pettenbazen

Aan het eind van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw moleneigenaars die waren voortgekomen uit het molenpersoneel.

Vooral de pelmolens waren sinds de jaren '70 van de 19e eeuw vervangen door stoomrijst- en gortfabrieken. De eigenaars van deze bedrijven deden hun molens aan de kant. De meeste vielen in handen van slopers, een aantal kwam echter in bezit van de meesterknechts, die hun beroep trouw wilden blijven. Door hun patroon werden zij in staat gesteld op billijke voorwaarden moleneigenaar te worden. Zij waren daarbij voor de in- en verkoop van hun producten wel verplicht om wekelijks de beurs in Amsterdam te bezoeken en kleedden zich daartoe in hun “'opgnapperspak' met bijbehorende hoge zijden pet, op z”'n Zaans. Vandaar hun bijnaam.

Het werd de nieuwe moleneigenaars al snel duidelijk dat er met het pellen alleen geen behoorlijk bestaan meer te bereiken was. Zij zochten naar andere wegen en vonden een tijdlang een oplossing in het zogenoemde “'doppen malen'. Met speciale stenen vermaalden zij rijst-, gerst-, koffie- en/of cacaodoppen voor de verwerking in veevoer. Ook oliemolens werden met doppenstenen uitgerust, nadat ze in handen van een pettenbaas waren gekomen. Op den duur werd het werken met de windmolens steeds minder lonend. Een aantal pettenbazen hield de strijd tegen de armoede nog lang vol; uiteindelijk moesten zij - meestal uit onmacht om noodzakelijk geworden kostbare reparaties aan hun molen te doen uitvoeren - als ondernemers verdwijnen.

  • pettenbazen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/08/22 21:20
  • door wies