pont_dirk_frans

Pont, Dirk Frans

Zaandam 4 april 1893 - Hilversum 14 februari 1963

Dirk Frans Pont, bankbeambte, voorzitter van de vereniging voor politiek, Protestant, later Rooms Katholiek, zoon van houthandelaar William Pont, NSB-lid maar geen antisemiet, Hauptsturmführer, nam in 1941 twee joden in dienst die door anti-joodse maatregelen hun baan hadden verloren, burgemeester van achtereenvolgens Uithoorn, Hillegom en Apeldoorn.

De door de bezetter gecontroleerde Nieuwe Apeldoornse Courant meldt de komst van een nieuwe burgemeester voor Apeldoorn op 8 december 1942:

Levensloop van Apeldoorns nieuwe burgemeester

Een nieuwbenoemde burgemeester dezer gemeente, dr. D. F. Pont, te Hillegom, geboren 4 april 1893 in Zaandam, stamt uit een oud Edams burgemeestersgeslacht. Van 1500 tot 1900 is steeds een lid van deze familie burgemeester geweest, meestal in Edam, doch ook in Medemblik en Alkmaar. Zijn vader was directeur van de N.V. Houthandel voorheen William Pont in Zaandam, welke thans door de enige broer van dr. Pont wordt gedreven. Tijdens zijn studie in de rechtswetenschappen aan de Leidsche universiteit was hij o.a. voorzitter van de vereniging voor politiek. In die kwaliteit schreef hij op verzoek van prof. dr. H. Krabbe een brochure over: Stemplicht. Op 16 december 1919 promoveerde hij. Na korte tijd als procuratiehouder en secretaris van de directie van de Amsterdamsche bank te Amsterdam te zijn geweest, is hij na enige maanden volontair op het Amsterdamse stadhuis geweest te zijn, in 1925 tot burgemeester van Uithoorn benoemd en in 1928 tot burgemeester van Hillegom. Het ambt van burgemeester bezit zijn grote voorliefde. In beide plaatsen heeft hij zeer veel werk verricht.

In Hillegom is uit erkentelijkheid een weg naar hem genoemd. Dr. Pont is op het gebied van watersport een bekende figuur. Hij had jarenlang een werkzaam aandeel in de voormalige koninklijke zeil- en roeivereniging en was voorzitter van de Nederlandsche motorbootclub. Hij behoorde tot de bemanning van het 6 meter jacht de Ruyter, dat o.a. in 1936 op de Olympische spelen te Kiel Nederland vertegenwoordigde. In 1935 deed dr. Pont dienst als voorzitter van een stembureau bij de volksstemming in het Saargebied. Dr. Pont, die uit een Protestantse familie stamt, is in zijn studententijd uit volle overtuiging tot het R.K. geloof overgegaan. Enkele dagen ma zijn aansluiting bij de NSB is hij 4 april 1937 ongevraagd eervol ontslagen als burgemeester van Hillegom. In 1937 is hij voor de NSB tot lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal gekozen. Wegens zijn aansluiting bij Nationaal Front stelde hij zijn zetel in de Eerste Kamer weer ter beschikking. Daarna heeft hij zich ruim een jaar als ambteloos burger aan historische studie gewijd. Na de ontbinding van het Nationaal Front is hij weer tot de NSB toegetreden. Op 1 januari 1939 werd dr. Pont benoemd tot directeur van de Nederlandse Houtbond en werd hij algemeen secretaris van de centrale houtinvoer-commissie, welke functies hij wegens zijn benoeming tot burgemeester van Apeldoorn heeft neergelegd.

In de vorige mobilisatie is dr. Pont vrijwilliger geweest. In 1922 heeft hij de militaire dienst als eerste luitenant verlaten. Vanaf 12 augustus 1941 heeft dr. Pont bij het Nederlandsche Vrijwilligers legioen gediend en hierin belangrijke functies bekleed. Bij zijn vertrek met bijzonder verlof in de vorige maand naar Nederland kreeg hij bericht voorgedragen te zijn voor de benoeming tot Hauptsturmführer. Dr. Pont bezit het Kriegsverdienstkruis met de zwaarden en de Rusland-medaille. Hij heeft het legioen verlaten, aangezien de Rijkscommissaris hem naar Nederland ontbood voor besprekingen, welke tot zijn benoeming van burgemeester van Apeldoorn hebben geleid. Dr. Pont is in 1920 gehuwd met mej. A.J.C.M. van Ogtrop, dochter van de bankier dr. H.J. van Ogtrop Hij heeft twee zoons en één dochter. De oudste zoon is als stuurman varende.

Een analyse van Harm Kaal, werkzaam aan de Radboud Universiteit in Nijmegen: Sinds de publicatie van Burgemeesters in oorlogstijd van Peter Romijn weten we dat deze burgemeesters niet simpelweg langs de goed/fout meetlat gelegd kunnen worden en dat ook het grijze perspectief geen adequaat beeld geeft van het burgemeestersambt tijdens de bezetting. Er was volgens Romijn sprake van grote verschillen tussen burgemeesters die, gevangen in het web van de bezetting, hun eigen afwegingen maakten: van (lijdelijk) verzet tot gewillige collaboratie en heel veel daartussen.

Een geval apart was volgens Romijn de burgemeester van Apeldoorn, Dirk Frans Pont, en aan hem is nu een biografie gewijd. Het boek is chronologisch van opzet en legt de lezer in 19, soms wel heel korte, hoofdstukken de merkwaardige levensloop van Pont voor. Pont was een typische carrièreburgemeester. Na een studie rechten in Leiden, inclusief de verwerving van een waardevol netwerk via het studentencorps, en een korte periode als volontair op een gemeentesecretarie trad Pont in 1925 aan als burgemeester van de kleine gemeente Uithoorn. Dankzij het familiekapitaal, verworven in de houthandel, kon Pont zich deze functie met een bescheiden bezoldiging permitteren. Het salaris was in ieder geval onvoldoende om de staat te voeren die bij het ambt hoorde. Van burgemeesters werd verwacht dat ze uit eigen middelen putten, bijvoorbeeld voor de aanschaf en inrichting van een representatieve ambtswoning.

In zijn korte periode in Uithoorn traden direct de eigenschappen naar voren die ook zijn verdere carrière zouden tekenen. Pont was een autoritaire, bemoeizuchtige bestuurder, een querulant die conflicten opzocht, maar tegelijkertijd vol overgave de belangen van zijn gemeente behartigde. Zoals het een carrièreburgemeester betaamde verruilde hij Uithoorn al snel voor een nieuwe, wat grotere gemeente: Hillegom. De volgende logische stap zou het burgemeesterschap van een stad van enige omvang zijn geweest, maar zover kwam het (nog) niet.

Pont, van huis uit liberaal maar door zijn huwelijk tot het katholicisme bekeerd, gaf tijdens zijn Hillegomse jaren steeds nadrukkelijker uiting aan zijn autoritaire opvattingen. In redevoeringen hekelde hij het wanbeheer der parlementaire democratie, pleitte voor éénhoofdige leiding en prees de verworvenheden van het fascisme en nationaal-socialisme in Italië en Duitsland. Toen de RKSP niet vatbaar bleek voor zijn denkbeelden volgde in 1937 de overstap naar de NSB en daarmee ook ontslag uit zijn ambt als burgemeester. Pont was op dat moment al meerdere keren in opspraak geraakt en in Den Haag uit de gratie gevallen.

Ook binnen de NSB ontpopte Pont zich niet als een volgzame figuur. Hij raakte in conflict met Mussert die in zijn ogen veel te slap optrad tegen Rost van Tonningen en zegde zijn partijlidmaatschap al snel weer op. Vroeg in de bezetting werd Pont gepolst voor een burgemeestersambt, maar hij koos voor een onzeker avontuur als lid van het Vrijwilligerslegioen Nederland dat zij aan zij met de SS aan het oostfront tegen de Russen ten strijde trok.

Bij terugkomst in Nederland in 1942 kon hij opnieuw kiezen uit een aantal burgemeestersposten en nu hapte hij wel toe. Voor Pont was zijn benoeming tot burgemeester van Apeldoorn naast eerherstel ook een promotie die binnen de oude orde, gezien de weerstand die hij tijdens zijn burgemeesterschap van Hillegom had opgeroepen, onwaarschijnlijk was geweest.

Als burgemeester van Apeldoorn bleek Pont, inmiddels weer tot de NSB toegetreden, opnieuw een eigenzinnige bestuurder die niet van plan was zich de wet te laten voorschrijven, noch door de NSB, noch door de bezetter. Van de kant van de NSB werd hem een gebrek aan bezieling voor de nationaal-socialistische zaak verweten en ook de Duitse autoriteiten hadden weinig vertrouwen in Ponts houding.

Onder meer zijn persoonlijk secretaris en een wethouder, beiden NSB-ers, deden bij Mussert en de bezetter hun beklag over zijn contacten met Oranjegezinden en zijn gebrek aan geloof in de Endsieg. Pont ontleende echter enige status aan de rangen en onderscheidingen die hij aan het oostfront had verworven en wist zich dan ook te handhaven.

Pont bleef tot de bevrijding op zijn post en werd na de oorlog tot drie jaar internering veroordeeld. Het beeld dat uit de biografie van Pont oprijst, is dat van een roekeloze man die de consequenties van zijn daden niet leek te overzien. Zijn besluit om toe te treden tot de NSB, ook al was het lidmaatschap van deze partij onverenigbaar verklaard met het burgemeestersambt, en zijn vertrek naar het oostfront, dat hem van alle kanten werd afgeraden, zijn hier voorbeelden van.

Dat zijn onbezonnenheid een wezenstrek was, blijkt ook uit het feit dat Pont meerdere malen wegens roekeloos rijgedrag voor de rechtbank moest verschijnen. Het schrijversechtpaar De Roos, waarvan de vrouwelijke helft ervaring heeft als burgemeester, ontwijkt in deze biografie bekwaam de klippen van het eenzijdige goed/fout perspectief op de burgemeester in oorlogstijd. Een nadere duiding van zijn optreden tegen de achtergrond van het door Romijn uitgevoerde onderzoek ontbreekt echter helaas: was Pont nu wel of niet een geval apart?

Als notoire ruziezoeker past Pont goed in het profiel van veel NSB-burgemeesters, maar zijn eigenzinnigheid in oorlogstijd, die hem conflicten met de NSB en de bezetter opleverde, maakte hem toch tot een vreemde eend in de bijt. De auteurs lijken, gezien de inleiding van amper twee pagina’s, ook niet de ambitie te hebben hun boek in te bedden in de allerlaatste historiografische inzichten. Dat neemt niet weg dat hun studie naar de bijzondere levensloop van Pont een lezenswaardige biografie heeft opgeleverd.

Lees meer over Moed en overmoed. Een biografie van burgemeester Dirk Frans Pont (1893-1963) door Jan de Roos en Thea de Roos-van Rooden. (Hilversum: Verloren, 2010, 219 p., ISBN 978 90 8704 184 7).

  • pont_dirk_frans.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/03/07 13:33
  • door zaanlander