Voormalige vatenhandel, ontstaan uit een in de 19e eeuw opgerichte kuiperij aan het Zuideinde te Koog. Het bedrijf dat kantoor hield in een fraai Zaans koopmanshuis ontwikkelde zich tot producent van grote aantallen houten vaten voor de Zaanse industrie. Geleverd werd bijvoorbeeld aan Duyvis en alle andere oliefabrieken. Aanvankelijk werd het benodigde hout in Koog gezaagd en bewerkt. Later ging men op maat gezaagde duigen, bodems, deksels en banden importeren uit Cyprus, Schotland en de V.S. De vaten werden door ongeveer vijftig kuipers in elkaar gezet. Productie op deze wijze had nog tot het midden van de jaren '60 plaats. De houten vaten werden echter gaandeweg verdrongen door metalen vaten, terwijl later ook kunststof in zwang kwam.

De Amerikaanse Rheem Manufacturing Company bouwde, tezamen met Evenblij Vaten N.V. te Zaandam een grote fabriek voor de vervaardiging van shipping containers ofwel laadinstallaties. Met een fabrieksoppervlakte van 2700 vierkante meter moest het de modernste fabriek in West-Europa worden. Bij de Hembrug werd de vatenfabriek oktober 1948 geopend waar o.a. de minister van Economische Zaken, prof. v. d. Brink, de burgemeester van Zaandam, W. Thomassen en andere autoriteiten aanwezig waren. De vertegenwoordiger van het Amerikaanse Concern Rheem Manufacturing Company te San Francisco kondigde een maximale dagproductie van 2000 vaten in verschillende typen aan. Rheem-Evenblij werd in augustus 1948 opgericht met een geplaatst kapitaal van ƒ 1.5 miljoen. In het kapitaal van de onderneming wordt van Amerikaanse zijde deelgenomen voor 40 procent. De rest van het kapitaal is afkomstig van de N.V. Evenblij Vaten te Zaandam.

6 oktober 1949 werden bewoners van de Westzanerdijk te Zaandam om kwart over twaalf gewekt werden door explosies van wit hete vaten. In de loods lagen gebruikte lege benzine- en verfblikken van de firma Evenblij. De achtergebleven substantie brandde als een fakkel, de loods brandde zo goed als geheel uit waarbij honderden vaten verloren gingen.

Eind 1950 neemt Van Leer's Vatenfabrieken te Amsterdam het aandelenkapitaal van de Vatenfabriek Rheem-Evenblij over. Aandelen in bezit van Rheem te San Francisco werden overgenomen door een andere Amerikaanse maatschappij. Met ingang van 15 december 1950 werd de naam van de vennootschap veranderd in Vatenfabriek Zaanland. De onderneming werd in het leven geroepen door Evenblij-Vaten en de Rheem-Manufacturing Company.

Vatenfabriek Zaanland sloot op 2 mei 1952 haar deuren. Al het personeel, in totaal negentig man, werd ontslagen, terwijl ook een begin werd gemaakt met het demonteren van het kostbare machinepark in de grote fabriekshal. De gebouwen werden te koop aangeboden en er hebben zich vele gegadigden voor gemeld. Van het kantoorpersoneel gaat tien man over naar de kantoren van de N.V. van Leer in Amsterdam.

In Zaandam leidde de plotselinge en snelle liquidatie van de gloednieuwe vatenfabriek tot veel ophef. Kort na de bevrijding werden grote fabriekspanden aan het Noordzeekanaal neergezet door Vatenfabriek Evenblij, die zich later verbond aan de Amerikaanse onderneming Kheem. Het bedrijf ontwikkelde zich gezond, doch er ontstonden moeilijkheden, met een bank. Rheem trok zich terug, Evenblij deed de aandelen over aan de N.V. Van Leer, die de productie van achtduizend vaten per week handhaafde, doch er plotseling toe overging het bedrijf te Zaandam te liquideren. In handelskringen wordt deze Amerikaanse handelwijze als normaal ervaren: men koopt de concurrent op en men handhaaft zijn monopoliepositie door het opgekochte bedrijf uit te schakelen.

Evenblij Vaten concentreerde zich vervolgens op de handel in metalen vaten, al of niet gebruikt. Gebruikte vaten werden op het bedrijfsterrein schoongemaakt en hersteld, waardoor ongetwijfeld bodemverontreinigingen zijn veroorzaakt.

1 februari 1961 werd naar schatting voor ƒ 300.000 schade aangericht door een felle brand in Evenblij's verfspuiterij, die twee houten pakhuizen uit 1880 aan het Breedweer van Emballage industrie Evenblij-Vaten en van de N.V. Zaanchemie in de as legde. Hoewel nabijgelegen huizen en een derde pakhuis gevaar liepen, wisten de brandweerkorpsen van Koog, Zaandijk en Zaandam het vuur met veel moeite te bedwingen. Blusboot De Weer, die opgeroepen was, ondervond vertraging doordat de sluiswachter van de Mallegatsluis onvindbaar was. De bedrijven waren tegen brand verzekerd. Over de oorzaak van de brand was niets bekend.

In 1990 vestigde zich een kledingimporteur onder de naam Ingwersen Import op het terrein.

  • evenblij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/07/28 20:31
  • door zaanlander