plichtbrandweer

Alle mannelijke bewoners, tussen bepaalde leeftijden (bv 18 en 40 jaar), waren in de Zaan-gemeenten onderworpen aan een dienstplicht bij brand. Zeker in de 2e helft van de 17 eeuw wanneer de slangenbrandspuiten in de gemeenten hun intrede deden was dit een algemene regel.

Hieronder als voorbeeld de verordening waarin artikelen zijn opgenomen voor de Plichtbrandweer van Assendelft in 1908.

In de “VERORDENING op de INRICHTING der BRANDWEER en de BEDIENDEN der BRANDSPUITEN in de gemeente ASSENDELFT”, welke door Burgemeester en Wethouders der gemeente Assendelft vastgesteld werd op 20 juni 1908 staan de volgende artikelen met betrekking op de Brandweer:

ART. 1.

In de gemeente zijn aanwezig zes brandspuiten, die in verband met hunne stationeering worden aangewezen als:
Spuit No.1 of Zuiderspuit
Spuit No.2 of Zaandammerpadspuit
Spuit No.3 of Kerkbuurtspuit
Spuit No.4 of Communicatiewegspuit
Spuit No.5 of Noorderspuit
Spuit No.6 of Nauernaschespuit

ART. 2.

Ter bediening dezer spuiten zijn de mannelijke ingezeten verplicht tot het leveren van persoonlijke diensten, volgens de regelen bij de navolgende artikelen gesteld.

ART. 3.

Behoudens de later te noemen uitzonderingen zijn tot dezen dienst aan de brandspuiten verplicht de mannelijke ingezeten van l8 tot 40 jaar. Voor het geval dat meer personen van dien leeftijd aanwezig zijn dan voor de bediening der brandspuiten noodig zijn, worden de oudsten vrijgesteld.

ART 4.

Van den dienst aan de brandspuiten zijn vrijgesteld:
a. de leden van het Gemeentebestuur
b. de rijks-, gemeente- en polderambtenaren voorzoover het vervullen van de hun als zoodanig opgelegde plichten het gelijktijdig verleenen van de gevorderde diensten niet toelaat
c. de geneeskundigen en hunne bedienden
d. de geestelijken en bedienden van erkende kerkgenootschappen
e. zij die door lichaamsgebreken ongeschikt zijn, desgevorderd te bewijzen door overlegging van een geneeskundige verklaring.

ART. 5.

Ieder dienstplichtige kan zich in den dienst door een plaatsvervanger doen vervangen, ten genoege van Burgemeester en wethouders, of zich van den dienst vrijkoopen tegen eene jaarlijkse betaling van f 5.- aan de gemeentekas, gedurende den verplichten diensttijd.

ART. 6.

Aanwijzing tot den dienst en ontheffing daarvan geschiedt jaarlijks, bij voorkeur in de week voor Pinksteren door Burgemeester en Wethouders in overleg met de kommandeurs der brandspuiten.

ART. 7.

De dienstplichtigheid gaat in op het oogenblik van het ontvangen eener aanstelling en eindigt met de intrekking daarvan. De aanstelling wordt door den veldwachter uitgereikt en vermeldt:
a. den naam of het nummer der spuit waaraan men is aangesteld
b. den aard van den dienst, welke door den aangestelde moet worden verricht.

ART. 8.

De oproeping tot den dienst der beproeving van den brandspuiten, welke plaats heeft zoo dikwijls dit door Burgemeester en Wethouders wordt noodig geacht, geschiedt door eene minstens drie dagen te voren gedane openbare kennisgeving. De oproeping tot dienstvervulling bij brand wordt geacht gedaan te zijn door klokgelui, bekkenslag en ieder ander gerucht van brand.

ART. 9.

Het personeel aan elke spuit bestaat uit:
1 kommandeur, 5 slanghouders, 3 kwartiermeesters, 2 lantaarndragers, 30 pompers verdeeld in 3 kwartiere, 1 haakdrager, 1 opzichter, 2 pijpleiders, 1 wekker.

ART. 10.

Het in artikel 9 genoemde personeel is verplicht op het eerste grucht van brand en bij excercitie de spuit waarbij het is aangesteld uit de bergplaats te halen, en bij den brand of bij de plaats voor de exercitie bestemd aangekomen,daar onmiddellijk aan te vangen met de werkzaamheden waarvoor hij is aangesteld, of met die welke hem door den kommandeur, den Burgemeester of die hem vervangt, worden pgedragen. Na de blussching van den brand is ieder verplicht de spuit in de bergplaats terug te brengen. Van de laatste bepaling kan de kommandeur vrijstelling verleenen.

ART. 11.

De kommandeur heeft in overleg met den Burgemeester of die hem vervangt het opperbevel over de spuit waaraan hij is aangesteld. Zijn onderscheidingsteeken bestaat in een rood geschilderden stok met vergulden knop. Bij afwezigheid wordt hij vervangen door den oudsten kwartiermeester in jaren.

ART. 12.

De kwartiermeester voert het bevel over eene afdeeling pompers en draagt zorg dat zijn manschappen steeds gereed zijn op hunne beurt de pomp van de voorgaande over te nemen.
Zijn onderscheidingsteeken bestaat in een zwarten stok met rooden knop.

ART. 13.

De pompers worden verdeeld in afdeelingen of kwartieren, die beurtelings tot de bediening der pomp zijn verplicht.

ART. 14.

De opzichters houden voortdurend toezicht op de goede behandeling der spuiten en het materieel. Het schoonmaken en in goede orde houden der spuiten in de bergplaatsen is mede aan hen opgedragen.

ART. 15.

Aan de wekkers is opgedragen op het eerste gerucht van brand in de hun aangewezen richting de spuitgasten op te roepen door het slaan op een bekken.

ART. 16.

De haakdragers begeven zich onmiddellijk naar de plaats waar de brand is uitgebroken en stellen zich aldaar met hunnen haak ter beschikking van den Burgemeester of die hem vervangt, om op diens bevel bij de omhaling van brandende gebouwen mede te werken.

ART. 17.

De lantaarndragers zijn alleen tot dienst verplicht wanneer tusschen zonsonder- en opgang een spuit in dienst is.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van den Raad der gemeente Assendelft, den 20 juni 1908.

  • plichtbrandweer.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/03/06 17:51
  • door gjschenk