ruimtelijke

Ruimtelijke Ordening (RO) wordt gede?nieerd als het van overheidswege bewust ingrijpen in maatschappelijke ontwikkelingen meteen ruimtelijke dimensie. RO is gericht op het onderling afwegen en coördineren van die ontwikkelingen en ze loopt uit op het leggen van bestemmingen en het regelen van het gebruik van de grond (Th.G. Drupsteen, Ruimtelijk bestuursrecht deel 1. Samson, Alphen aan de Rijn, 1983). Belangrijke elementen zijn dus het initiatief van de overheid, de doelgroep samenleving en het onderwerp ruimte. RO is een taak waar de overheid zich al heel lang mee bezighoudt. Aanvankelijk vond RO plaats in samenhang met andere beleidsterreinen, waar de overheid actief in was (bijvoorbeeld de zorg voor de defensie en de brandveiligheid van dorpen en steden). In de Woningwet van 1901 werd de eerste wettelijke basis gelegd voor RO. Het belangrijkste doel van de Woningwet was het scheppen van waarborgen voor de kwaliteit van het gebouwde. Op deze manier konden slechte woonomstandigheden en de daarmee gepaard gaande slechte volksgezondheid bestreden worden. Op grond van de Woningwet moesten gemeenten een bouwverordening vaststellen. Hierin stonden voorschriften met betrekking tot bouwtechnische kwaliteit, plaatsing. uiterlijk van bouwwerken e.d.. De gemeenteraad kreeg de mogelijkheid het (her)bouwen van gebouwen op gronden die in de naaste toekomst bestemd waren voor de aanleg van openbare wegen, pleinen en grachten te verbieden. Hierdoor kon de breedte van straten en paden worden geregeld. Met name in de oude woonbuunen van Zaandam, Krommenie en Wormerveer is op een aantal plaatsen goed te zien of deze van vóór of van na de inwerkingtreding van de woningwet zijn. Straten die breder zijn dan 10 meter zijn doorgaans van na 1901. In een aantal zogenaamde rooilijnen-voorschriften, die met name in Zaandam nog gelden, is deze invloed nog duidelijk merkbaar. Met de wijziging van de Woningwet in 1921 kregen gemeentebesturen de bevoegdheid de bestemming van grond en de aard van de bebouwing in hoofdzaak te bepalen. Als een bouwplan in strijd was met het uitbreidingsplan, moest de bouwvergunning worden geweigerd. ln 1931 werd de wet opnieuw gewijzigd. In dat jaar onstond “de regeling der bebouwing en der bestemming van gronden. Hierin werd een onderscheid gemaakt tussen plannen in hoofdzaak en plannen in onderdelen. Aan deze plannen konden bebouwingsvoorschriften worden verbonden. Anno 1990 is in Zaanstad nog steeds een aantal van dit soort plannen in beperkte mate van kracht. Een voorbeeld: het “Uitbreidingsplan gemeente Zaandam` van 1930, dat onder andere geldt voor Het Eiland in de Voorzaan waar voorheen de grote houthandelsbedrijven gevestigd waren. In de jaren `30 is in de Zaanstreek begonnen met het meer planmatig ontwikkelen van grotere uitbreidingsgebieden. Deze betroffen zowel wonen, werken als recreeren. (zie de kaart van de Zaanstreek van J. Diederich, 1941). Enkele voorbeelden van plannen: het “Uitbreidingsplan benoorden de spoorlijn Zaandam-Uitgeest` van 1933 in Krommenie en het “Uitbreidingsplan gemeente Zaandijk` van 1934. Plannen in hoofdzaken en in onderdelen vinden we terug in het “Uitbreidingsplan in hoofdzaak, Westzaan, 1953 en het “Uitbreidingsplan in onderdelen, Krommenie, 1955. Op interlokaal niveau werd in 1931 de mogelijkheid geopend voor gemeenten tot het vaststellen van streekplannen. In 1941 werd deze bevoegdheid overgedragen aan de Provinciale Staten. Na een lange voorbereiding werd in 1956 een ontwerp Wet op de Ruimtelijke Ordening bij de Tweede Kamer ingediend. Pas in 1965 na vele wijzigingen - trad deze wet in werking. In de nieuwe wet werden de mogelijkheden aangegeven van: nationale facetplannen, provinciale streekplannem en de burger rechtstreeks bindende gemeentelijke bestemmingsplannen. In de jaren `70 werd de rol van de rijksoverheid in de RO steeds groter. Instrumenten voor het rijk van de RO zijn bijvoorbeeld de zogenaamde planologische kembeslissing (PKB) en de bevoegdheid van de minister (die RO in zijn portefeuille heeft) om (verplichtende) aanwijzingen te geven aan zowel provincies als gemeenten. Van deze laatste bevoegdheid wordt in de praktijk maar op beperkte schaal gebruik gemaakt. ln 1985 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verder aangepast om de plannen flexibeler en de procedures korter te maken. Met name de introductie van het globale eindplan heeft veel stof doen opwaaien. Discussies in vakkringen over de mogelijkheden en beperkingen en de voor- en nadelen van deze planvorm zijn nog steeds gaande. In de Zaanstreek wordt deze planvorm nog niet gebruikt. Tegelijk met de WRO-wijziging van 1985 is een nieuwe wet in werking getreden: de Wet op de stads- en dorpsvemieuwing (WSDV). Deze wet biedt de gemeenten extra mogelijkheden in de RO van de bestaande buurten: de leefmilieuverordening (LMV) en het stadsvemieuwingsplan. Op grond van de WRO staan de gemeenten twee planvormen ter beschikking: het structuurplan en het bestemmingsplan. Alleen voor het gebied dat niet tot de bebouwde kom behoort en in enkele bijzondere situaties ( bijvoorbeeld beschermde stads- of dorpsgezichten) bestaat een verplichting tot het vaststellen van een bestemmingsplan. Naast het instrumentarium uit de WRO speelt in het gemeentelijk planologisch beleid ook de bouwverordening op basis van de Woningwet een belangrijke rol bij het verlenen van bouwvergunningen. In de jaren '90 zijn met name de volgende instrumenten in de RO van belang voor de Zaanstreek. - Plannen in hoofdzaken voor de bebouwde kommen uit de jaren `30. Sommige gelden thans nog (bijvoorbeeld voor de bebouwde kom Zaandam). - De Zaanstreek kent twee streekplangebieden (door Provinciale Staten vastgesteld): Streekplan Waterland (hierin vallen onder andere Wormerland en Oostzaan) en Streekplan Amsterdam en het Noordzeekanaalgebied (Zaanstad valt in dit plangebied). - De Structuurschets voor Zaanstad 1981 bevat een beleidskader, waarin de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op de wat langere termijn worden weergegeven. Voor Oostzaan geldt een soortgelijk plan, dat de formele status van structuurplan heeft. -Bestemmingsplannen uit de jaren '50 tot nu voor zowel de landelijke als de stedelijke gebieden. -Leefmilieuverordeningen (LMV`s). Op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing kunnen gemeenten leefmilieuverordeningen vaststellen om ongewenste ontwikkelingen in bestaande buurten tegen te gaan. Deze LMV`s gelden korter dan bestemmingsplannen. ln Krommenie-Oost geldt een LMV. -De Bouwverordening. Als er geen bestemmingsplan geldt, zijn de regels van de Bouwverordening volledig van kracht. Als over een bepaald onderwerp niets is geregeld in het geldende bestemmingsplan, dan kunnen in aanvulling op het bestemmingsplan de voorschriften van de Bouwverordening werken. -De plannen die verder ontwikkeld gaan worden in het kader van het Zaanoeverproject en het Zaancentrum. F. Bakker

  • ruimtelijke.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/04/23 14:47
  • (Externe bewerking)