Oostzaan, 8 mei 1815 - Oostzaan, 25 juni 1887

Te Oostzaan woonde een visser, Gerrit Hottentot genaamd, een kloek gebouwde, fors gespierde man, die men het niet zou hebben aangezien, dat hij reeds 71 jaar telde. Hoewel hij het voor de broodwinning niet meer behoefde te doen, was vissen nog steeds één van zijn meest geliefde bezigheden en liefst vissen met verboden tuig. Nog maar kort geleden door de kantonrechter te Zaandam voor dergelijke overtreding veroordeeld, had hij echter weer fuiken met te kleine mazen te water gezet. Dat was de politie niet ontgaan. Nadat zij eerder op vrijdag 24 juni 1887 een vergeefse poging gedaan had, om Hottentot bij het lichten van de fuiken te betrappen, lukte het rijksveldwachter brigadier-titulair J. L. Smits en de gemeenteveldwachter Aaldert Albert Heinhuis, Hottentot in de morgen van zaterdag omstreeks half zeven, op heterdaad te betrappen terwijl hij zijn fuiken lichtte.

Na een tevergeefse poging om zich aan een bekeuring te onttrekken, deed Hottentot terwijl de veldwachters bezig waren de mazen van de fuiken te meten, met zijn zwaar gebouwde visboot naast het zeer ranke bootje van de politie, een poging om het lichte politievaartuig te kantelen. Dat lukte hem bijna, het bootje schepte water. De beide beambten sprongen echter over in de boot van Hottentot. Rijksveldwachter Smits viel bij het overspringen en werd onmiddellijk door Hottentot bij de keel gegrepen, en voordat hij zich kon oprichten, door Hottentot op de bodem van de schuit geduwd; tegelijkertijd greep Hottentot, over Smits heen reikende, met zijn nog vrije hand de gemeenteveldwachter Heinhuis, die nog slechts met één been in de schuit stond en worp hem achterover op een bank.

Heinhuis verweerde zich zoveel hij kon, maar in de houding, waarin de ijzeren vuist van Hottentot hem hield, kon hij zich niet los werken. Terwijl het hulpgeroep van de beambten op de eenzame plek niemand deed opdagen, greep Heinhuis ten laatste naar zijn revolver, waaruit bij volgens zijn verklaring, zonder zijn wapen te kunnen zien, veel minder te kunnen richten, achtereenvolgens twee schoten loste, terwijl bij het derde het wapen weigerde.

Aanvankelijk schenen die schoten geen doel getroffen te hebben, en bleven de drie mannen in het bootje worstelen. Al spoedig echter ontzonken de krachten aan Hottentot, waardoor de beambten zich eindelijk konden oprichten. Het bleek hen toen dat Hottentot gewond was. Dadelijk wendden zij de steven naar land, droegen de verwondde uit de schuit, en terwijl de één hem zoveel mogelijk hulp verschafte, ging de ander de geneesheer halen. Eer deze echter ter plaatse was, had Hottentot de laatste adem uitgeblazen.

Zonder verwijl gaf de burgemeester G. A. Swart kennis van het gebeurde aan de justitie. Reeds om 12:00 uur was de officier van justitie uit Haarlem, jbr. mr. Rethaan Macaré, ter plaatse, spoedig gevolgd door de rechter-commissaris mr. L. A. E. baron Sloet. Bij de lijkschouwing, die door de heren J. H. de Brouwer en J. A. Lodewijks, beiden geneeskundigen uit Haarlem, verricht werd, bleek, dat Hottentot door een revolverkogel was getroffen in de rechterborst tussen de tweede en derde rib, het kogeltje was diep in de borstholte doorgedrongen, had één der longen doorboord en een inwendige verbloeding doen ontstaan, die de dood tengevolge moest hebben. De richting van het wondkanaal bevestigde de waarheid van de verklaringen van de beide veldwachters.

De mare van het overlijden van de in zijn dorp populaire Hottentot deed in Oostzaan niet alleen grote verslagenheid, maar ook ernstige verbittering ontstaan, een verbittering, die zich uitte in bedreigingen tegen de als moordenaar nageroepen veldwachter. Heinhuis vond een schuilplaats in het raadhuis. 's Avonds werd het rumoeriger, en hoewel burgemeester, predikant en geneesheer de gemoederen tot kalmte trachtten te brengen, konden dezen niet beletten, dat er nu en dan ruiten van het gemeentehuis ingeworpen werden. De stemming van de bevolking was zo dreigend, dat, hoewel zes rijksveldwachters uit Zaandam en Amsterdam versterking ontvangen had, men het geraden achtte de bedreigde gemeenteveldwachter tijdelijk het dorp te doen verlaten. De toestand bleef intussen zeer gespannen, zodat men niet zonder enige zorg de dag van de begrafenis tegemoet ziet.

Toedracht

De afkeurende stem, die zich hier en daar liet horen tegen de veldwachter Heinhuis te Oostzaan, die Hottentot dood schoot, niettegenstaande twee gewapende veldwachters tegenover één oud man stonden, heeft de Officier van Justitie te Haarlem, mr. Rethaan Marcaré, aanleiding gegeven (in 't N. v. d. D.) te verklaren hoe de zaak zich — naar de voorstelling der veldwachters — heeft toegedragen:

,,Mijnheer de Redacteur,

In het hedenavond verschenen blad van Het Nieuws van de Dag wordt uw lezers medegedeeld, dat G. Hottentot, te Oostzaan, na in een woordenwisseling met twee veldwachters te zijn geraakt, door één van deze is doodgeschoten. Daarna worden de omtrent dit feit lopende geruchten medegedeeld, en daaronder ook het beweren, dat de veldwachters Heinhuis en Smits reeds vroeger onenigheid met de getroffene hadden gehad, terwijl zelfs het vermoeden uitgesproken wordt, dat de veldwachters onder de invloed van sterke drank gehandeld hebben.

Hoewel nu tegenover deze volgens u van vele kanten bevestigde lezing door u ook melding gemaakt wordt van de verklaring van anderen, die een voor de veldwachters veel gunstiger voorstelling van de zaak geven, kan ik het slechts betreuren, dat u de kolommen van uw veelgelezen blad opengesteld hebt voor de boven aangestipte zeer lelijke insinuaties. Vergun mij daarom U het volgende mede te delen.

De verslagen Hottentot was een bij zijn dorpsgenoten geliefd man, hetgeen intussen niet belette, dat hij dikwijls met verboden tuig viste. Op 25 april 1887 daarvoor door de veldwachters J. L. Smits en A. A. Heinhuis bekeurd, werd hij deswege op 4 juni 1887, door de Kantonrechter te Zaandam veroordeeld tot ƒ 1 boete of één dag hechtenis, met verbeurdverklaring van het ongeoorloofde vistuig en last tot vernieling daarvan.

Die veroordeling weerhield Hottentot niet om dezelfde overtreding opnieuw te begaan. Een paar dagen voor zaterdag 25 juni had hij, hoewel hij zeer wel wist dat hij zodoende in strijd met de wet handelde, wederom fuiken uitgezet met te kleine mazen.

Tegen dergelijke overtredingen te waken was de plicht van de rijksveldwachter-brigadier-titulair J. L. Smits en van de gemeente- tevens onbezoldigd- rijksveldwachter A. A. Heinhuis. Toen het hun op vrijdag 24 juni mislukt was Hottentot op de daad te betrappen, deden zij daartoe op zaterdag op nieuw een poging. Reeds te half vijf uur 's morgens begaven zij zich in een zeer rank, giekvormig schuitje naast de plaats, waar de fuiken gesteld waren. Zij bleven daar een paar uur, verscholen achter riet, wachtende totdat Hottentot kwam, die zonder hen te bemerken drie fuiken lichtte. Toen kwamen zij te voorschijn. Hottentot trachtte eerst te vluchten, hij kon met zijn betrekkelijk zware boot echter niet zo snel vooruitkomen als de veldwachters met hun licht, meer op dan in het water liggend bootje.

De mazen van de fuiken werden toen gemeten, en terwijl de veldwachters hiermede bezig waren, deed Hottentot onverhoeds een poging, om het bootje van de veldwachters te doen kantelen; ware hem dit gelukt, de veldwachters zouden vermoedelijk het leven er bij ingeschoten hebben. Wie met de moerassige bodem van Oostzaan bekend is, weet, hoe de betrekkelijke brede binnenwateren aldaar gevuld zijn met drijvende modder, waaruit zelfs de meest geoefende zwemmer zich nauwelijks redden kan.

Op levensbehoud bedacht, sprongen daarom de beide veldwachters over in het bootje van Hottentot, dat daardoor in sterk schommelende beweging kwam. Smits viel bij het overspringen en werd dadelijk door de zeer gespierde Hottentot bij de keel gegrepen en neer geduwd, waarbij hij beklemd geraakte tussen een bank en het zware lichaam van Hottentot, die zich inmiddels voorover gebogen en met zijn nog vrije hand Heinhuis, die nog geen vaste voet in de schuit had, achterover geworpen had.

„Onder het uiten van de woorden „nu zal ik jullie verzuipen; ge komt niet van deze plaats!“ trachtte Hottentot daarop Heinhuis overboord te werken. Terwijl hij hiermee bezig was, riep Smits, die het te benauwd kreeg, luid om hulp, terwijl Heinhuis Hottentot smeekte om af te laten, was het niet om zijnentwil, dan toch ter wille van Heinhuis' vrouw en haar vijf kinderen, „'t Kan me niet verdommen!” antwoordde Hottentot.

Onder die benarde omstandigheden riep Smits, die zich niet verroeren kon, Heinhuis toe, of hij geen revolver had. 't Gelukte Heinhuis, die zich met één hand aan de boot vastgeklemd hield, met de andere zijn revolver te grijpen, waaruit hij daarop, zonder te kunnen mikken, in de blinde twee schoten loste. Een daarvan trof Hottentot, die aanvankelijk voort bleef worstelen, maar wie spoedig de krachten ontzonken. De veldwachters brachten hem toen aan wal en riepen dadelijk hulp in. Eer deze kwam, was Hottentot overleden.

Zo luidt de voorstelling, die de veldwachters van het gebeurde geven. Een voorstelling, die door geen enkel feit werd weersproken, doch integendeel bevestigd door al wat tot nog toe bekend is, ook door de richting van het woudkanaal en door de toestand waarin de gescheurde en gehavende kleding der veldwachters zich bevindt. In die voorstelling is geen plaats voor het vermoeden, als zouden de veldwachters beschonken zijn geweest. Is ze juist, dan hebben de veldwachters hun plicht gedaan en waren zij volkomen in hun recht, om waar hun leven ernstig bedreigd werd, dit te verdedigen met de hun daartoe verstrekte wapenen.

Maar dan is het ook dubbel grievend voor hen, dat, waar zij ter handhaving van wettige verordeningen met levensgevaar opgetreden zijn, zij tenslotte nog gebrandmerkt worden als mannen in staat om slechts na een korte woordenwisseling een oud man dood te schieten; tot het koelen van een wrok (?) ontstaan uit vroegere onenigheden (?).

Uw rechtsgevoel, mijnheer de redacteur, zal daartegen voorzeker luid opkomen, en gij zult daarom geen bezwaar maken, om aan deze regelen een plaats in het eerstvolgend nummer van uw blad in te ruimen. Ten slotte een verzoek aan uw berichtgever en dan de sommigen, de anderen en de velen, waarvan hij gewaagt. Gelijk mijn plicht het mij voorschrijft, is het mij te doen om de waarheid te kennen; zo dan enige van hen kunnen verklaren, dat de voorstelling hierboven gegeven van de toedracht der zo noodlottig geëindigde zaak in enig opzicht onjuist is, laten zij dan daarvan dadelijk mededeling doen, hetzij aan de burgemeester, hetzij rechtstreeks aan mij.

Maar zolang men niet aantoont, dat de veldwachters de waarheid te kort doen, ontzeg ik aan ieder het recht, om, door een verkeerd geplaatst medelijden vervoerd, hetzij rechtstreeks, hetzij aarzelend en zijdelings een blaam te werpen op beambten, die in de rechtmatige uitoefening van hun plicht aangevallen, hun leven verdedigd hebben. Ware Hottentot in zijn opzet geslaagd, dan had wellicht niemand ooit geweten hoe Heinhuis en Smits te water geraakt en het leven verloren hadden.“

De Officier van Justitie te Haarlem, Reteaan Macaré.

Haarlem, 27 juni 1887

Oproerige bewegingen

Op 22 juli 1887 moest zich voor de arrondissementsrechtbank te Haarlem verantwoorden een zekere Jan Bakker, schippersknecht te Zaandam, voor zijn aandeel in de oproerige bewegingen, die op de 25sten juni 1887 te Oostzaan hebben plaats gehad. De aanleiding daartoe was het doden van de visser Hottentot door de gemeente veldwachter Heinhuis. Vooral 's avonds, toen een paar honderd man uit Zaandam en omstreken naar Oostzaan waren gekomen, ging het aldaar zeer levendig toe en hadden de uit Amsterdam en Zaandam gezonden rijksveldwachters veel moeite om de orde te bewaren.

Het brandpunt van de beweging was het raadhuis, waar Heinhuis zich voor de woede van het volk schuil hield. Bij die gelegenheid nu zou de beklaagde Bakker de burgemeester van Oostzaan, de heer Swart, die zich onder het volk had begeven om tot kalmte aan te sporen, hebben beledigd en bovendien de menigte hebben aangezet om het gemeentehuis in brand te steken en Heinhuis in stukken te snijden. De substituut-officier van justitie, mr. E.M. von Baumhauer, meende deze gelegenheid te moeten aangrijpen om te verklaren, dat het hoofdfeit van die dag niet aan het oordeel van de rechtbank zou worden onderworpen.

Een nauwkeurige instructie toch had aangetoond, dat de opgave van de politieagenten, dat zij ter zelfverdediging hadden gehandeld, volkomen waar was. Heinhuis had slechts gedaan wat hij doen moest, zodat iedere blaam, die op hem geworpen mocht zijn, ongerechtvaardigd was. De feiten, aan Bakker ten laste gelegd, werden volkomen bewezen geacht. Met het oog op de omstandigheden, waaronder zij waren gepleegd, meende hij veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf te moeten eisen. Dinsdag a.s. uitspraak.

Overgeplaatst

Bij de veranderingen in het personeel der Rijksveldwacht op 25 juli 1887 werd de veldwachter en onbezoldigd Rijksveldwachter A. A. Heinhuis overgeplaatst van Oostzaan naar standplaats Schoonhoven, als Rijksveldwachter 3e klasse.

De betrokken veldwachters te Oostzaan, die bij het te betreuren voorval rond de bekende Hottentot een rol speelden, zullen niet terechtstaan, daar op 27 juli 1887 gebleken is, dat zij uit wettige zelfverdediging gehandeld hebben.

Op 29 juli 1887 werd Jan Bakker, die na het gebeurde te Oostzaan met de visser Hottentot de menigte opruide, met als gevolg dat in het raadhuis de glazen werden ingeslagen, is door de Rechtbank tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld.

Door weduwe Trijntje Onrust van wijlen Gerrit Hottentot, die door de veldwachter Heinhuis te Oostzaan werd doodgeschoten, is op 3 augustus 1887 nader onderzoek in deze treurige zaak opgedragen aan Mr. J. J. Kappeyne van de Coppello, advocaat alhier, die tot het instellen van een civiele actie zou hebben geadviseerd.

  • hottentot_gerrit.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/03/20 00:44
  • door zaanlander