hekelaars

Ambachtslieden die de in de hennepkloppers gebeukte vezels hekelden,'over de hekel haalden', dat wil zeggen kamden, opdat ze geschikt werden om te worden gesponnen. Krommenie was het centrum van deze tak van nijverheid. Daar had men de grote rederijen en naast een viertal grote bedrijven, nog enkele van geringere omvang. Deze arbeid werd ook op de dorpen verricht en daarvoor had men speciaal in Graftdijk, de arbeiders wonen, die dit vak van vader op zoon beoefenden. Hekelen was overigens niet zonder risico. Door het kammen bestond er kans op stofexplosie en kon er brand ontstaan.

Na de oogst kwam het ruwe product, het vlas, het eerst bij de hekelaars van wie een grote vakkennis werd vereist, daar men pas op volwassen leeftijd tot een volslagen hekelaar kon worden gerekend. Het vlas werd gedroogd en de zaden verwijderd, het 'repelen'. Vervolgens werd het vlas weer blootgesteld aan vocht met als doel de pectine, dat de vezels bindt, af te breken. Hierdoor werd de bast als het ware van de vezels losgeweekt. Dit noemde men 'roten'. Roterijen trof men vaak langs stromend water aan waardoor het vlas een gouden glans verkreeg.

De volgende stap was het 'hekelen', een mechanisch proces waarbij de vezels werden gescheiden van het stro. Vezels zijn te onderscheiden in de lokken en het lint. De lokken zijn de korte vezels en werden gebruikt als grondstof voor de touwslager terwijl het lint uit lange vezels bestond waaruit linnengaren werd verkregen. De hekelster of hekelaar nam een bundel vlas om de hand en haalde het uiteinde over de hekel. Dit was niet alleen stoffig en ongezond, maar ook zwaar en vermoeiend werk. De eigenlijke hekel was een rek met rechtopstaande stalen pinnen van ca. 30 cm lang waar het product door moest worden getrokken, doch de vezel mocht niet beschadigd raken. Na het hekelen was het de beurt aan de spinners en spinsters om de bewerkingen voort te zetten.

In de Gentse Vlasbewerker geeft een arbeider de volgende schets van de werkplaats der vlashekelaars in één van de grootste fabrieken: ,,Wij staan hier in een kamer met 40 hekelaars te werken, die noch hoog, breed, noch genoeg verlucht en verlicht is om er een huisgezin te laten in verblijven. Daarbij verwerken wij daar een soort vlas, dat overvloedig stof geeft. Als de wind niet goed zit, dan is het onmogelijk op tien mannen ver elkaar te zien; men herkent slechts elkaar aan het hoesten. Spreken kunnen sommigen niet meer als de werkuren geëindigd zijn. Het is waarlijk bedroevend om te zien, hoe wij mannen, nog in de bloei des levens, met de rug gebogen, 's avonds bijna naar huis kruipen, al hoestende en hijgende naar adem.“

De toestand van de hekelaars was eind 19e eeuw verre van rooskleurig. Daar de handweverijen langzamerhand werden vervangen door stoomfabrieken, waar men machinaal gesponnen garen gebruikt, werd te Graftdijk bijna geen hennep meer aangevoerd, waardoor velen zonder werk raakten.

Zie: Zeildoekweverij Zie ook: Economische geschiedenis geschiedenis 2.5.1.

  • hekelaars.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/03/21 06:16
  • door zaanlander