Op 18 juli 1941 benoemde NSB-burgemeester Van Ravenswaay een vierde NSB-wethouder, Arie Zuidervliet. Vanaf 1932 was Zuidervliet directeur van de gemeentelijke handelsdagschool in de Zeemansstraat, sinds 1933 NSB-er en vader van de Zaanse NSB-kringleider G.M. Zuidervliet die in het najaar bovendien tot leider van de distributiedienst en directeur van de sociale dienst van Zaandam was opgeklommen. In laatstgenoemde kwaliteit dwong hij sociaal-gesteunden samen met NSB-ers voor Winterhulp te collecteren.

Eerder werd in deze periode een groot aantal NSB-ers ambtelijk bij de gemeente aangesteld die tevens tot het politiecorps doordrongen. Ook in het openbaar onderwijs en in de colleges van toezicht op onderwijsinstellingen verschaften NSB-ers zich een vooraanstaande rol. Het stichtingsbestuur van de centrale ambachtsschool zag twee NSB-ers in haar midden verschijnen zoals kringleider Zuidervliet, nadat de gemeente gedreigd had met intrekking van subsidie. De NSB nam een half jaar na de februaristaking het gemeentebestuur van Zaandam over.

In de collegevergadering van 9 oktober 1941 vroeg verantwoordelijk NSB-wethouder Arie Zuidervliet aandacht voor ‘het vraagstuk van de joodse leerlingen’. In eerste instantie had hij geprobeerd om de scholieren uit het lager en middelbaar onderwijs op één plek te verzamelen, maar dat mocht niet. ‘Een voorstel om ze onder te brengen in een leeg lokaal van een school in de Parkstraat werd door de Duitse instanties afgewezen’, vertelde Zuidervliet. Hij had echter een alternatief voorhanden. De oudere leerlingen konden zoals bekend naar Amsterdam, de jongere bleven in hun woonplaats.

Om aan hen onderdak te bieden had het gemeentebestuur de keuze uit twee locaties: het gebouw voor Christelijke Belangen aan de Botenmakersstraat 16 en dat van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen aan de Czaar Peterstraat 1. De onderwijswethouder koos voor een lokaal in het laatste pand, ten bedrage van f 600,- ’s jaars. De gemeente moest zelf voor verwarming zorgen, waarbij dan nog kosten kwamen voor het maken van een schoorsteen, aldus de B&W-notulen van 17 oktober. In het ‘Nutsgebouw’ werden wel vaker leerlingen van andere scholen ondergebracht, bijvoorbeeld omdat Duitse soldaten tijdelijk beslag legden op klaslokalen.

In totaal kregen de nieuwbenoemde onderwijzers te maken met een stuk of tien leerplichtige kinderen uit Zaandam. Wethouder Zuidervliet telde begin oktober 1941 nog 26 leerlingen. Waarschijnlijk rekende hij de ‘halfjoodse’ scholieren mee, maar in de gevallen dat hun joodse vader of moeder niet godsdienstig was mochten de kinderen tussen hun oude klasgenoten blijven zitten.

Vreemd genoeg is nooit beschreven op welke plek deze joodse Zaankanters terechtkwamen nadat hen de toegang tot hun eigen klassen was ontzegd. Het antwoord op de vraag waar zij werden afgezonderd van hun vertrouwde omgeving is te vinden in de nog altijd niet openbare college-notulen. Zie: Tweede Wereldoorlog 3.

  • zuidervliet.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/12/21 09:27
  • door zaanlander