijven in 1731 was 70% veredelingsbedrijf. In nog eens 8% van de bedrijven maakten veredelingsactiviteiten een hoofdbestanddeel uit van het productieproces als papiermakerij en snuifmalerij. | ||
+ | |||
+ | In 1850 vormden de veredelingsbedrijven 80% van het totale aantal industriële bedrijven in de Zaanstreek, voorts was in nog eens 1% van de bedrijven veredeling hoofdelement van de productie. Binnen de veredelings-industrie bestond zowel in 1731 als in 1850 90% van alle bedrijven uit houtzagerijen, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.1.3. Factoren die economisch herstel vertraagden == | ||
+ | |||
+ | Men kan volhouden dat de Zaanstreek de malaise alleen maar over zich heeft laten komen, zoals wel eens is gesteld. Afgezien van de algemene economische stagnatie in Nederland in de eerste helft van de 19e eeuw, waren er twee factoren werkzaam, die het economisch herstel van de streek belemmerden of vertraagden. De eerste factor vormden de grote vermogensverliezen, | ||
+ | |||
+ | De Zaanstreek beschikte over een, door de toepassing van windkracht, betrekkelijk goedkoop exploiteerbaar productie-apparaat, | ||
+ | |||
+ | De Zaanstreek is pas betrekkelijk laat op de vervanging van wind- door stoomkracht overgegaan. Stoomkracht werd voor het eerst toegepast bij het veer op Amsterdam. In 1826 kwam de stoomboot Mercurius tussen Zaandam en Amsterdam in de vaart. De eerste stoommachine in de industrie werd in 1833 in een blauwselfabriek te Westzaan geplaatst. In 1837 volgde een tweede stoommachine in een papierfabriek te Wormer. | ||
+ | |||
+ | Erg snel ging de invoering van stoomkracht in het Zaanse niet. Tot 1861 waren er in de gehele Zaanstreek zes stoomwerktuigen in industriële bedrijven geplaatst. De blauwsel- en lakmoesfabricage 1, zeildoekfabricage 1, papiermakerij 1, olieslagerij 2 en de meelmalerij 1. \\ | ||
+ | Pas na 1860 zou op enigszins omvangrijke schaal stoomkracht in de industrie worden toegepast. | ||
+ | |||
+ | === 3.2. Bevordering van economisch herstel; infrastructurele vernieuwing === | ||
+ | |||
+ | == 3.2.1. Nieuwe kanalen en havens == | ||
+ | |||
+ | Op verschillende manieren heeft men in de eerste helft van de 19e eeuw geprobeerd het economisch herstel te bevorderen, zowel op nationale als op lokale schaal. In de eerste plaats moet worden genoemd de uitvoering van werken ter verbetering van de infrastructuur van de streek. Door aanslibbingen in de Zuiderzee, het IJ en de Zaan waren Amsterdam en Zaandam steeds moeilijker toegankelijk geworden voor de zeescheepvaart. | ||
+ | |||
+ | De opening van het Noordhollands Kanaal in 1824 had ten doel het dreigende isolement van Amsterdam te verbreken. Aan de Zaanstreek ging de nieuwe verbinding echter voorbij. Het zou tot 1850 duren voordat de Zaanstreek via de Markervaart en het Kogerpolderkanaal een verbinding met het Noordhollands Kanaal kreeg. Daar waar het Kogerpolderkanaal in het Noordhollands Kanaal uitmondde ontstond een nieuwe Zaanse zeehaven, die van 1850 tot 1885 een belangrijk deel van het zeescheepvaartverkeer op Zaandam en Wormerveer tot zich trok. | ||
+ | |||
+ | In de jaren vlak vóór 1850 werden zo'n 70 à 80 zeeschepen te Zaandam ingeklaard. Tussen 1850 en 1870 liep dat aantal, met jaarlijkse schommelingen tussen 130 en 300, op tot gemiddeld ruim 200 per jaar. Hiervan werd 20 à 30% te Zaandam zelf gelost, eerst 30 à 40% en later 50 à 60% in de Kogerpolder. | ||
+ | |||
+ | Veel ingrijpender nog voor de economische ontwikkeling van de Zaanstreek was de drooglegging van de Haarlemmermeer en het IJ in de periode 1854-1876 met daaraan gekoppeld de aanleg van het [[: | ||
+ | In 1885 kon Zaandam zich opnieuw zeehaven noemen, toen het [[: | ||
+ | |||
+ | Bij Westzaan zou in het Zijkanaal F de zeehaven van Westzaan worden aangelegd. In 1911 werd het havencomplex van Zaandam/ | ||
+ | |||
+ | De verbinding tussen de Voorzaan-haven en de Achterzaan werd in 1903 aanzienlijk verbeterd door de aanleg van de [[: | ||
+ | |||
+ | == 3.2.2. Land- en spoorwegen == | ||
+ | |||
+ | Maar er gebeurde meer dan alleen de verbetering van het waterverkeersnet. In de 19e eeuw kwamen ook de eerste [[: | ||
+ | |||
+ | Binnen de Zaanstreek werden de hoofdwegen verbreed en bestraat. Dit ging gepaard met demping van de [[: | ||
+ | |||
+ | De eerste spoorwegverbinding kwam in 1869 tot stand tussen Zaandam en Uitgeest. De verbinding met Amsterdam moest wachten op de drooglegging van het IJ, de aanleg van het [[: | ||
+ | In 1878 vond de opening van de spoorlijn Zaandam-Amsterdam via de Hembrug plaats. Kort daarop kwam ook de spooraansluiting met Enkhuizen tot stand. Toen de zeehaven van Zaandam in 1885 werd geopend was de streek mede op het zich ontwikkelende nationale landen spoorwegennet aangesloten. | ||
+ | |||
+ | Weinigen zullen toen nog vermoed hebben hoe paradoxaal deze situatie eigenlijk was. In de tweede helft van de 20e eeuw toen het wegverkeer zeer expansief groeide, zou de insulaire ligging aan diep vaarwater, gunstig voor de aanvoer van goederen over zee, voor de economische ontwikkeling van de streek, die meer en meer van snel en doelmatig wegvervoer afhankelijk werd, in een nadeel omslaan. Het Noordzeekanaal als verkeersbarrière werd een onderwerp van toenemende en aanhoudende zorg. | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.2.3. Instellingen van economisch nut == | ||
+ | |||
+ | De grondstoffen voor de veredelingsindustrie, | ||
+ | |||
+ | Ook voor de granen en zaden, bestemd voor de Zaanse meelmalerij, | ||
+ | |||
+ | In 1849 heeft men geprobeerd door de oprichting van een korenbeurs te Zaandam de afhankelijkheid van de Amsterdamse markt te verminderen en een eigen Zaanse graan- en zaadhandel te bevorderen. Deze poging mislukte. In 1870 moest de Zaandamse korenbeurs weer worden opgeheven. | ||
+ | |||
+ | Ook op andere manier trachtte men de Zaanse handel en industrie te bevorderen. In 1843 werd de [[: | ||
+ | |||
+ | Een organisatie die eveneens in belangrijke mate aan de verlevendiging van handel en nijverheid heeft bijgedragen was de [[: | ||
+ | |||
+ | Ontwikkeling werd niet alleen geestelijk en sociaal gemotiveerd, | ||
+ | |||
+ | Het Nut te Zaandam heeft in de eerste helft van de 19e eeuw verschillende scholen opgericht: een Frans-Latijnse school, een avond of herhalingsschool, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | In 1850 vormden de veredelingsbedrijven 80% van het totale aantal industriële bedrijven in de Zaanstreek; voorts was in nog eens 7% van de bedrijven veredeling hoofdelement van de productie. Binnen de veredelingsindustrie bestond zowel in 1731 als in 1850 90% van alle bedrijven uit houtzagerijen, | ||
+ | |||
+ | === 3.3. Economische Expansie II === | ||
+ | |||
+ | Van ongeveer 1860 af is de Zaanstreek haar tweede tijdperk van economische expansie binnengetreden. Dit tijdperk wordt globaal getypeerd door vier slagwoorden: | ||
+ | === 3.4. Ontwikkeling van landbouw en visserij === | ||
+ | |||
+ | In de 19e eeuw nam door twee oorzaken het landbouwareaal weer toe. Tussen 1835 en 1855 werden de Assendelver Veen- en Noorderpolder verveend, waarmee de laatste woeste gronden in de Zaanstreek in cultuur gebracht konden worden. De droogmaking van het IJ voegde nieuwe kleigronden toe aan het gebied van de gemeenten Zaandam, Westzaan en Assendelft. Daarmede deed de akkerbouw als middel van bestaan in de Zaanstreek zijn intrede. | ||
+ | |||
+ | Na 1890 is door dorps- en stadsuitbreiding een aanzienlijk deel van de landbouwgronden verloren gegaan, in het bijzonder in de oude bannen van Oost- en Westzaanden. De laatste halve eeuw zijn ook de gronden in de IJ- en Achtersluispolders voor havenaanleg en industriële doeleinden aangetast. Het belangrijkste agrarische bestaansmiddel bleef de veeteelt, die nog overwegend in Assendelft, Wormer, Jisp en Oostzaan wordt uitgeoefend. | ||
+ | |||
+ | In verschillende plaatsen zijn in de 19e eeuw zuivelmarkten ontstaan en ook weer teniet gegaan: Zaandam, Wormerveer, Krommenie en Assendelft. De belangrijkste markt was die te Wormerveer. Een kaasmarkt die in de hoogtijdagen van haar bestaan, omstreeks 1850, een 500.000 pond kaas per jaar omzette. | ||
+ | In 1882 moest deze markt echter weer worden opgeheven. Geen der Zaanse zuivelmarkten kon het bolwerken tegen de markten van Alkmaar, Purmerend en Hoorn. Een zelfde lot onderging de zuivelindustrie in de Zaanstreek zoals de melkfabrieken te Assendelft, Wormerveer en Zaandam, die slechts een tijdelijk leven in de eerste helft van de 20e eeuw was beschoren. | ||
+ | |||
+ | De zeevisserij te Zaandam handhaafde zich door de gehele 19e eeuw heen. In 1870 voeren nog ongeveer 25 schepen met in totaal 50 à 60 man personeel naar het IJ en de Zuiderzee. Met de drooglegging van het IJ ging het voornaamste visgebied verloren. Tussen beide wereldoorlogen verdween de zeevisserij te Zaandam volledig. | ||
+ | |||
+ | === 3.5. Ontwikkeling van de oudere ambachtelijk-industriële bedrijfstakken === | ||
+ | |||
+ | == 3.5.1. Zeildoekweverij, | ||
+ | |||
+ | De oudere industriële bedrijfstakken in de Zaanstreek, de zeildoekweverij, | ||
+ | |||
+ | De productie van zeildoek, die in de periode 1725-1734 29.000 rollen per jaar had bedragen, was in de jaren 1785-1794 teruggelopen tot gemiddeld 19.000 en in de periode 1825-1834 tot 16.000. Daarna trad enige verbetering in. Over de periode 1835-1850 werd weer een gemiddelde jaarlijkse productie van 20.000 rollen gehaald. De laatste productiecijfers dateren van de jaren rond 1860 toen het gemiddelde iets beneden de 20.000 rollen lag. | ||
+ | |||
+ | In 1866 waren er in Krommenie dertien zeildoekfabrikanten in bedrijf waar 106 arbeiders werkten en één stoomgarenspinnerij met 43 arbeiders. Tezelfdertijd werkten er in Assendelft ruim 7000 zeildoekwevers, | ||
+ | In 1886 bleek het aantal zeildoekfabrikanten te zijn teruggelopen tot zes met 96 personeelsleden. De ene garenspinnerij had 25 personen in dienst. Te Assendelft werd slechts nog melding gemaakt van een kleine 200 zeildoekwevers. De achteruitgang van de zeildoekfabricage veroorzaakte vooral na 1880 in Assendelft een grote werkloosheid. Gegevens over 1901 laten zien dat toenmaals in Krommenie nog twee zeildoekweverijen en één garenspinnerij met in totaal 143 man personeel over waren. | ||
+ | De thuisweverij te Assendelft was ten onder gegaan. De zeildoekproductie was geheel geconcentreerd en fabrieksmatig geworden. In 1916 waren in de drie vermelde bedrijven in totaal ruim 230 mensen werkzaam. Maar toen werd al met meer dan alleen het oude Hollandse hennepdoek geproduceerd. Daarnaast werd jute geweven voor de zakkenindustrie en na de eerste wereldoorlog ook voor de linoleumindustrie. | ||
+ | |||
+ | Voorts trachtte men het steeds meer wegvallende debiet van het traditionele scheepszeildoek te compenseren door de productie van katoenen doek, transportbanden, | ||
+ | In de periode 1850-1916 heeft de zeildoekweverij een proces van bedrijfs- en ondernemingsconcentratie doorgemaakt. Aan het einde van de 19e eeuw vond de gehele productie, van het beuken van de hennep tot de spinnerij en de weverij toe, machinaal en fabrieksmatig plaats. Dit leidde tot de ondergang van de thuisspinnerij en weverij. Voorts werd de afnemende productie in een steeds kleiner aantal ondernemingen, | ||
+ | De touwslagerij, | ||
+ | |||
+ | == 3.5.2. Papiermakerij, | ||
+ | |||
+ | De geschiedenis van de Zaanse papiermakerij na 1850 vertoont een parallel met die van de zeildoekweverij. In 1851 stonden er in de Zaanstreek nog 15 papiermolens en één papierfabriek met in totaal ruim 500 arbeiders. De bedrijven waren gevestigd in Zaandijk, Wormerveer, Wormer, Westzaan, Koog en Krommenie. De papierfabricage was een van de eerste industriële bedrijfstakken in de Zaanstreek waar stoom werd toegepast in 1837. In 1871 was het aantal windmolens tot tien teruggelopen en de totale personeelsbezetting tot ruim 350. | ||
+ | Weer 20 jaar later waren er nog vijf molens en één papierfabriek, | ||
+ | |||
+ | In het Wormer papierbedrijf hadden zich, sinds daar in 1846 de eerste stoommachine was geplaatst, belangrijke wijzigingen voltrokken. De productie vond steeds meer machinaal en fabrieksmatig plaats. Vanaf 1883 vervingen houtstof en cellulose de lompen als grondstof. | ||
+ | Tot 1890 werd in Wormer vooral pak- en schrijfpapier gemaakt, daarna ook couranten- en rotatiepapier. Maar van 1895 af, toen de vestiging in Velsen werd geopend, waar de krantenpapierproductie werd geconcentreerd en waar in 1901 een eigen cellulose- en in 1908 een eigen houtstofproductiebedrijf werd opgericht, specialiseerde Wormer zich weer voornamelijk op pakpapier. In 1934 waren cellulose en houtstof het voornaamste bestanddeel van alle papiersoorten geworden. | ||
+ | |||
+ | De ontwikkeling van de papierindustrie te Wormer was een schoolvoorbeeld van een concentratie- en integratieproces. In 1850 was de papierfabriek een zelfstandig familiebedrijf. In 1876 werd het ondergebracht in een naamloze vennootschap, | ||
+ | |||
+ | Sedert het midden van de negentiende eeuw ontwikkelde zich in de Zaanstreek naast en gedeeltelijk vanuit de papiermakerij een papierwarenindustrie. In 1871 waren dit alleen nog zakjesplakkerijen met in totaal ongeveer 70 personeelsleden. Ook de omstreeks 1910 aanwezige papierwarenindustrie bestond nog overwegend uit zakjesplakkerijen, | ||
+ | |||
+ | == 3.5.3. Stijfselmakerij, | ||
+ | |||
+ | Een derde ambachtelijke industrietak die de Franse tijd had overleefd was de stijfselmakerij. In 1851 stonden er in de Zaanstreek 17 stijfselmakerijen, | ||
+ | Omstreeks 1900 was het aantal bedrijven tot tien verminderd, maar de totale personeelsbezetting nam toe tot ongeveer 130. Het zwaartepunt van de stijfselindustrie verplaatste zich van Zaandam en Oostzaan naar de Koog, waar in 1900 bijna 60% van het personeel werkzaam was. | ||
+ | Na de Eerste Wereldoorlog trad een verdere concentratie te Koog op. De stijfselfabricage werd onderdeel van een meer omvangrijke zetmeelbewerkings- en verwerkingsindustrie en verdween in de Zaanstreek als afzonderlijke en zelfstandige bedrijfstak. Tot 1875 was de grondstof voor de stijfselmakeríj tarwe. In 1922 verdween te Oostzaan de laatste tarwestijfselfabriek. De nadruk kwam te liggen op maisstijfsel, | ||
+ | === 3.6. Ontwikkeling van het veredelingsbedrijf === | ||
+ | |||
+ | == 3.6.1. Nieuwe grondstoffen ; secondaire veredeling == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De kurk waarop de Zaanse economie in de periode van 1850 tot aan de Eerste Wereldoorlog dreef was de veredelingsindustrie. Daartoe behoorden in de eerste plaats de oude takken van veredelingsbedrijf: | ||
+ | In de 19e eeuw kwamen nieuwe grondstoffen uit nieuwe overzeese productielanden naar de Zaanstreek. Deze grondstoffen konden in de vrije wereldhandel, | ||
+ | Op basis van deze grondstoffen kwamen nieuwe veredelingsbedrijven tot ontwikkeling: | ||
+ | |||
+ | Het 17e- en 18e-eeuwse veredelingsbedrijf rustte op primaire, mechanische veredelingsactiviteiten: | ||
+ | |||
+ | In de secondaire chemische veredeling ontwikkelde zich de overgang van primaire veredeling van plantaardige grondstoffen naar chemische industrie. Zo hebben de moderne olie-, cacao-, zetmeel- en verfindustrie in de Zaanstreek zich in hoge mate tot chemische industrie ontwikkeld. Tegelijkertijd zou een belangrijk deel van de primaire veredelingsindustrie in de 20e eeuw te gronde gaan: de houtzagerij, | ||
+ | |||
+ | == 3.6.2. Van molenbedrijf tot fabriek == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Er was nog een andere, technologische, | ||
+ | |||
+ | == 3.6.3. Houthandel, houtzagerij, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Toen de Zaandamse en Westzaanse houthandelaren en houtzagerij de eerste decennia van de 19e eeuw binnentraden, | ||
+ | |||
+ | Tussen 1852 en 1859 werd gemiddeld 4000 ton, ruim 11.000 kubieke meter hout per jaar te Zaandam ingeklaard. Daarna nam de aanvoer te Zaandam steeds meer af tot gemiddeld 1200 ton, bijna 3500 kubieke meter per jaar in de periode 1865-1874. Na 1878 stagneerde deze aanvoer geheel. Het voor Zaandam bestemde Noordse hout werd in die tijd overwegend gelost in Nieuwediep, Kogerpolder en Amsterdam. Dat veranderde radicaal na de opening van de Oude Zeehaven. In de periode 1885-1889 werden per jaar ruim 230.000 balken, 30.000 sparren enzovoort en 1 miljoen stuks gezaagd hout te Zaandam gelost. | ||
+ | In 1895 was de aanvoer al opgelopen tot ongeveer 280.000 balken, 140.000 sparren en 5,7 miljoen stuks gezaagd hout. Tegen het einde van de 19e eeuw nam de haven van Zaandam ongeveer 12% van de houtaanvoer in Nederland voor zijn rekening; in geldwaarde; 21% van het ongezaagde en 16% van het gezaagde hout. De rest werd geïmporteerd via Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht, Terneuzen en Harlingen. Zaandam importeerde vooral hout, bestemd voor de eigen Zaanse houthandel en houtzagerij. | ||
+ | |||
+ | Zeer groot was de import van balken in de periode 1900-1913. De gemiddelde jaarlijkse aanvoer bedroeg toen zo'n 500.000 balken; bovendien werden ongeveer 200.000 [[: | ||
+ | |||
+ | Het grootste deel van het aangevoerde ongezaagd hout kwam uit Rusland. De aanvoer van balken was zó groot, dat in de balkenhavens onvoldoende ruimte was om de flensvlotten te bergen. De Poel, de Kuil, het Zaandijker Wijd en zelfs wateren bij Wormerveer en Knollendam moesten voor balkenberging worden ingericht. De opening van de Nieuwe Zeehaven in 1911 moest een einde maken aan het ruimtetekort. | ||
+ | |||
+ | Maar op de langere duur bleek deze haven niet echt nodig. Tussen de beide wereldoorlogen werden de vooroorlogse balkenaanvoeren nimmer meer gehaald. In de jaren 1920-1929 werden gemiddeld nog maar 20.000 tults balken per jaar aangevoerd, in de jaren 1930-1939 ruim 9000 tults. | ||
+ | Vanaf 1968 zouden vrijwel geen balken, palen en sparren meer te Zaandam worden aangevoerd. De aanvoer van ongezaagd hout in de Zaanstreek was daarmee verleden tijd geworden, balkenhavens konden worden opgeheven of gedempt. De oorzaak van deze ontwikkeling was eenvoudig. De productielanden in het Oostzeegebied, | ||
+ | |||
+ | In 1851 telde de Zaanstreek 106 houtzaagmolens, | ||
+ | We zien dan ook dat van de 56 houtzagerijen die omstreeks 1900 in de Zaanstreek in bedrijf waren er 24 door stoomkracht en nog slechts 32 door de wind werden aangedreven. De invoering van stoomkracht had een belangrijke mate van concentratie van de zagerij en een sterke uitbreiding van het productievermogen van deze industrie tot gevolg. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog in 1911 was het aantal stoomhoutzagerijen teruggelopen tot 21, waarvan 18 te Zaandam, en het aantal zaagmolens tot 13. | ||
+ | |||
+ | Na de Eerste Wereldoorlog leek de zagerij nog een redelijke toekomst tegemoet te gaan. De balkenaanvoer consolideerde zich op een niveau van 20.000 tults per jaar weliswaar aanzienlijk minder dan vóór de oorlog, maar toch nog hoopgevend. Na 1930 ging het echter snel bergafwaarts. Een deel van de bedrijven schakelde over op secondaire veredeling als schaverij, bestekhoutzagerij, | ||
+ | In 1947 was dit aantal tot de helft gezakt. Het aantal houthandels en houtzagerijen bedroeg toen nog altijd 25. Cijfers over 1969 tonen aan dat de houtzagerij/ | ||
+ | |||
+ | Na de Eerste Wereldoorlog liep deze hoeveelheid verder op tot gemiddeld 70.000 std in de jaren 1920-29 en tot bijna 85.000 std in de periode 1930-' | ||
+ | |||
+ | Maar de structuur van de Zaanse houthandel is de laatste honderd jaar sterk veranderd De balkenimport en de veredeling verdwenen uit de handelsketen. De Zaanse houthandel werd import en distribuerende handel van gezaagd hout. De belangrijkste grondstoffen waren vure- en grenenhout uit de Oostzee landen, Rusland en Noord-Amerika. De handel in, en tijdelijk ook de veredeling van tropische hardhoutsoorten is daarbij in de schaduw gebleven. Wat de afzet betreft oriënteerde de Zaanse houthandel zich vrijwel geheel op de lokale en binnenlandse bouwmarkt. Het aantal houtwerven en loodsen is in de 20e eeuw gestadig teruggelopen, | ||
+ | |||
+ | Voor de Zaanse opslaghandel bleek dit al spoedig in een nadeel om te slaan. In de periode tussen de beide wereld oorlogen werd in toenemende mate opslag op de Zaandamse werven omzeild en gesorteerd hout direct per binnenschip naar filialen van Zaanse houtbedrijven of naar andere afnemers in de provincie getransporteerd. Een belangrijk deel van de activiteiten van de Zaanse houtimporteurs werd overslaghandel, | ||
+ | |||
+ | Hoewel de import van gezaagd hout in de 20e eeuw, in grote lijnen gezien toenam is het aantal houthandels afgenomen. Er heeft op twee manieren concentratie plaatsgevonden. \\ | ||
+ | In de eerste plaats vond, vooral toen de houtzagerij geen perspectieven meer bood een aantal fusies plaats. Voorts werden na de Tweede Wereldoorlog alle houthandelsactiviteiten op twee plaatsen in het Voorzaangebied geconcentreerd op het Eiland van Pont met aanvoer via de Oude Zeehaven en in het Houtcentrum, | ||
+ | Omstreeks 1900 waren er in de hele Zaanstreek niet meer dan tien houtwarenbedrijven met in totaal minder dan 100 man personeel gevestigd. Daarna ontstonden wel enkele houtwarenfabrieken, | ||
+ | |||
+ | In 1930 waren er exclusief de vloeren- en deurenfabricage, | ||
+ | |||
+ | == 3.6.4. Olieslagerij spijsolie-industrie veevoederindustrie == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De belangrijkste groep van veredelingsbedrijven in de tweede helft van de 19e en in de 20e eeuw wordt gevormd door de olieslagerijen, | ||
+ | |||
+ | In 1851 werd de olieslagerij in de Zaanstreek uitgeoefend in 114 oliemolens; in 1986 waren er nog zes oliefabrieken in de Zaanstreek gevestigd. In de tussenliggende tijd heeft deze bedrijfstak ingrijpende wijzigingen ondergaan. In 1851 waren de belangrijkste grondstoffen lijnzaad en koolzaad. Omstreeks 1970 maakte lijnzaad nog nauwelijks 10% van het grondstoffenverbruik uit. Reeds in 1871 werd melding gemaakt van de aanvoer van palmpitten en was er een palmpittenoliefabriek te Zaandam in bedrijf. In de jaren '80 van de 19e eeuw werden de eerste grondnoten in de haven van Zaandam gelost. Ongeveer een eeuw later lag de nadruk op sojabonen. Daarnaast werden kopra, palmpitten en lijnzaad verwerkt. In 1970 staakten twee Zaanse oliebedrijven de verwerking van lijnzaad. | ||
+ | |||
+ | Met de verschuivingen in het grondstoffenpakket ging een verandering in de afzetstructuur gepaard. In de tweede helft van de 19e eeuw waren de afnemers de verf- en zeepindustrie, | ||
+ | |||
+ | Aanvankelijk waren de Zaanse olieslagerijen primaire veredelingsbedrijven. Meer en meer is de secundaire veredeling in de productieprogramma' | ||
+ | |||
+ | De grondstoffen voor de olie-industrie werden overwegend per binnenschip vanuit Amsterdam en/of Rotterdam aangevoerd. Slechts een deel van de geïmporteerde zaden bereikte de Zaanstreek via de zeehavens van de Kogerpolder en Zaandam. Tussen 1850 en 1875 werden jaarlijks gemiddeld 7800 last oliezaden te Zaandam ingeklaard, goed voor de productie van 1/3 van de Zaanse olieslagerij. Een groot deel van de te Zaandam ingeklaarde zaden werd in de Kogerpolder gelost en was voor Wormerveer en Wormer bestemd. Het waren vooral kooplieden uit Wormerveer geweest die voor de aanleg van het Kogerpolderkanaal hadden geijverd! Het is merkwaardig dat de opening van de Oude Zeehaven te Zaandam niet betekende dat voortaan via deze haven zaadaanvoer zou plaatsvinden. Integendeel, | ||
+ | |||
+ | In 1851 werkten er in de olieslagerij en de oliedikkokerij in de Zaanstreek ongeveer 530 personen, waarvan een kleine 300, bijna 60%, in Zaandam. In 1891 waren er ruim 600 personen in de olieslagerij werkzaam, waarvan nog maar ruim 40% te Zaandam. De olieslagerij te Zaandam maakte een steeds geringer deel uit van de totale bedrijfstak in de Zaanstreek. In 1930 werkten er in de Zaandamse olie-industrie nog maar 125 mensen, dat is ongeveer 50% van het aantal in 1891, in 1947: 90. in 1991 is er nog maar één olieraffinagebedrijf te Zaandam gevestigd, tegen vijf olie- en veekoekenfabrieken in de rest van de streek. In 1930 waren in de gehele olie-industrie in de Zaanstreek nog 1000 mensen werkzaam, in 1970 700-800. Geleidelijk aan is de werkgelegenheid in de Zaanse olie-industrie weer op het peil van het einde van de 19e eeuw gekomen. | ||
+ | |||
+ | In de 19e en in de eerste decennia van de 20e eeuw was de olieslagerij in sterke mate exportbedrijf. Van de omstreeks 1910 uitgevoerde lijnolie was ongeveer de helft afkomstig uit de Zaanstreek. Na 1920 is ten gevolge van de internationale concurrentie de exportpositie verzwakt en de oriëntatie van de olie-industrie op de binnenlandse consumptie- en veevoedermarkten verhoudingsgewijs toegenomen. Maar in grote lijnen kan men zeggen dat de Zaanse olie-industrie en oliehandel nog steeds een toeleverende en een exporterende functie hebben, zoals in de eeuwen daarvoor. | ||
+ | |||
+ | == 3.6.5. Gerst- en rijstpellerij, | ||
+ | |||
+ | De ontwikkelingen van de pellerij en de graanmalerij dienen in onderling verband te worden beschouwd. Evenals in de olieslagerij hebben zich in deze bedrijfstakken grote structurele veranderingen voorgedaan. De belangrijkste grondstoffen van de traditionele pellerij en malerij waren tarwe, rogge en gerst van Noord-Westeuropese herkomst. In de 19e en 20e eeuw voegden zich daarbij tarwe, mais en rijst, afkomstig uit Amerika en uit verschillende tropische en subtropische gebieden, in het bijzonder Zuid-Oost Azië. Nieuwe takken van bedrijf waren de rijstpellerij en de maiszetmeelindustrie. Van de oude meelmalerij was omstreeks 1850 niet veel meer over. In de hele Zaanstreek waren toen nog twee korenmolens in bedrijf. Daarnaast waren er te Zaandam vier boekweitmolens en één fabriek voor het builen van tarwe en rogge gevestigd. | ||
+ | |||
+ | In 1860 werd te Wormerveer de eerste stoommeelfabriek opgericht. Het aantal pelmolens in de Zaanstreek bedroeg in 1851: 44, waarvan er 31, 70%, in Zaandam waren gevestigd. Enkele van deze molens pelden naast gerst ook rijst. De eerste stoomrijstpellerij werd in 1853 te Zaandam in bedrijf gesteld. In de totale malerij en pellerij waren in 1851 een kleine 230 personen werkzaam. In de tweede helft van de 19e eeuw breidden de pellerij en de malerij zich sterk uit. In 1901 telde de Zaanstreek in totaal veertig pellerijen en malerijen, waarvan er 13 op stoom of gas liepen. De totale personeelsbezetting zal toen ruim anderhalf keer zo hoog zijn geweest als een halve eeuw daarvoor. Precieze cijfers zijn niet bekend. Zoals in de olieslagerij was ook in de pellerij en malerij een relatieve verschuiving opgetreden van Zaandam naar de overige Zaangemeenten. in het bijzonder naar Koog en Wormerveer Wormer. De afvalproducten van de meelmalerij en -pellerij werden tot veevoeder verwerkt. | ||
+ | |||
+ | In de 20e eeuw hebben verschillende ontwikkelingen plaatsgevonden die als netto-resultaat hebben gehad, dat in de gehele Zaanstreek als primaire en/of secundaire veredelings-industrieën nog slechts zijn overgebleven: | ||
+ | |||
+ | Na de Eerste Wereldoorlog werd dit niveau nooit meer bereikt. De gemiddelde jaarlijkse aanvoer in de periode 1930-1939 bedroeg ongeveer 530.000 balen. Na de Tweede Wereldoorlog was het met de rijstaanvoer te Zaandam gedaan. De ene rijstpellerij na de andere moest sluiten. De rijstpellerij deelde het lot van de houtzagerij. De veredelings-functie werd overgenomen door de productielanden zélf. Voor het Zaanse veredelingsbedrijf bleef toen geen werk meer over. De nog bestaande graan-veredelende bedrijven zijn ten dele voortgekomen uit de graan- en zaadhandel, ten dele uit de stijfselmakerij en maiskoeken-industrie. Terwijl in het verleden de pellerij duidelijk als veredelingsschake] onderdeel was van de graanhandel, | ||
+ | == 3.6.6. Cacaomalerij, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Halverwege de 19e eeuw was de cacaomalerij aan de Zaan nog van weinig betekenis. Er waren toen vijf chocoladefabrieken met in totaal 23 arbeiders in bedrijf, waarvan er vier te Wormerveer stonden, wee molens en twee bedrijven zonder gebruik van windkracht. In 1871 telde de Zaanstreek twee chocolade— en blauwselfabrieken met in totaal een kleine 50 man personeel. | ||
+ | |||
+ | Een zeer sterke uitbreiding onder ging de cacao- en chocolade-industrie in de periode 1890-1914. In 1891 waren er in de Zaanstreek zes cacao— en chocoladefabrieken met zo’n 120 man personeel. In 1913 was het aantal bedrijven toegenomen tot 13 en de personeelsomvang tot bijna 700. Sindsdien heeft een ontwikkeling plaatsgevonden die afweek van wat elders in de veredelingsindustrie viel waar te nemen. Vlak na de Eerste Wereldoorlog werden nog enkele fabrieken opgericht die chocoladeartikelen gingen produceren als repen, bonbons, chocoladehagelslag et cetera. | ||
+ | |||
+ | Maar van de jaren ‘30 af ging het met de chocoladewerk-industrie bergafwaarts. De cacaoveredelings-industrie daarentegen kon zich goed handhaven en zelfs uitbreiden. In 1930 werkten er in de cacao- en chocolade-industrie 1100 mensen, in 1950: 1600. In de Zaanstreek zijn nog zes cacaobedrijven gevestigd en vier fabrieken waarin, naast andere voedingsmiddelen, | ||
+ | |||
+ | == 3.6.7. Overige categorieën van voedings- en genotmiddelenbedrijven == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | |||
+ | Naast de hierboven behandelde takken van veredelingsbedrijf heeft zich sedert het einde van de 19e eeuw in de Zaanstreek een tweede categorie van levensmiddelenbedrijven ontwikkeld, ten dele voortkomend uit de veredelingsindustrie, | ||
+ | |||
+ | In de detailhandel zag men de ontwikkeling van het filiaalbedrijf na de Tweede Wereldoorlog van het supermarktwezen. Deze ontwikkeling heeft mede bijgedragen tot de uitbouw en diversificatie van de Zaanse levensmiddelenindustrie. 's Lands grootste kruidenier schiep een eigen industrieel productieapparaat als onafhankelijke basis voor zijn detailhandels-activiteiten als koek-, beschuit- en chocoladefabriek, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.6.8. Sigarenmakerij, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De uit plaatselijk ambacht en plaatselijke groot- en detailhandel voortkomende voedings- en genotmiddelenindustrie vertoonde duidelijk twee ontwikkelingslijnen. De eerste was de tabak-koffie-thee lijn. Deze had zijn oorsprong in Zaandam. In 1853 werd aldaar voor het eerst in gemeenteverslagen melding gemaakt van een sigarenfabriek met 50 personeelsleden. In 1885 waren er te Zaandam elf sigarenfabrieken en twee tabakskerverijen gevestigd met in totaal ongeveer 75 personeelsleden. Daarna is de sigarenmakerij te Zaandam in verval geraakt. Toen deze bedrijfstak te Zaandam terugliep kwam zij te Krommenie juist op. In 1891 waren daar zes sigarenmakerijen gevestigd met 70 man personeel. In 1916 was het aantal bedrijven weliswaar teruggelopen tot drie, maar de personeelsbezetting was inmiddels verdubbeld. | ||
+ | |||
+ | Noch te Zaandam noch te Krommenie heeft de sigarenindustrie de eerste helft van de 20e eeuw overleefd. Veranderde consumptiegewoonten als de opkomst van de sigaret, binnen en buitenlandse concurrentie ontnamen aan de Zaanse tabaks- en sigarenindustrie verdere bestaansmogelijkheden. De koffiebranderij en theepakkerij, | ||
+ | |||
+ | == 3.6.9. Koek-, beschuit- en biscuitbakkerij, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De tweede lijn was de beschuit-koek-biskwie-lijn. Deze vond zijn oorsprong in de stichting van een broodfabriek te Zaandam in de jaren ’80 van de 19e eeuw. Sinds het begin van de 20e eeuw is te Zaandam en Koog de koek-, biscuit- en beschuitbakkerij tot ontwikkeling gekomen. Daarnaast ontstond de ouwelfabricage. Hoewel deze takken van industrie zich, vooral in de periode tussen beide wereldoorlogen, | ||
+ | |||
+ | == 3.6.10. Voedings- en genotmiddelenindustrie: | ||
+ | |||
+ | |||
+ | In de totale stuwende voedings- en genotmiddelenindustrie van de Zaanstreek werkten in 1851 ongeveer 850 mensen, in 1871: bijna 1.100 en in 1891: ongeveer 1.200. Te Zaandam nam de werkgelegenheid in de voedings- en genotmiddelenindustrie af; elders in de Zaanstreek viel een sterke toeneming te constateren. | ||
+ | |||
+ | In 1851 werkte 63% van alle arbeiders in de voedings- en genotmiddelenindustrie in Zaandamse bedrijven, in 1891 nog 4O%. Tussen 1891 en 1940 nam, in grote lijnen gezien, de werkgelegenheid in de voedings- en genotmiddelenindustrie sterk toe. In 1930 werkten er in de Zaanse levensmiddelenindustrie vijf keer zoveel mensen als in 1891, namelijk ruim 6.000. Te Zaandam werkten toen ongeveer 2.200 personen in deze tak van industrie, dat is 36% van het totaal. Tussen 1930 en 1950 nam de werkgelegenheid nog eens toe tot bijna 8.000. Cijfers voor 1957 wijzen uit dat Zaandamse bedrijven in de voedings- en genotmiddelenbranche toenmaals aan 4.000 mensen werk verschaften. Het aandeel van Zaandam in de totale werk gelegenheid in de Zaanse levensmiddelenindustrie was in 1957 ongeveer 50%. | ||
+ | |||
+ | Dit houdt in dat na 1930 de werkgelegenheid in de voedings- en genotmiddelenindustrie weer ten gunste van Zaandam was verschoven. In de rest van de Zaanstreek werkten in 1957 4.400 mensen in deze tak van industrie. Na 1957 is de werkgelegenheid in de voedings en genotmiddelenindustrie sterk teruggelopen. In 1983 werkten er in deze tak van bedrijf in de Zaanstreek nog 5.000 mensen (dit is 60% van het aantal in 1957). Sindsdien viel nog een verdere terugval te constateren. We moeten aannemen dat de werkgelegenheid in de Zaanse voedings- en genotmiddelenindustrie in 1991 weer op het peil van de jaren ’20 is aangeland. | ||
+ | == 3.6.11. Verfmalerij, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De derde categorie van veredelingsbedrijven, | ||
+ | |||
+ | De periode van opkomst lag voor de Eerste Wereldoorlog, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.6.12. De veredelingsindustrie: | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Wanneer we nu proberen de ontwikkelingen van en vanuit de Zaanse veredelingsindustrie in de 19e eeuw in enkele grote lijnen samen te vatten dan komen we tot het volgende beeld. | ||
+ | |||
+ | * Een aantal takken van bedrijf is geheel of nagenoeg geheel verdwenen: de houtzagerij en -schaverij, de patentolie-industrie, | ||
+ | * Het totale aantal bedrijfsvestigingen in de besproken takken van industrie is zeer sterk verminderd. In 1951 telde de Zaanstreek in deze bedrijfstakken in totaal ruim 300 industriële vestigingen, | ||
+ | - Door technologische veranderingen: | ||
+ | - Door verplaatsingen van bedrijven naar elders, opheffingen, | ||
+ | - Door bedrijfsconcentraties, | ||
+ | * Het samengaan van ondernemingen in de zelfde branche (fusies); bijvoorbeeld in de houthandel; \\ | ||
+ | * Het opgaan van Zaanse bedrijven en/of ondernemingen in grotere nationale of internationale concerns met hoofdzetel buiten de Zaanstreek (bijvoorbeeld in olieverwerkende industrie, verfindustrie), | ||
+ | * De vorming van concerns of holdings vanuit Zaanse ondememingen (‘verenigde fabrieken’) al dan niet met hoofdzetel in de Zaanstreek (bijvoorbeeld in de houtverwerkende industrie, de meelmalerij, | ||
+ | |||
+ | * In de 20e eeuw heeft de Zaanstreek haar functie van industrieel tussenstation in de internationale hout—, graan- en zaadhandel tussen de grondstoffenlanden in het Oostzeegebied en in Noordwest-Europa, | ||
+ | |||
+ | === 3.7. Ontwikkeling van de overige takken van industrie === | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.7.1. Emballage-industrie. blikfabrieken == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | In nauwe relatie tot de ontwikkeling van de 19e- en 20e- eeuwse levensmiddelen- en verfwarenindustrie stond de opkomst van de Zaanse emballage-industrie: | ||
+ | |||
+ | In de periode na 1920 werd het gezicht van de Zaanse emballage-industrie bepaald door de blikfabrieken te Krommenie. Tot ongeveer 1930 werd alleen blank en gedecoreerd blikwerk, hoofdzakelijk bestemd als emballagemateriaal voor dagelijkse consumptieartikelen, | ||
+ | |||
+ | Sedert 1930 kwam ook de fabricage van plaatmetalen fustwerk (vaten, drums) tot ontwikkeling. Het is deze tak van metaal- en emballage-industrie die zich in de Zaanstreek heeft gehandhaafd. De verenigde blikfabrieken te Krommenie hebben hun eeuwfeest niet mogen beleven. In 1986 waren in de gehele Zaanstreek nog één fabriek van vaten en drums (te Zaandijk) en één fabriek van blikemballage (te Krommenie) over, waarvan de totale omvang een fractie is van de omvang der voormalige blikindustrie te Krommenie. De geschiedenis van de blikindustrie te Krommenie vertoont veel gelijkenis met de geschiedenis van de papierindustrie te Wormer en met de aanstonds nog te releveren geschiedenis van de linoleumindustrie te Krommenie. | ||
+ | |||
+ | Groei, expansie, concurrentie, | ||
+ | |||
+ | == 3.7.2. Metaalindustrie, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De metaalindustrie in de Zaanstreek dateert van de jaren ’80 in de 19e eeuw, toen de eerste machinefabriek in de streek te Koog aan de Zaan werd gevestigd. Voor die tijd had men slechts metaalambachten gekend, zoals smederijen, koper- en blikslagerijen, | ||
+ | |||
+ | Overigens had de metaalindustrie in de Zaanstreek tot aan 1910 nog niet veel te betekenen. De metaalindustrie in de Zaanstreek zou pas na 1910 echt haar vleugels uitslaan. Vóór de Eerste Wereldoorlog kwam te Zaandam nog een tweetal ijzeren—scheepsbouwbedrijven, | ||
+ | |||
+ | Na de Tweede Wereldoorlog namen het aantal bedrijven en de differentiatie in de metaalindustrie sterk toe. In 1986 waren er in de Zaanstreek ongeveer 85 metaalbedrijven gevestigd met tien of meer man personeel. Hier van lagen er 54, ongeveer 2/3, in Zaandam. De belangrijkste categorie van metaalbedrijven werd gevormd door de machinefabrieken, | ||
+ | |||
+ | In 1947 werkten er in de stuwende metaalindustrie te Zaandam 2.000 personen, in 1965: bijna 3.000. Elders in de Zaanstreek vonden in 1965 een kleine 2.000 mensen emplooi in de metaalindustrie. Tussen 1965 en 1971 liep de totale personeelsbezetting van de stuwende metaalindustrie terug van 5.000 naar ruim 4.000. Deze teruggang werd veroorzaakt door bedrijfssluitingen in de blikindustrie en in de scheepsbouw (met name de bouw van kleinere zeeschepen). Beide bedrijfstakken gingen aan het begin van de jaren ’70 ten onder. | ||
+ | |||
+ | In de overige metaalnijverheid bleef in deze periode de werkgelegenheid ongeveer op hetzelfde niveau. Voor de totale metaalnijverheid zijn nog gegevens bekend over de periode 1977-1986. Zij wijzen op een stabilisatie van het werkgelegenheidsniveau op ongeveer 5.000 personen. Even afgezien van het wapen- en munitiebedrijf der Artillerie-Inrichtingen is de Zaanse metaalnijverheid tot nu toe sterk georiënteerd geweest op de lokale en op de binnenlandse markt. Er zijn in hoofdzaak industriële machines, hijs- en transportwerktuigen, | ||
+ | |||
+ | == 3.7.3. Chemische industrie, linoleumindustrie, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Chemische bedrijven (buiten de verfindustrie, | ||
+ | |||
+ | De zeep- en linoleumindustrie hadden in oorsprong nauwe banden met traditionele Zaanse takken van bedrijf: de olieslagerij en de zeildoekweverij. Bij de productie van linoleum en zeep speelde de 1ijnolie een belangrijke rol. Later zouden nieuwe grondstoffen hun intrede doen en met name in de linoleumindustrie tot nieuwe productie programma’s leiden: de fabricage van vinyl en novilon vloer- en wandbedekkingen sedert 1960. \\ | ||
+ | De [[: | ||
+ | |||
+ | De zeepindustrie te Wormerveer waar vlak voor de eerste wereldoorlog zo’n 60 mensen werkten, breidde zich in de periode 1920-1940 verder uit. Maar na de Tweede Wereld oorlog is het bedrijf overgenomen en uit Wormerveer verdwenen. In 1986 was er in de streek nog een zeepfabriek gevestigd en wel te Zaandam. De essence-industrie is tegen het einde van de 19e eeuw in de Zaanstreek geïmporteerd. Het bedrijf heeft zich aanvankelijk gunstig ontwikkeld, in 1930 werkten er 180 mensen, maar nauwelijks driekwart eeuw na zijn vestiging is het weer uit Zaandam vertrokken. | ||
+ | |||
+ | Buiten de linoleumindustrie te Krommenie Assendelft en de zeepindustrie te Wormerveer heeft de chemische nijverheid zich voor al te Zaandam ontwikkeld. In 1930 werkten er in de zeep-, essence- en farmaceutische industrie en de overige chemische bedrijven te Zaandam 265 personen. Dit aantal was in 1947 opgelopen tot bijna 600. Hoe de personeelsbezetting zich sindsdien heeft ontwikkeld is uit de beschikbare gegevens niet af te leiden. Wel is bekend dat in 1986 te Zaandam zeven chemische bedrijven met tien of meer man personeel waren gevestigd. Hieronder waren 3 farmaceutische bedrijven, één zeep- en parfumeriefabriek en drie overige chemische bedrijven. Buiten Zaandam vond men nog twee andere chemische industrieën. In deze cijfers is de verfindustrie niet begrepen. In de totale chemische nijverheid, inclusief verfindustrie, | ||
+ | |||
+ | === 3.8. Veranderingen in de economische structuur na 1850 === | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.8.1. Bedrijfstakken die verdwenen; nieuwe takken van bedrijf == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Tussen 1850 en 1988 is de industriële structuur van de Zaanstreek ingrijpend veranderd. Van de stuwende handels- en industriële bedrijfstakken die de 18e eeuw en de [[: | ||
+ | * de importhandel van granen en zaden, \\ | ||
+ | * de olie slagerij, \\ | ||
+ | * de productie van veevoer, \\ | ||
+ | * de graan malerij en havermoutproductie, | ||
+ | * de distribuerende, | ||
+ | |||
+ | Aan de primaire veredeling zijn secundaire veredelingsactiviteiten, | ||
+ | |||
+ | Verdwenen of nagenoeg verdwenen zijn: \\ | ||
+ | * de importhandel van ongezaagd hout, \\ | ||
+ | * de houtzagerij, | ||
+ | * de exporthandel van gezaagd hout, \\ | ||
+ | * de gerstpellerij, | ||
+ | * de snuifmalerij en tabaks stamperij, \\ | ||
+ | * de zeildoekweverij, | ||
+ | * de papiermakerij, | ||
+ | * de stijfselmakerij, | ||
+ | * de verfmalerij, | ||
+ | * de distribuerende, | ||
+ | |||
+ | In de 19e eeuw zijn nieuwe takken van industriee ontstaan, waarvan een deel zich tot op heden heeft kunnen handhaven, maar waarvan een ander deel a1 weer tenonder is gegaan. | ||
+ | |||
+ | In 1991 nog aanwezig zijn: | ||
+ | * de import handel van cacao, | ||
+ | * de cacaomalerij, | ||
+ | * de distribuerende, | ||
+ | * de chocoladewerkindustrie, | ||
+ | * de importhandel van mais, | ||
+ | * de productie van en handel in maizena en puddingpoeder, | ||
+ | * de linoleumindustrie, | ||
+ | * de zeepindustrie, | ||
+ | * de importhandel van gezaagd naaldhout, | ||
+ | * de metaalgieterij, | ||
+ | * de machinebouw, | ||
+ | * de wapen- en munitie-industrie en | ||
+ | * de papierwarenindustrie. | ||
+ | |||
+ | Uit de maizena en puddingpoederproductie heeft zich de (secondaire) maiszetmeelveredlIingsindustrie ontwikkeld (amyl- en glucoseproductie). | ||
+ | |||
+ | Verdwenen of vrijwel verdwenen zijn: | ||
+ | * de gasproductiebedrijven, | ||
+ | * de blikemballage-industrie, | ||
+ | * de importhandel van rijst, | ||
+ | * de rijstpellerij en | ||
+ | * de patentoliefabricage, | ||
+ | * de blauwsel makerij, | ||
+ | * de speelgoedfabricage, | ||
+ | * de lakstokerij, | ||
+ | * de zakkennaaierij, | ||
+ | * de sigarenmakerij, | ||
+ | * de essence-industrie | ||
+ | * en als zelfstandige tak van bedrijf: de handel in koloniale waren (inclusief de koffiebranderij). | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Een belangrijk deel van de huidige Zaanse industrie heeft zijn oorsprong in de 20e eeuw: | ||
+ | * de koek-, beschuit- en biskwiebakkerij, | ||
+ | * de fabricage van ouwel, | ||
+ | * de suikerwerkindustrie, | ||
+ | * de fabricage van en distribuerende handel in (verpakte) levensmiddelen (zoals soepen, vermicelli en macaroni, spijsolie, margarine, snacks), | ||
+ | * de productie van gerede verven, lakken en drukinkten, | ||
+ | * de farmaceutische en cosmetische industrie, | ||
+ | * de productie van bindmiddelen, | ||
+ | * de electrotechnische industrie, | ||
+ | * de metalen scheepsbouw, | ||
+ | * de overige metaalindustrieen, | ||
+ | * de deuren-, vloeren-, keuken-, kasten- en meubelfabricage, | ||
+ | * de kistenmakerij en | ||
+ | * de mengvoederindustrie. | ||
+ | |||
+ | Van de in de 20e eeuw ontstane bedrijfstakken zijn inmiddels a1 weer verdwenen: | ||
+ | * de bouw van zeeschepen, | ||
+ | * de drijfriemenfabricage en | ||
+ | * de houtafvalverwerkingsindustrie. | ||
+ | |||
+ | Uit het voorafgaande overzicht mag worden geconcludeerd, | ||
+ | |||
+ | == 3.8.2. Omvang van de stuwende industrie == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | De stuwende nijverheid in de Zaanstreek werd in 1851 uitgeoefend in bijna 350 bedrijven. Sindsdien is het aantal bedrijven steeds verder teruggelopen. In 1901 bedroeg het ongeveer 250. In 1986 werden er in de gemeente Zaanstad nog 175 industriële bedrijven met 10 en meer man personeel geteld. De gemiddelde bedrijfsgrootte nam in diezelfde tijd echter aanzienlijk toe. Omstreeks 1870 werd nog overwegend in bedrijven met minder dan 10 arbeiders geproduceerd. Vestigingen met 10—100 arbeiders kwamen voor in de zeildoekfabricage, | ||
+ | |||
+ | De grootste fabriek was de papierfabriek te Wormer met 135 werknemers, terwijl in Krommenie/ | ||
+ | |||
+ | Het grootbedrijf heeft na 1968 een zware klap gekregen veroorzaakt door spectaculaire bedrijfssluitingen als in de blik-, papier- en zeepindustrie; | ||
+ | |||
+ | In 1968 bedroeg de gemiddelde personeelsbezetting per industriële vestiging ruim 100 man; in 1983: 65. Toch is dit nog altijd 4 à 5 keer zo hoog als het gemiddelde dat voor vergelijkbare vestigingen rond 1900 kan worden berekend. Omstreeks 1850 werkten er in de stuwende industrie in de Zaanstreek een kleine 3.000 personen. Dit aantal liep in de tweede heIft van de 19e eeuw geleidelijk op tot omstreeks 3500 in 1901. De periode 1900-1965 (onderbroken door de jaren van en vlak na de Tweede Wereldoorlog) zal in de economische geschiedenis van de Zaanstreek geboekstaafd worden als de tweede periode van industriële expansie en spectaculaire uitbreiding van de industriële werkgelegenheid. Cijfers voor Zaandam laten zien dat de werkgelegenheid in de stuwende industrie in deze gemeente tussen 1900 en 1930 ongeveer verzesvoudigde. Tussen 1930 en 1965 trad nogmaals bijna een verdubbeling op. Terwijl in 1901 ruim 1.100 mensen in de Zaandamse industrie werkten lag het aantal in 1965 op ruim 12.000. Van de totale toeneming kwam een ongeveer even groot deel voor rekening van de houtindustrie, | ||
+ | |||
+ | == 3.8.3. Verklaring van de industriële ontwikkeling na 1850 == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Wanneer we nu een verklaring proberen te geven voor de industriële ontwikkeling van de Zaanstreek in de 19e en 20e eeuw dan moeten we eigenlijk een verklaring vinden voor een aantal tegenstrijdige tendenties: het verdwijnen van bedrijfstakken èn industriële expansie, uitbreiding én inkrimping van werkgelegenheid. | ||
+ | |||
+ | Bedrijven en bedrijfstakken zijn ten onder gegaan of moesten sterk inkrimpen door verschillende oorzaken. In een aantal gevallen waren productveroudering, | ||
+ | |||
+ | Soms hebben ook (werkelijke of vermeende) plaatselijke arbeids- of arbeidsmarktverhoudingen en het ontbreken van ruimtelijke uitbreidingsmogelijkheden bijgedragen tot de beslissing een bedrijf te verplaatsen of op te heffen. Tot de industriële expansie van de streek in de 20e eeuw hebben eveneens verschillende factoren bijgedragen. De ontwikkeling van de Zaanse handel en industrie zou ondenkbaar zijn geweest zonder de opening van het Noordzeekanaal, | ||
+ | |||
+ | In de tweede plaats heeft de vrijmaking en uitbreiding van de handel met Noord- en Zuid-Amerika en met de tropische en subtropische koloniale gebieden ook voor de Zaanstreek nieuwe mogelijkheden geschapen. Deze handel gaf impulsen tot nieuwe veredelingsindustrieën (bijvoorbeeld cacaomalerij, | ||
+ | |||
+ | Maar de ervaringen met de houtzagerij, | ||
+ | |||
+ | == 3.8.4. Bedrijfs- en ondernemingsconcentratie == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Een verschijnsel, | ||
+ | |||
+ | We hebben te maken met twee soorten van bedrijfsconcentratie: | ||
+ | Verticale integratie houdt in dat ver schillende, achtereenvolgende fasen in een handels- en/of industrieel productieproces in één bedrijfseenheid worden samengebracht bijvoorbeeld importhandel zaad (primaire en secondaire veredeling, bijv. olieslagerij: | ||
+ | Horizontale integratie betekent dat twee of meer bedrijven die hetzelfde produceren tot één bedrijfseenheid worden samengevoegd, | ||
+ | |||
+ | Dat geldt ook voor de ondernemingsconcentratie. Vele Zaanse ondernemingen zijn onderdeel geworden van nationale en zelfs multinationale concerns. Een belangrijk deel van deze concernvorming is van Zaanse ondernemers zèlf uitgegaan. Voorbeelden: | ||
+ | |||
+ | In andere gevallen gingen Zaanse ondernemingen op in grotere nationale, buitenlandse of multi-nationale verbanden; zoals in de cacao-industrie, | ||
+ | |||
+ | === 3.9. Ontwikkelingen in het verkeer en vervoer === | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.9.1. Zeescheepvaart; | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Niet alleen in de industrie, maar ook in de Zaanse handel en in het verkeer hebben zich de laatste twee eeuwen belangrijke veranderingen voorgedaan. Over de omvang van het havenverkeer in de eerste helft van de 19e eeuw zijn weinig gegevens bekend. Men mag aannemen dat de voor de industrie bestemde grondstoffen overwegend vanuit de aanvoerhavens Amsterdam en Rotterdam per binnenschip in de Zaanstreek werden aangevoerd. Alleen zeeschepen met een beperkte diepgang konden Zaandam rechtstreeks bereiken. De aanleg van het Groot Noordhollands Kanaal in 1824 betekende voorlopig alleen een bevestiging en bestendiging van deze situatie. | ||
+ | |||
+ | Omstreeks het midden van de 19e eeuw trad enige verbetering op. In 1846 werd de toegang tot Zaandam verbeterd, in 1854 kwam de verbinding tussen Zaan en [[: | ||
+ | |||
+ | Tussen het moment dat de werkzaamheden aan de inpoldering van het IJ begonnen en de opening van de Oude Zeehaven in 1885 daalden de aanvoeren te Zaandam tot een absoluut dieptepunt. De Oude Zeehaven bracht een ommekeer in het bestaan van Zaandam als aanvoerhaven van overzeese grondstoffen. Tussen 1886 en 1895 liepen jaarlijks gemiddeld 175 zeeschepen met een tonnage van 130.000 ton = 371.000 kubieke meter de haven van Zaandam binnen. De schepen maten gemiddeld een kleine 750 ton. De opening van de Oude Zeehaven betekende dus dat grotere zeeschepen dan in de periode daarvóór Zaandam konden bereiken. Maar de haven werd wel specialistischer. Zaandam werd hout- en rijsthaven, met sporadisch aanvoer van zaden, granen en verfgrondstoffen. Tot aan de Eerste Wereldoorlog namen zowel het aantal aangekomen schepen als de tonnage ervan toe: jaarlijks 200 schepen met een inhoud van 980.000 kubieke meter ( = ±340.000 ton); dat is per aangekomen schip: 1700 ton). | ||
+ | |||
+ | Van 1885-1914 kwamen steeds meet grote schepen naar Zaandam. In deze jaren voltrok zich ook de overgang van zeil- naar stoomvaart. V66r 1884 konden uitsluitend zeilschepen Zaandam bereiken. In 1884 kwam de eerste zeestoomboot de haven binnen. Tussen 1885 en 1890 lag het aandeel der stoomboten op 40-50% daarna liep het snel op tot ongeveer 80%. | ||
+ | |||
+ | Vlak voor de Eerste Wereldoorlog kwam ook het eerste motorschip aan. Gegevens over de periode tussen beide wereldoorlogen laten zien dat het aanvoerpeil van de jaren vóór 1914 pas weer omstreeks 1930 werd bereikt In de jaren 1930-1939 kwamen er gemiddeld per jaar 300 zeeschepen te Zaandam aan met een inhoud van 843.000 kubieke meter = ± 300 000 brt. Hoewel het aantal aangekomen schepen hoger lag dan voor de oorlog was de gemiddelde grootte per schip aanzienlijk lager. Dat komt doordat zich in die tijd een nieuw fenomeen voordeed: de opkomst van de kleine kustvaart. Zowel op de houtvaart als voor de aanvoer van andere grondstoffen werden in toenemende mate kleine coasters ingezet. In de jaren 1955-1969 kwamen gemiddeld per jaar 550 zeeschepen te Zaandam aan. Hiervan waren 280 kustvaarders = ± 50%. De totale inhoud van alle schepen tezamen was ruim 800.000 kubieke meter = ± 280.000 brt: van de kustvaarders: | ||
+ | |||
+ | In de jaren ‘70 is de kustvaart weer teruggelopen. In 1973 kwamen er 488 schepen aan, waarvan 125 kleine kustvaarders = ± 25%. Cijfers over de jaren 1984-1986 geven aan dat de kleine kustvaart vrijwel weer is verdwenen. Er liepen te Zaandam gemiddeld per jaar 225 zeeschepen binnen met een totale tonnage van 1.350.000 m3 = ruim 470.000 brt. De gemiddelde scheepsgrootte was ruim 2000 brt. Voor de Zaandamse haven is de periode 1900-1975 (met onderbrekingen tijdens beide wereldoorlogen) de drukste tijd geweest met de meeste scheepvaartbewegingen tussen 1900 en 1914, 1925 en 1939 en na 1955. | ||
+ | |||
+ | Sedert de opening van de [[: | ||
+ | |||
+ | De houthaven van Westzaan heeft steeds in de schaduw van die van Zaandam gestaan. In de periode 1887-1896 kwamen er nog jaarlijks 12 à 13 zeeschepen te Westzaan aan die uitsluitend hout aanvoerden. Tot aan de Eerste Wereldoorlog liep dit terug tot minder dan 10. Dit is sindsdien zo gebleven. Voor de periode 1920-1938 was het cijfer: gemiddeld 8. Na de Tweede Wereldoorlog is de Westzaanse zeehaven afgeschreven. | ||
+ | |||
+ | == 3.9.2. Scheepsrederij == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | In de 19e eeuw bestonden er in de Zaanstreek verschillende scheepsrederijen. Tussen 1850 en 1860 hoorden er te Wormerveer 6-9 zeeschepen thuis. In 1871 waren er te Zaandam drie reders gevestigd, die 5 zeeschepen exploiteerden. Ongeveer tezelfdertijd hadden Krommenieër zeildoekfabrikanten 25 zeeschepen in de vaart. Met de Hollandse zeilvaart ging ook de Zaanse scheepsrederij tegen het einde van de 19e eeuw tenonder. Na 1930 vertoonde de Zaanse houtvaartrederij enige opleving. In de jaren '70 werden er te Zaandam door enkele rederijen gemiddeld een 5-tal schepen op de houtvaart naar de Oostzeelanden ingezet. Ondanks de expansie van de Zaanse importerende en exporterende handel en industrie en van de Zaandamse zeehaven sedert het einde van de 19e eeuw, is de zeerederij in de Zaanstreek in de 20e eeuw slechts van zeer bescheiden omvang gebleven. | ||
+ | |||
+ | == 3.9.3. Binnenscheepvaart: | ||
+ | |||
+ | |||
+ | |||
+ | Evenals in de 17e en 18e eeuw speelde in een groot deel van de 19e eeuw de binnenschipperij een belangrijke rol bij de aanvoer van grondstoffen voor de Zaanse industrie en bij de afvoer van industriële half- en eindproducten. Hoe groot deze rol precies was en wat het aandeel van Zaanse schippers en beurtvaarders daarin was is niet bekend. In 1851 hoorden er in de dorpen aan de Zaan en Nauernasche Vaart gelegen ongeveer 110 schepen van 10 ton en groter met een totale tonnage van 3.500 ton thuis. In 1871 waren het ruim 150 schepen met in totaal 4.700 ton. De meeste schepen hoorden te Zaandam thuis (ruim 60%). Sedertdien nam het aantal in de Zaanstreek thuishorende schepen geleidelijk af, doch tegelijkertijd nam de gemiddelde inhoud der schepen toe van 30 tot 60 à 70 ton. | ||
+ | |||
+ | In 1960 omvatte de actieve beurtvloot van de Zaanstreek 42 schepen met in totaal 2.500 ton. Ruim 10 jaar later waren er nog 9 schepen over van in totaal 600 ton. In de 20e eeuw - en dan in het bijzonder in de periode na de Tweede Wereldoorlog - is de Zaanse binnen- en beurtvaart voor het overgrote deel verdwenen. De vaart op Amsterdam had altijd het leeuwedeel uitgemaakt van de Zaanse beurtvaart. Dat was tot aan de jaren tussen beide wereldoorlogen nog het geval. In de eerste helft van de 19e eeuw had het traditionele veer met zeilboten geleidelijk aan moeten plaatsmaken voor de stoomvaart. Ongeveer een eeuw later zou ook de stoomboot tussen Alkmaar, Zaandam en Amsterdam voorgoed van het toneel verdwijnen. Rail- en wegverkeer hadden deze functie overgenomen. Tussen 1880 en 1940 is de totale omvang van het binnenscheepvaartverkeer in de Zaanstreek voortdurend toegenomen. In de periode 1880-1889 kwamen jaarlijks een kleine 4.000 schepen te Zaandam aan, terwijl er nog ongeveer 350 schepen waren die hun havengeld bij abonnement betaalden. De totale tonnage van deze binnenschepen was respectievelijk 209.000 ton en 11.000 ton. Het gemiddelde laadvermogen per schip bedroeg ruim 50 ton. Vijftig jaren later was de totale tonnage opgelopen tot gemiddeld 1.8 miljoen ton voor schepen die per reis havengeld betaalden en tot 50.000 ton voor schepen die hun havengeld bij abonnement voldeden. | ||
+ | |||
+ | Vlak voor de Tweede Wereldoorlog passeer den ruim 60.000 schepen met een laadvermogen van 4 à 5 miljoen tonnen de sluizen in de Hogendam. Tussen 1955 en 1973 liep het aantal vaartuigen terug tot 20.000 à 25.000, terwijl de totale tonnenmaat van deze schepen ongeveer gelijk bleef (namelijk ±6 miljoen ton). Dit betekent dat de gemiddelde grootte van de binnenschepen die de sluizen passeerden aanzienlijk toenam. In 1965 lag het gemiddelde op 183 ton. De cijfers over 1984-1986 laten zien dat de laatste tijd het aantal passerende schepen ongeveer gelijk is gebleven evenals de tonnage. | ||
+ | |||
+ | De gemiddelde scheepsgrootte liep verder op tot ongeveer 250 ton. Ongeveer 20% van de binnenschepen die de sluizen passeerden was groter dan 500 ton; zij namen 80% van de totale tonnenmaat voor hun rekening. Het binnenscheepvaartverkeer in de Zaanstreek is na de Tweede Wereldoorlog overwegend verkeer met grote binnen- en rivierschepen geworden. Deze schepen voeren voornamelijk bulkgoederen aan: granen, zaden, oliën, zand, grind, chemicaliën. Het merendeel gaat in ballast terug, zoals de zeeschepen die de Zaandamse haven aandoen. De Zaanstreek biedt noch de zeescheepvaart, | ||
+ | |||
+ | == 3.9.4. Spoorwegverkeer == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Het goederenvervoer per spoor van en naar de Zaanstreek heeft eigenlijk nooit de betekenis gekregen die men er oorspronkelijk van verwachtte. Het spoorwegnet is na 1879 niet noemenswaardig veranderd. In de periode 1895—1899 bedroeg de goederen beweging op het station Zaandam gemiddeld 35.000 ton per jaar. In de 10 jaren voor de Eerste Wereldoorlog werden ruim 65.000 ton per jaar omgezet. Cijfers voor 1935 komen op ruim 60.000 ton per jaar uit. De Zaanlijn ontleent zijn betekenis vóór alles aan het reizigersvervoer. In de eerste helft van de 20e eeuw werden dagelijks enkele duizenden arbeidskrachten voor de Zaanse metaal-, levensmiddelen-, | ||
+ | |||
+ | == 3.9.5. Wegverkeer en -vervoer; infrastructuur == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Het nieuwe en revolutionerende fenomeen van de 206 eeuw is de auto. De infrastructuur van de Zaanstreek heeft zich maar langzaam aan dit fenomeen aangepast. Pas in de jaren ’30 werd de Zaanstreek, die, wat de aan- en afvoer van goederen betreft, toch nog vrijwel geheel van het vervoer over water afhankelijk was, op het zich ontwikkelende provinciale en landelijke net van verkeerswegen aan gesloten. Het wegenkruis Alkmaar-Hembrug-Amsterdam en Buitenhuizen—Zaandijk Purmerend, met daarin de Julianabrug, | ||
+ | |||
+ | In 1966 waren er in de Zaanstreek ongeveer 2.300 vrachtwagens (excl. aanhangwagens en opleggers) geregistreerd; | ||
+ | |||
+ | === 3.10. Van streek naar stad; het verzorgend bedrijf === | ||
+ | |||
+ | == 3.10.1. Bevolkingsgroei == | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Na 1870 is niet alleen de economische structuur van de Zaanstreek ingrijpend veranderd en heeft er een economische expansie plaats gevonden als nimmer te voren, ook de stedebouwkundige aanblik van de streek en de bevolking hebben in die tijd een metamorfose ondergaan. In 1869 werden er in de Zaanstreek 33.000 inwoners geteld, iets meer dan in 1742. Sedertdien is de bevolking snel en zeer sterk in omvang toegenomen. Het eerst in Zaandam en Wormerveer, geheel parallel aan de economische ontwikkelingen in deze gemeenten. In 1900 waren er in de Zaanstreek in totaal 47.000 inwoners; waarvan er 27.000 te Zaandam en Wormerveer woonachtig waren = ± 58%. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog telde de streek 83.000 inwoners, waarvan 48.000 in Zaandam en Wormerveer nog steeds 58%. Tussen 1900 en 1940 gaven, met uitzondering van Westzaan en Jisp, alle Zaangemeenten een sterke bevolkingstoename te zien. Op het moment dat Zaanstad werd gevormd woonden er in de Zaanstreek 140.000 inwoners. Hiervan ressorteerden er ongeveer 123.000 onder de nieuwe gemeente Zaanstad. In 1991 heeft Zaanstad iets meer dan 128.000 inwoners. De Zaanstreek is qua inwonertal 4,5 maal zo groot als in 1869. | ||
+ | |||
+ | == 3.10.2. Arbeidsvoorziening, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Evenals in de 17e en 18e eeuw is de economische expansie in de 20e eeuw gepaard gegaan met een toenemende arbeidsbehoefte, | ||
+ | |||
+ | Amsterdam is als leverancier van arbeidskrachten voor de Zaanse industrie in betekenis teruggelopen. Het grootste deel van de Zaanse werkforensen (80%) komt uit andere gemeenten dan Amsterdam. Een groot deel van de arbeidsbehoefte is op gevangen door blijvende vestiging van vreemde arbeidskrachten. De migratie naar de Zaanstreek is in de periode 1880—1940 steeds hoog geweest. Alleen te Zaandam vestigden zich jaarlijks gemiddeld 1500 personen. Voorzover aan de hand van de beschikbare bronnen kon worden nagegaan, kwam in die tijd gemiddeld de helft van de immigranten te Zaandam uit de steden, waaronder Amsterdam 25%, ruim 1/6 uit de Zaanstreek en 1/3 van het platteland, meestentijds de noordelijke en oostelijke provincies. Dat was zo aan het einde van de 19e eeuw, dat was ook nog aan het einde van de jaren ’30 van de twintigste eeuw het geval. De verhouding stedelingen-plattelanders onder de binnengekomen personen is vrij constant gebleven. Onder de plattelanders namen tot aan de Eerste Wereldoorlog de Noordhollanders de belangrijkste plaats in. Daarna is hun aandeel tot ongeveer de helft van dat van omstreeks 1890-1900 gedaald. De betekenis van het overige platteland is toegenomen van 12% aan het einde van de 19e eeuw tot bijna 24% in de jaren 1938/1939. Hoewel in grote lijnen gezien de Zaanstreek sedert 1890 een vestigingsoverschot had, is dit tot aan de Tweede Wereldoorlog tamelijk beperkt gebleven. Echt grote vestigingsoverschotten dateren van de jaren na 1950. Tussen 1957 en 1971 had de Zaanstreek een positief migratiesaldo van gemiddeld 900 per jaar, waaronder Zaandam 650. Eind jaren 80 is het vestigingsoverschot omgeslagen in een klein vertrekoverschot. | ||
+ | |||
+ | Twee groepen hebben de omvang van het vestigingsoverschot bepaald: migranten uit Amsterdam en buitenlandse arbeidskrachten. Na 1960 is de Zaanstreek overloopgebied voor Amsterdam geworden. Grote aantallen Amsterdammers, | ||
+ | |||
+ | De arbeidsbehoefte van de Zaanse industrie is altijd vrij eenzijdig geweest. De nadruk lag op ongeschoolde arbeid. Aan ongeschoolde arbeiders is in de Zaanstreek steeds een structureel tekort geweest. Het arbeidsaanbod van de streek zelf daarentegen betrof vooral en in toenemende mate: geschoolden, | ||
+ | |||
+ | == 3.10.3. Verstedelijking; | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Economische expansie en bevolkingstoename hebben het stedebouwkundig aangezicht van de streek ingrijpend gewijzigd. In de 20e eeuw is de Zaanstreek Zaanstad geworden. In de tweede helft van de eerste eeuw zag de streek er in grote lijnen nog net 20 uit als de beide eeuwen daarvoor: dijkdorpen, paden loodrecht op de lage- en schinkeldijken langs de Zaan, houtbouw, zowel voor woningen als bedrijfsgebouwen. | ||
+ | |||
+ | Na 1890 verrezen de stenen en betonnen fabriekswanden langs Zaan en Nauernasche Vaart. De padenstructuur werd doorbroken en vervangen door een samenstel van kleinere buurten en wijken, waarin de eenvormige, stenen massawoning domineerde. De woonbebouwing drong steeds verder het Oostzijder- en Westzijderveld in en maakte een einde aan deze velden als vestigingsgebied voor industrie. De industrie zou zich voortaan concentreren langs de Zaan en de Nauernasche Vaart en in het Voorzaangebied, | ||
+ | |||
+ | Het moderne wegverkeer eiste ook op een andere wijze zijn tol. Ter bevordering van de bereikbaarheid van de bedrijven in de stad en de doorstroming van het verkeer van en naar de omliggende interlokale wegen, werden nieuwe oost-westverbindingen over de Zaan aangelegd. Omstreeks 1880 waren er eigenlijk nog maar twee oeververbindingen: | ||
+ | |||
+ | Spoedig volgden de Zaanbrug te Wormerveer en de Noorderbrug te Zaandam. Rond 1930 waren er feitelijk maar twee verbindingen die min of meer geschikt waren voor het wegvervoer. Na 1930 is dat in betrekkelijk snel tempo veranderd. Achtereenvolgens werden de Julianabrug, | ||
+ | |||
+ | Voor de binnenscheepvaart zullen de vele oeververbindingen, | ||
+ | |||
+ | Geschoolde Zaankanters zijn weggetrokken. Ongeschoolden van het Nederlandse platteland en vanuit de Mediterrane landen kwamen ervoor in de plaats. Vele Amsterdammers kozen de Zaanstreek als woonplaats, in veel mindere mate ook als werkplaats. De Zaanstreek is een stedelijk gebied geworden met een stedelijke bevolking, sterk aanleunend tegen de zich steeds verder naar alle kanten uitbreidende Amsterdamse agglomeratie. Wie kan binnenkort nog vaststellen waar Zaandam eindigt en Amsterdam begint? De Zaanstreek is een vleugel geworden van de Amsterdamse conurbatie; de Zaankanter is voor zijn werk meer afhankelijk van de Amsterdamse regionale, dan van de plaatselijk Zaanse arbeidsmarkt. In officiële kringen spreekt men dan ook meer en meer van de Amsterdams—Zaanse regio. | ||
+ | |||
+ | De Zaanstreek is in de l7e en l8e eeuw economisch groot geworden dankzij de Amsterdamse stapelmarkt. In de 20e eeuw is zij bezig op te gaan in een door Amsterdam gedomineerde economische regio en arbeidsmarkt die wij als het Noordzeekanaalgebied plegen aan te duiden. De Zaanstreek zal economisch met dit gebied versmelten. De autochtone Zaankanter zal een minderheid zijn in eigen huis, slechts met de herinnering aan een eigen historische identiteit. De zojuist geschetste verschijnselen van demografische en stedenbouwkundige ontwikkeling hebben ook positieve economische gevolgen gehad. Zij vormden namelijk een sterke stimulans voor de ontplooiing van de toeleverende handel en het plaatselijk-verzorgende ambacht. Daarbij springen drie takken van verzorgende nijverheid duidelijk naar voren: de bouwnijverheid, | ||
+ | |||
+ | |||
+ | == 3.10.4. Verzorgende industrieën: | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Tot aan de tweede helft van de 19e eeuw had het molenbouwbedrijf een belangrijke verzorgende rol gespeeld. Daarna is deze bedrijfstak vrijwel verdwenen. Sinds 1890 kwamen door de omvangrijke vraag naar fabrieksnieuwbouw, | ||
+ | |||
+ | Het toeleverende grafische bedrijf ontwikkelde zich aanvankelijk vooral in Zaandam, Koog, Zaandijk en Westzaan. In 1901 was een 25-tal boek- en steendrukkerijen en binderijen, in de Zaanstreek gevestigd waar ruim 100 mensen werkten. In de periode 1950-1980 maakte het grafische bedrijf in de Zaanstreek, met name in de noordelijke Zaanstreek, een bloeiperiode door. De totale personeelsbezetting liep in bedrijven met tien en meer man personeel op tot ruim 700 in 1971. Het merendeel hiervan, 70%, was werkzaam buiten Zaandam. Een deel van de bedrijven wist zich een (inter)nationale positie te verwerven, maar kon zich in de concurrentiestrijd niet handhaven. In 1986 omvatte de totale grafische nijverheid in de Zaanstreek nog een kleine 20 bedrijven met tien en meer personeelsleden. In totaal werkten er in de grafische industrie in de Zaanstreek in 1983 ruim 900 mensen tegen in 1978 nog 1.200. | ||
+ | |||
+ | Het autobedrijf heeft zich in de Zaanstreek na 1930, en vooral na 1950, ontwikkeld. In de jaren ’20 reden de eerste autobussen door de streek en kwam de interlokale busverbinding met Amsterdam tot stand. Het autovrachtverkeer zou zich in de jaren '30 als concurrent van de tot dan toe oppermachtige binnenscheepvaart gaan manifesteren. In 1962 telde de Zaanstreek 36 autoreparatie— en carosseriebedrijven. In 1986 waren er 19 autowerkplaatsen met 10 en meer personeelsleden gevestigd, waarvan 13 te Zaandam. In 1983 werkten er in de Zaanse transportmiddelenindustrie 800 a 900 personen (in 1978 ruim 1.100). | ||
+ | |||
+ | == 3.10.5. Detailhandel en verzorgend ambacht | ||
+ | |||
+ | De belangrijkste tak van verzorgend bedrijf | ||
+ | |||
+ | In 1962 bleek het totale aantal in het handelsregister ingeschreven zaken, | ||
+ | |||
+ | Volgens gegevens van de Kamer van Koophandel waren er in 1980 binnen het district van de Kamer 1265 detailhandelszaken actief werkzaam, dat is ongeveer 30% minder dan in 1962. Van deze 1265 zaken behoorden er bijna 450, ruim 35% tot de voedingssector. Opnieuw was de voedings— en genotmiddelenbranche wat het aantal vestigingen betreft sterk in betekenis teruggelopen. In de textiel- en kledingsector liep het aantal vestigingen weliswaar iets terug, maar de relatieve betekenis van de branche nam toe tot 14% van alle detailhandelsvestigingen. De meeste nieuwe vestigingen na 1962 vonden plaats in de non-food | ||
+ | |||
+ | Wanneer we de ontwikkeling van de detailhandel in de Zaanstreek sedert 1930 in grote lijnen proberen aan te duiden dan springen | ||
+ | In de eerste plaats bleek het aantal detailhandelsvestigingen tussen 1930 en 1960 te zijn toegenomen, maar daarna weer tot het peil van 1930 te zijn gedaald. Zeer sterke teruggang vertoonde het aantal kleine vestigingen in de levensmiddelenbranche als bakkers, kruideniers, | ||
+ | In de tweede plaats is de gemiddelde vestigingsgrootte in de detailhandel toegenomen. In 1986 werkten er in de 1.200 werkzame detailhandelsbedrijven in totaal een kleine 4.000 mensen. De kleine winkelier heeft in vele branches plaats moeten maken voor het filiaalbedrijf, | ||
+ | In de derde plaats vond een toenemende concentratie van de grotere detailhandelszaken, | ||
+ | |||
+ | Hoewel de binnenstad van Zaandam altijd al een grotere | ||
+ | |||
+ | |||
+ | === 3.11. Structuurveranderingen in de werkgelegenheid: | ||
+ | |||
+ | |||
+ | Van oudsher hebben handel en industrie de werkgelegenheid in de Zaanstreek bepaald. | ||
+ | |||
+ | A. van Braam | ||
+ | |||
+ | Literatuur: | ||
+ | |||
+ | * Afd. Onderzoek en Planning gem. Zaanstad, Werken langs de Zaan, ultimo 1983 een industriegebied in recessie, Zaandijk 1985 | ||
+ | * L. Ankum: Een bijdrage tot de geschiedenis van de Zaanse olieslagerij, | ||
+ | * J. Aten, Wormerveer langs weg en Zaan, Wormerveer 1967 | ||
+ | * NE. Bang, Tabellen over skibsfart og varetransport genvem Oeresund 1497 - 1783, Kopenhagen 1906 | ||
+ | * M.A. Beels, l-Iandvesten ende privilegieén, | ||
+ | * [[https:// | ||
+ | * Steven Blaupot Ten Cate, [[https:// | ||
+ | * P. Boorsma, Bijzonderheden betreffende molens der familie Honig, Koog aan de Zaan 1939 | ||
+ | * P. Boorsma, Duizend Zaanse molens, Amsterdam 1968 | ||
+ | * A. van Braam, Bloei en verval van het economisch-sociale leven aan de Zaan in de 17de en 18de eeuw, Wormerveer 1944 | ||
+ | * A. van Braam. Een eeuw Zaandam 1870 - 1970 | ||
+ | * sociaal-economische studies betreffende de historische en vermoedelijke toekomstige ontwikkeling der gemeente Zaandam, Zaandam 1949 | ||
+ | * A. van Braam, Westzaandam in de tijd van de Republiek, Zaandam 1978 | ||
+ | * A. van Braam e.a., Historische atlas van de Zaanlanden twintig eeuwen landschapsontwikkeling, | ||
+ | * R.W. Brandt e.a., De Zaanstreek archeologisch bekeken, Zaanstad 1983 | ||
+ | * R.W. Brandt e.a., Assendelver polder papers, Amsterdam 1987 | ||
+ | * J.K. de Cock, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch—geografische grondslag, Arnhem 1980 | ||
+ | * P. Dekker, De laatste bloeiperiode van de Nederlandse Arctische walvis- en robbevangst, | ||
+ | * R. Fruin (red.), Informacie upden staet faculteyt ende gelegentheyt van de steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant, 1514, Leiden 1866 | ||
+ | * R. Fruin (red.), Enqueste ende informacie upt stuck der reductie ende refonnatie van den schiltaelen, | ||
+ | * J. Goudsblom, De hennepkloppers van Krommenie, in: De Zaende 1948, p. 291 - 304, 344 — 363 | ||
+ | * 1949, p. 8 - 16, 54 - 62, 79 - 88,112 - 116 | ||
+ | * S. Hart, Diverse artikelen over de personele quotisatie in de Zaanstreek, 1742, in: De Zaende, 1947 - 1950 | ||
+ | * S. Hart, Geschrift en getal een keuze uit de demografische, | ||
+ | * Gerrit Jan Honig e.a., Zaanlandsch Jaarboek, 2 delen, Koog aan de Zaan 1932 en 1934 | ||
+ | * Jacob Honig Jsz Jr, [[https:// | ||
+ | * Jacob Honig Jsz Jr, [[https:// | ||
+ | * Instituut voor Bestuurswetenschappen, | ||
+ | * J. de Jongh, Van Gelder Zoonen: 1784 — 1934, Haarlem 1934 | ||
+ | * J. Kingma, De introductie van de stoommachine in de Zaanstreek, in: Industriéle Archeologie, | ||
+ | * J. P. Kruijt, De bevolking der Zaanstreek, in: Mensch en Maatschappij, | ||
+ | * R. Laan, Wessanen’s Koninklijke Fabrieken, 1765 - 1940, Wormerveer 1940 | ||
+ | * W. G. Lams, Het groot privilegie en hantvestboek van Kennemerland en Kennemergevolgh, | ||
+ | * A. Loosjes, Beschrijving van de Zaanlandsche dorpen, Haarlem 1794 | ||
+ | * Sipke Lootsma, Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche walvischvaart, | ||
+ | * Sipke Lootsma, Historische studién over de Zaanstreek, 2 delen. Koog aan de Zaan 1939 en 1950 | ||
+ | * Sipke Lootsma, Bijdrage tot de geschiedenis der veren tussen Zaandam en Amsterdam, in: De Zaende, 1950, p. 326 - 373 | ||
+ | * P.J. Middelhoven, | ||
+ | * de geschiedenis van een familiebedrijf, | ||
+ | * H. J. Minderhoud, Honderdvijftig jaar Nutswerk van het departement Zaandam tot Nut van ’t A]gemeen, 1789 - 1939, Zaandam 1939 | ||
+ | * C. M01, Uit de geschiedenis van Wormer, Wormerveer 1966 | ||
+ | * Nederlands Economisch Instituut, Sociaal-economisch structuuronderzoek Zaanstreek, 2 delen, Rotterdam 1974/ | ||
+ | * G. Oosterbaan, Dat goede oude Zaandijk, Zaandam 1971 | ||
+ | * Provincie NoordHolland. Streekplan voor het Noordzeekanaalgebied, | ||
+ | * Publikaties van het Sociografisch Bureau der gemeente Zaandam, 1947 — 1957, Zaandam 1947 | ||
+ | * M. Redeke, Vijftig jaar Bruynzeel, 1897 - 1947, Zaandam 1947 | ||
+ | * S.C. Regtdoorzee Greup—Roldanus, | ||
+ | * CA. Schillemans, | ||
+ | * 1.]. Schilstra e.a., De polder Oostzaan, Oostzaan 1979 | ||
+ | * Hendrik Jacobsz Soeteboom, [[https:// | ||
+ | * C]. Stelleman, De haven van Zaandam, in: De Zaende, 1946, p. 146 — 154, 203 - 210, 332 - 340 | ||
+ | * Th. van Tijn, Het Noordhollandse zeehavengebied voor en na de openstelling van het Noordzeekanaal, | ||
+ | * R.W. Unger, Dutch Shipbuilding before 1800 ships and guilds, Assen 1978 | ||
+ | * PIN. ter Veen e.a., Problemen der samenvoeging van Zaangemeenten, | ||
+ | * M.A.Verkade, | ||
+ | * M.A. Verkade, Den derden dach, ontstaan en ontwikkeling van de polder Westzaan, Alkmaar 1982; | ||
+ | * M.A. Verkade e.a.: Honderd jaren Dekker’s Hout, 1855 — 1955, Zaandam 1955 | ||
+ | * M.A. Verkade e.a., Zaandam 150 jaar stad, 1811 1961 bijdragen tot de ontwikkelingsgeschiedenis van de stad, Zaandam 1962 | ||
+ | * Verslagen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zaanland, 1920 - 1987. Zaandam 1920 | ||
+ | * Verslagen van de toestand der Zaangemeenten (Zaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie, Assendelft, Westzaan, Wormer, Oostzaan) i 1830 1937, Zaangemeenten 1830 | ||
+ | * D. Vis, Drie eeuwen verf een en ander uit de geschiedenis van de Zaanse verfindustrie, | ||
+ | * H. Voom, De papiermolens in de provincie Noord—Holland, | ||
+ | * J.C. Westermann, Blik in het verleden; geschiedenis van de Nederlandsche blikindustrie in hare opkomst van gildeambacht tot grootbedrijf, | ||
+ | * A.M. van der Woude: Het Noorderkwartier, | ||
+ | * Klaas Woudt: Honderd jaar machinebouw aan de Zaan, 1885 - 1985, Koog aan de Zaan 1985 | ||
+ | * Klaas Woudt: De geschiedenis van een Zaanse familie-onderneming, | ||
+ | * Zaanstad in cijfers; statistische jaaroverzichten, | ||
+ | * G. Zijlstra e.a., De weverijen D. van Leyden en Zoon, Utrecht 1978. | ||
+ | |||
+ | |||
+ | {{tag> |