ontginning

Het huidige laagveengebied in de Zaanstreek ontstond als gevolg van laatmiddeleeuwse ontginning. Het bestond voordien uit een hoogveenpakket dat zich in de loop van vele eeuwen had gevormd. Dit hoogveen had het karakter van een met regenwater verzadigd, uitgestrekt en ondoor- dringbaar moeras, van waaruit het water naar de laagste delen wegstroomde, om via veenstroompjes naar het onbedijkte IJ te worden afgevoerd. De Zaan stond nog in open verbinding met de zee en de oevers waren hierdoor blootgesteld aan regelmatige overstroming. Het metersdikke hoogveenpakket vormde hiertegen een zekere buffer. Dit verklaart waardoor ontginning van het Zaanse land - die pas kon worden aangevat nadat in de grafelijke tijd (te beginnen in de 11e eeuw) dijken langs IJ en Zuiderzee waren opgeworpen - niet vanaf de Zaan is begonnen, maar dat deze juist plaats had vanuit het westen en oosten naar de Zaan toe. De ontginning geschiedde door het hoogveenmoeras te ontwateren. Daartoe groef men een groot aantal sloten en greppels, die afwaterden op de bestaande veenstromen en -stroompjes.

Aangezien de natuurlijke veenstromen overwegend noord-zuid liepen en de afwateringssloten haaks hierop werden gegraven, ontstond een fijnmazig slotenpatroon dat in hoofdzaak oost-west liep. Dit in de middeleeuwen ontstane slotenpatroon is, voorzover nog aanwezig, kenmerkend voor het Zaanse slagenlandschap.

Door de ontwatering van het hoogveen was akkerbouw (graanteelt) mogelijk. Naar zou blijken was dat slechts betrekkelijk korte tijd het geval, niet langer dan enkele honderden jaren. Het ontwaterde hoogveen klonk namelijk dramatisch in en onderging bovendien een proces van erosie. Hierdoor ontstond laagveen, waarop geen akkerbouw meer mogelijk was en dat lager gelegen was dan het omringende water, zodat bemaling noodzakelijk werd. De bodemdaling heeft in de loop der eeuwen enkele meters bedragen, volgens sommigen zelfs vijf à zes meter. Doorgaande bemaling veroorzaakt nog steeds enige klink. Over de ontginning die tot het huidige Zaanse landschap leidde, is uitgebreid gepubliceerd door dr. M.A. Verkade in 'Den derden Dach' (1982). Verwezen wordt ook naar dr. J.K. de Cock's 'Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag' (Arnhem 1980). Zie ook: Landschap 2.

  • ontginning.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/06/13 17:27
  • door wies