eendenhouderij

Door de aanwezigheid van zoveel sloten, plassen en drassige weiden is de Zaanstreek steeds een trekpleister (pleisterplaats) geweest voor watervogels, zoals wilde eenden. Algemeen wordt aangenomen dat de jacht op waterwild een der vroegste bestaansbronnen van de bevolking is geweest. Hoewel ons daarover geen bronnen bekend zijn, mag worden verondersteld dat hierbij op een aantal plaatsen gebruik is gemaakt van zogenaamde eendenkooien. De jachtbuit zal dan voor consumptiedoeleinden verhandeld zijn en het ligt in de rede dat Amsterdam het belangrijkste afzetgebied vormde.

In de 17e eeuw, misschien al eerder, heeft zich een vrij omvangrijke eendenhouderij ontwikkeld. De wilde eenden konden namelijk vrij eenvoudig worden gedomesticeerd; ze werden gekortwiekt en op grote erven bij de woningen aan de slootkant ondergebracht in hokken. Door het ontbreken van literatuur is de omvang van deze eendenhouderij niet aan te geven; pas in de 19e eeuw zijn te Oostzaan tellingen verricht. Het is echter onjuist te veronderstellen dat de eendenhouderij zich uitsluitend tot deze gemeente beperkte.

In de hele streek

In verschillende padreglementen komt een verbod voor tot het houden van eenden (bijvoorbeeld 'Ende houders die haare Eende met spiering voeden of diergelijke', Stikkelspad - de Noordzijde van de huidige Stationsstraat te Zaandam -, april 1649). In een keur van de Polder Westzaan (1696) werd bevolen om terwille van de visstand de eenden tussen 23 maart en 15 mei vast te houden, omdat deze 'mede inde pay tijt veel quaed tot het verderven ende het voortelen veroorsaeken'. Overigens moesten ze ook van 1 juni tot 1 september in de hokken blijven in verband met de schade die zij aan landbouwgewassen toebrachten. Uit zulke maatregelen blijkt dat aantal gehouden eenden van betekenis moet zijn geweest. Omstreeks hetzelfde jaar 1696 richtten eendenhouders zich in een ongedateerd adres tot de regeerders van de Hoge Heerlijkheid Assendelft aangezien zij zich door de toenemende stroperij in hun bestaan bedreigd voelden; als geen maatregelen werden genomen zouden velen 'die haar nu eerlijck daar mede generen komen te vervallen dat zij haar Broot zullen moeten bidden` (= bedelen).

Oostzaan was jarenlang een belangrijk centrum van de eendenhouderij. Hier de Roemersloot, naar het westen gezien. De fabrieksschoorstenen, links, zijn van de stijfselhuizen van Latensteijn en C. Avis aan het Westerstijfselmakerspad

Uit een en ander wordt duidelijk dat de eendenhouderij al in de 17e eeuw een bestaansbron is geweest. Waarschijnlijk werden de eenden zowel voor de eieren als voor de slacht gehouden. Bij het laatste had men de mogelijkheid het aanbod af te stemmen op wat de markt vroeg.

Wat de eieren betreft is het de vraag of deze ook toen al werden geleverd aan de bakkerijen van (scheeps)beschuit. Het is immers niet duidelijk of voor het deeg van de oorspronkelijke, vooral in Wormer en Jisp gebakken schuit (zie: *Beschuitbakkerij) ook eende-eieren werden gebruikt. Voor het latere (19e- en 20e-eeuwse) product van bakkers en beschuitfabrieken waren deze eieren echter een onmisbaar ingrediënt. Dit is dan ook de reden dat het aantal in de Zaanstreek gehouden eenden na 1850 voortdurend toenam, waarbij deze vorm van pluimveehouderij zich steeds meer in Oostzaan concentreerde.

Tellingen in Oostzaan

Werden blijkens min of meer nauwkeurige tellingen in 1865 in die gemeente 5.216 eenden gehouden, in 1893 was dit aantal gegroeid tot 10.144 en in 1903 tot 18.730. Vervolgens handhaafden de schattingen jarenlang 20.000 eenden. De bedrijvigheid in de eendenhouderij liep al tijdens de Eerste Wereldoorlog sterk terug en verloor haar betekenis nog verder toen de beschuitfabrieken in plaats van verse eieren geïmporteerd eipoeder in hun receptuur gingen verwerken.

De eendenhouderij leidde in Oostzaan tot verschillende nevenactiviteiten; naast de (groot)handel in eieren ontstonden de handel in voer en een aantal poelierszaken, waarvan er enkele uitgroeiden tot moderne gemechaniseerde exportbedrijven.

Als voer voor de eenden werd aanvankelijk kleine vis (spiering, bliek) uit de poldersloten gebruikt. Daarna ging men puf en mosselen aanvoeren uit IJmuiden. De mosselen werden gemalen en later ook gestoomd. In de 19e eeuw kochten de eendenhouders ook wel het plantaardige afval van de Zaanse pel- en oliemolens op als eendevoer. Doordat ze vooral de in afvalhokken opgeslagen gerstdoppen van de gortpelmolens kochten, ontstond voor Oostzaners zelfs de bijnaam ‘doppehokkers’, naast de ook gebruikte bijnaam ‘iendepulle’.

  • eendenhouderij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/01/19 15:18
  • door toon