eco:korte_algemene_inleiding

1.1. De theorie

In de theoretische economie heeft het begrip “economische structuur` betrekking op de min of meer duurzame grondslagen van de economie van een land of regio. Het economisch proces van productie en consumptie speelt zich af binnen een kader van natuurlijke, technische en maatschappelijke omstandigheden, waarvan sommige variabel zijn en andere als constante grootheden kunnen worden beschouwd, althans op de korte en/of middel-lange termijn. Op lange termijn gezien zijn alle factoren, ook die van de natuur, variabel.

De economische structuur wordt in beginsel bepaald door de constante grootheden of structuurelementen. De belangrijkste zijn:

a. het fysieke milieu, zowel de natuur (kli- maat, bodemkwaliteit) als de aanwezige natuurlijke grondstoffen;
b. de bevolking, enerzijds als consumenten, anderzijds als werkzame en werkzoekende beroepsbevolking;
c. de kapitaalgoederen, dat is de voorraad duurzame productiemiddelen, zowel machines, fabrieken, kantoren en winkels, als transportmiddelen, infrastructuur en communicatiesystemen;
d. de economische orde, dat is de juridisische en sociale organisatie van het economisch proces. ook wel de politieke en institutionele structuur genoemd.

Tenslotte beschouwt men ook minder con- creet waarneembare productiefactoren als belangrijke structuurbepalende elementen, zoals de stand van de technische kennis (de technologie) en de kwaliteit van het persoon- lijk ondernemerschap. Dit laatste aspect is zonder enige twijfel ook in de Zaanstreek van groot belang geweest. In de encyclopedie worden talloze voorbeelden vermeld.

1.2. De praktijk: structuur en milieu

In de economische praktijk wordt de econo- mische structuur op verschillende wijzen be- schreven en geanalyseerd, afhankelijk van de doelstelling. We noemen hier een viertal be- naderingen, die ook in rapportages over de structuur van de Zaanstreek. afzonderlijk of in combinatie, zijn toegepast.

l. De productiestructuur van de bedrijvigheid

(inclusief overheidsbedrijven). Samen- gesteld uit vier sectoren en een groot aantal bedrijfstakken - het zogenaamde “meso-ni- veau`. Men onderscheidt:

a. de primaire of agrarische sector: land- bouw, bosbouw en visserij;

b. de secundaire of nijverheidssector: delf- stoffenwinning, industrie. openbare nutsbe- drijven en bouwnijverheid;

c. de tertiaire of commerciele dienstensector:

handel. transport. horeca. banken. verzeke- ringswezen en diverse zakelijke dienstverle- ning (zoals makelaars); en

d. de kwartaire of niet-commerciële dien- stensector: bestuur, onderwijs, recreatie, ge- zondheidszorg en andere maatschappelijke dienstverlening.

De omvang van (een tak van) bedrijvigheid wordt vaak uitgedrukt in aantallen arbeids- plaatsen; daarnaast zijn soms betrouwbare, actuele gegevens bruikbaar over de produk- tiewaarde, de investeringen. enzovoort.

2. De sociaal-economische structuur

, waarbij veelal de arbeidsmarkt en de werkgelegen- heid centraal worden gesteld. Bij deze struc- tuuranalyse kunnen uiteraard meerdere ken- merken worden gehanteerd, zoals:

a. de potentiele en actieve beroepsbevolking;
b. de beroepsgroepen in het bedrijfsleven;
c. het opleidingsniveau;
d. de leeftijdsopbouw; enzovoort.

Andere uitgangspunten zijn bijvoorbeeld de werkloosheid, met name de jeugdwerkloos- heid. het inkomende en uitgaande forensis- me, de vrouwelijke arbeidsmarkt, enzovoort.

3. De ruimtelijk-economische structuur.

waarmee wordt gedoeld op het locationele patroon van economische activiteiten en daarmee samenhangende structuur-elemen- ten, zoals:

a. het vestigingsklimaat, casu quo locatiefac- toren;
b. de verkeersinfrastructuur en andere aspec- ten van bereikbaarheid van de regio;
c. bedrijfhuisvesting, bedrijfsterreinen en an- dere gebieden meteen werkfunctie:
dl. werk- en woonfunctiemenging en daarmee gepaard gaande milieuhinder.

Andere hierbij relevante onderwerpen betref- fen bijvoorbeeld de woningmarkt, beschik- bare bouwlocaties, groenvoorzieningen. en- zovoort.

Uit het bovenstaande mag blijken dat het be- grip “economische structuur` wordt toegepast op een breed terrein van maatschappelijke activiteiten (economie is een maatschappij- wetenschapl), die onderling nauw samenhan- gen en ten dele zelfs samenvallen. In dit ver- band wordt tegenwoordig ook speciale aan- dacht geschonken aan het zogenaamde “pro- duktiemilieu`, dat - samen met de productie- structuur - in belangrijke mate bepalend is voor het economisch potentieel van een re- gio.

4. Het productiemilieu.

de “economische omgeving heeft betrekking op het geheel van externe omstandigheden op regionale schaal, die van invloed zijn op de economie en het bedrijfsleven in de regio. Als belang- rijke omgevingsfactoren worden beschouwd:

a. de aanwezigheid van kenniscentra en ho- gere beroepsopleidingen; de aanwezigheid van voldoende bedrijfshuisvesting in diverse vormen;
b. de nabijheid van een agglomeratie met de daaruit te verkrijgen voordelen;
c. de ligging ten opzichte van nationale en in- ternationale economische zwaaitepunten;
d. de aantrekkelijkheid van het woonmilieu;
e. de aanwezigheid van bijzondere infra- structuur ( zee- en luchthaven, telecommuni- catie).
f. de aanwezigheid van een stimulerend insti- tutioneel en bestuurlijk kader.

Samenvattend, vormt het productiemilieu de min of meer permanente omgeving. waarmee het bedrijfsleven - en de individuele ondeme- mer - door middel van relaties is verbonden: fysieke relaties, sociale relaties, marktrela- ties en institutionele relaties. Elk bedrijf heeft in beginsel een eigen productiemilieu. in de vorm van een eigen profiel van relaties in de plaats of regio van vestiging, waarmee zij rekening moet houden.

1.3. De overheid

De economische structuur van een land of re-

gio mag dan op kortere termijn als constant worden beschouwd, zulks neemt niet weg dat sinds enige decennia van overheidswege ge- tracht wordt om het economisch proces be- wust te beinvloeden. Er is dan sprake van economische politiek; in het bijzonder betreft het de structuurpolitiek (te onderscheiden van de korte termijn conjunctuurpolitiek). Deze vindt op verschillende niveaus plaats. Naast het globale structuurbeleid op macro- niveau. gericht op de totale Nederlandse eco- nomie, is voor ons onderwerp vooral de structuurpolitiek op meso-niveau van belang. Het gaat dan om de gerichte stimulering of herstructurering van bepaalde sectoren of be- drijfstakken (sectorbeleid), dan wel van be- paalde landsdelen (regionaal beleid). Ook de Zaanse economie is betrokken bij het structuurbeleid op meso-niveau, al moet daarbij wel worden opgemerkt dat de centra- le overheid haar aandacht vooral heeft ge- richt op “achtergebleven gebieden buiten West-Nederland (bijvoorbeeld Twente en Zuid-Limburg), op elders gelocaliseerde zwakke bedrijfstakken (bijvoorbeeld de scheepsbouw) en recentelijk op de vier grote steden in de Randstad. Bovendien wordt steeds meer de nadruk gelegd op de specifie- ke kenmerken van de regionale productie- structuur en het regionale productiemilieu, die in de regio zelf moeten worden ontwik- keld. Dat houdt in concreto in dat het struc- tuurbeleid voornamelijk door de gezamenlij- ke lagere overheden - provincie en gemeen- ten - moet worden gevoerd.

Tenslotte kan de overheid actief zijn op een derde niveau, het micro-niveau, indien zij fi- nanciële steun verleent aan individuele on- dernemingen die in structurele moeilijkheden zijn geraakt. Een bekend en triest Zaans voorbeeld betreft het *Bruynzeel-concern in het begin van de jaren '80. Overigens is het ook hier zo dat steeds meer de lagere overhe- den ertoe (moeten) overgaan de bedrijven in hun regio de helpende hand toe te steken. in- dien de financiële middelen dat toestaan.

Behalve door de genoemde vormen van structuurpolitiek, kan de overheid ook nog op andere, indirecte wijze de regionaal-eco- nomische structuur beinvloeden, namelijk via bepaalde beleidsfacetten en beleidssecto- ren.

Een voorbeeld van het eerste is het beleid in- zake de ruimtelijke ordening (Zaanstreek geen overloopgebied, dus geen stimulerings- beleid van de rijksoverheid); een sectorvoor- beeld is het beleid in de verkeers- en ver- voerssector, vooral op het gebied van de ver- keersinfrastructuur (aanleg van de tweede Coentunnel').

Kortheidshalve volstaan we met deze twee voorbeelden.

  • eco/korte_algemene_inleiding.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/04/21 11:49
  • door jan