geveltypen

Kenmerkend voor de architectuur in Nederland, maar ook in het aangrenzende Vlaanderen en Noord-Duitsland, is de grote verscheidenheid aan geveltypen, die sinds de 15e/16e eeuw deels na en deels naast elkaar tot ontwikkeling kwamen. Er worden de volgende typen onderscheiden:

  • puntgevels,
  • tuitgevels,
  • trapgevels,
  • in- en uitgezwenkte gevels,
  • halsgevels,
  • klokgevels,
  • lijstgevels,
  • lijstgevels met balustrade of attiek,
  • trapeziumgevels en mansardegevels.

In de Zaanstreek komen, zoals ook overal elders op het Nederlandse platteland, van oudsher de eenvoudige puntgevels (met driehoekige geveltop) en tuitgevels (idem, maar met tuitvormige bekroning) het meest voor. Beide kunnen in natuursteen, baksteen en hout worden uitgevoerd. Voor wat betreft de Zaanstreek geldt dat baksteen tot ver in de 19e eeuw alleen voor het bouwen van rijkere gebouwen werd toegepast, en de nog duurdere natuursteen uitsluitend voor versieringen. Zo zijn bakstenen tuitgevels te vinden aan de dwarsbeuken van de hervormde kerken te Westzaan (1740-1741) en Koog (dwarsbeuken toegevoegd in 1824-1825). Toen baksteen in de 20e eeuw een veel meer toegepast bouwmateriaal in de Zaanstreek werd, werden ook de bakstenen punten tuitgevels veel meer gebouwd. Net als in andere dorpen in het land verrezen er bijvoorbeeld reeksen vrijstaande huizen met steile puntgevels in de jaren '20 (bijvoorbeeld aan de Provincialeweg tegenover station Koog-Bloemwijk).

Veel talrijker dan de bakstenen punt- en tuitgevels waren in de Zaanstreek de houten exemplaren. De rijkste exemplaren werden voorzien van versieringen langs de zijkanten (windveren) en aan de (top)makelaar. De oudste voorbeelden van dergelijke geveltoppen stammen uit de 17e eeuw, de jongste uit de 20e eeuw. Trapgevels (met driehoekige geveltoppen, waarbij de zijkanten trapvormig zijn uitgevoerd) kwamen al in de late middeleeuwen in heel Noordwest-Europa voor, zowel in natuursteen uitgevoerd, als in baksteen, als in een combinatie van die twee. Bewaard gebleven Nederlandse voorbeelden uit die periode zijn echter schaars (dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Brugge of Lübeck waar veel meer voorbeelden over zijn).

In de Zaanstreek is geen enkele gevel uit die periode te vinden. Uit de daarop volgende periode, die van de Hollandse renaissance (circa 1560- circa 1650) zijn in het westelijk deel van Nederland vele tientallen trapgevels van baksteen bewaard. Aanvankelijk werden de gevels vaak zeer rijk versierd, maar na circa 1630 werden ze soberder uitgevoerd, onder invloed van de nieuwe bouwstijl die toen opkwam, het Hollandse classicisme. Aangezien ten tijde van de Hollandse renaissance baksteen nog niet zoveel werd toegepast in de Zaanstreek, is ook het aantal trapgevels hier altijd betrekkelijk gering geweest; maar eertijds waren er meer dan tegenwoordig.

Gemeentehuis van Jisp. Foto: Archief Henk Dijkman

Het belangrijkste voorbeeld, dat bewaard is gebleven en dat een goede indruk geeft hoe een trapgevel er uit zag ten tijde van de laatste, sobere fase van de Hollandse renaissance, is het rechthuis (later raadhuis) te Jisp uit 1611. Ook diverse andere Zaanse rechthuizen uit de eerste helft van de 17e eeuw hebben trapgevels gehad, hetzij aan de zijkant, hetzij aan de voorkant. Dat geldt voor de verdwenen rechthuizen van Wormer (circa 1605, afbeelding blz. 83), Oostzaan (1617, afbeelding blz. 88) en Westzaan (1641, afb. hieronder).

Trapgevels stonden aan het eind van de 19e eeuw en ook in deze eeuw opnieuw in de belangstelling van architecten die inspiratie zochten bij de Hollandse renaissance van weleer. Ook in de Zaanstreek is daarvan het resultaat hier en daar zichtbaar, bijvoorbeeld bij een pand aan de Westzijde (nr. 134) te Zaandam, waar in 1909 een sobere bakstenen trapgevel werd gebouwd naar een ontwerp van (stads-) architect J . van der Koogh, Gerrit van der. In de tijd van de Hollandse renaissance werd soms een type geveltop toegepast, dat veel minder bekend is dan de trapgevel: de in- en uitgezwenkte geveltop. Evenals de trapgevel werd ook dit type alleen in natuursteen of baksteen uitgevoerd, en niet in hout. Vandaar dat het type in de Zaanstreek niet veel is gebouwd. Als voorbeeld kan het rechthuisje in Wormer (circa 1605, afbeelding blz. 83) worden genoemd, dat aan de zijkanten trapgevels had (zie voorafgaande), maar aan de voorzijde een in- en uitgezwenkte geveltop met rolwerk (een in die tijd geliefd versieringsmotief, bestaande uit in- en uitgezwenkte bandvormige krullen).

Vanaf circa 1640 werd, het eerst in Amsterdam, de halsgevel (een gevel waarvan het middendeel hoger is opgetrokken dan de rest, zodanig dat er een rechthoekige ha1s` ontstaat) veel toegepast. De Amsterdamse architect Philip Vingboons begon er in 1638 als een der eersten mee; daarna werden de halsgevels overal in het land gebouwd, in natuursteen, in baksteen of in een combinatie van beide; eerst in de stijl van het Hollands classicisme (een stijl die van circa 1630 tot circa 1700 heerste) en later in de diverse Lodewijk-stijlen (18e eeuw). In de Zaanstreek, waar in deze perioden nog maar weinig in steen werd gebouwd, is het type betrekkelijk zeldzaam.

Voorbeelden van klokgevels. Bron: Anno 1961, nr 88

Een mooi voorbeeld, uit 1678, stond vroeger aan de Damstraat. De halsgevel van een pand aldaar werd bekroond door een driehoekig fronton en was voorzien van forse vleugelstukken met grote krullen. Een ander fraai voorbeeld, uit 1729, bevond zich tot de sloop aan de Overtoom (nr. 56) te Westzaan. De halsgevel, uitgevoerd in Lodewijk XIV-stijl, werd bekroond door een getoogde lijst waaronder zich een relief van Mercurius bevond en aan weerszijden bevonden zich vleugelstukken van zittende allegorische figuren. Iets jonger dan de halsgevel is de klokgevel (een gevel waarvan de top min of meer klokvormig is). Een van de oudste voorbeelden bevindt zich in Amsterdam, aan de Herengracht (nr. 507) en stamt uit 1666. Deze klokgevel is, zoals zoveel van zijn soortgenoten die in de daarop volgende jaren gebouwd zouden worden, voorzien van een jaarlint. Op de zijkanten van de bakstenen bladeren en bloemen te zien. De gevel wordt bekroond door een driehoekig fronton. Maar er zijn ook klokgevels met een segmentvormig fronton. De bouwstijl is die van het toen heersende Hollandse classicisme. Talloze vergelijkbare klokgevels verrezen overal in het land gedurende de laatste drie decennia van de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw.

In de Zaanstreek gebeurde dat echter maar weinig. Wel kreeg het voormalige rechthuis van Krommenie (later raadhuis) zo`n klokgevel, volgens het jaartallint in 1706. In de eerste helft van de 18e eeuw kwam een nieuw klokgeveltype tot ontwikkeling, gedrukter van vorm en met sterk ingezwenkte zijkanten. De gevels werden uitgevoerd in de stijl van die tijd, de Lodewijk XIV-stijl. Ook in de daaropvolgende stijlfase Lodewijk XV zijn dit soort klokgevels gebouwd, doorgaans in baksteen met versieringen van zandsteen. Opnieuw zijn Zaanse voorbeelden schaars en slechts te vinden aan rijkere panden, waarvan de topdecoratie in Lodewijk XV-stijl (circa 1750-1775) heeft. Hiervoor is nog slechts gesproken van de bakstenen klokgevels die in de Zaanstreek zeldzaam zijn.

Klokgevels konden echter ook in hout uitgevoerd worden, en dat is in de Zaanstreek in de 18e en 19e eeuw ontzettend veel gebeurd. De in hout vervaardigde Zaanse klokgevels variëren van uiterst eenvoudig tot zeer rijk en zijn, volgens de toen achtereenvolgende bouwstijlen, versierd met snijwerk. Lijstgevels zijn gevels, die door een rechte lijst zijn afgesloten. De afsluitende lijst kan breed of smal zijn, voorzien zijn van één of meer profielen, en wel of niet zijn versierd.

Lijstgevels kwamen in Nederland voor sinds de periode van de Hollandse renaissance, maar aanvankelijk waren ze in de meeste plaatsen niet talrijk. In de tijd van het Hollandse classicisme werden ze vaker gebouwd, speciaal aan deftige gebouwen, zoals raadhuizen. Het Paleis op de Dam te Amsterdam (aanvankelijk raadhuis), waaraan vanaf 1648 werd gebouwd, is een zeer bekend voorbeeld. In de Zaanstreek zijn vooral in de 18e en 19e eeuw tal van panden met lijstgevels gebouwd, zowel in baksteen als van hout. Lijstgevels kunnen in het midden bekroond worden door een driehoekige of een segmentboogvormig fronton; of ze kunnen voorzien zijn van een balustrade of attiek (een gesloten borstwen'ng). Soms ook is er sprake van een dakkapel op de kroonlijst.

Trapeziumgevels hebben aan de bovenzijde een beëindiging in de vorm van een trapezium. Ze werden al in de 17e eeuw gebouwd, maar het type is pas echt populair geworden in de woningbouw van de jaren '70, '80 van de 19e eeuw. In de tweede helft van de 19e eeuw en in de eerste decennia van de 20e eeuw werden overal in het land in plaats van de tot dan toe gebruikelijke schilddaken, veel mansardedaken, met een dakvlak dat eerst vanaf de nok geleidelijk schuin afliep en vervolgens steil, toegepast. Daarbij behoort de zogenoemde mansarde-gevel. Ook in de Zaanstreek zijn in de toenmalige nieuwe wijken straten vol huizen met mansardegevels gebouwd.

Carla Rogge

  • geveltypen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/05/26 17:50
  • door jan