baksteen

Metselsteen. Bakstenen werden direct van de fabriek gekocht. Ze werden voorgeschreven in de bestekken, die dan meestal de kwaliteit (hardheid) en de herkomst vermeldden. De kwaliteit werd bepaald door de plaats die de gevormde stenen in de ovens hadden. Des te dichter bij het vuur, des te harder en intenser van kleur ze waren.

Men onderscheidde de kwaliteiten van zacht naar hard onder andere als volgt: dek- of schuimlaag, welboord, rood in de volgende onderverdelingen: keurrood, walrood, bestrood en appelbloesem; vervolgens: grauwe steen, al naar de plaats van herkomst onderverdeeld in:

  1. boeregrauw, gemeen grauwe en best grauwe.
  2. ondergrauwe, boeregrauw, bovengrauw, walgrauw, rijngrauw en loosjesgrauwe.
  3. hardgrauwe, gemeengrauwe en best gevelgrauwe.

De hardste stenen waren klinkers, onderverdeeld in grijze, grote stadsvlakke, kleine stadsvlakke, regenbak, blauwe gevel, grijze gevelklinkers. Bij de beoordeling speelden de klank en het vlakzijn mee in de kwaliteitsbepaling, vooral in die gevallen waar ze voor het zichtbare gevelwerk werden toegepast. Ook bepaalden de plaatsen van herkomst vaak de keuze van de bouwmeesters en bouwheren. Niet alleen vanwege de kwaliteit, maar vooral ook vanwege de afmetingen en de kleurnuances. Deze laatste waren nl. sterk afhankelijk van de gebruikte kleisoorten, die roodbakkend dan wel geelbakkend kon zijn. Streken waar (in het begin van de 19de eeuw stenen vandaan kwamen waren:

  1. de provincie Utrecht, de Vechtstreek. In het bestek van het rechthuis te Westzaan (1780) worden genoemd Vegtse of Lekse moppen voor de fundering, beste Vegtse vlakke grijze harde klinkerts voor het trasraam en Vegtse grauwe moppen voor het gevelwerk.
  2. langs de grote rivieren Waal, Maas, Rijn en Lek.
  3. langs de oude Rijn, omgeving Woerden en Leiden, meestal aangeduid als Leydsche steen.
  4. langs de Hollandse Ussel, aangeduid als Goudsche steen.
  5. langs de Gelderse Ussel, in de nabijheid van Zutphen.
  6. uit het noorden van Friesland en Groningen, waarbij de eerste geelbakkende klei had en de tweede roodbakkende.

Ook ten oosten van Alkmaar hebben bij Oudorp, Koedijk en Rustenburg vanaf de 14de eeuw tot in de 17de eeuw steenbakkerijen gestaan. In de Zaanstreek zijn aan oude gebouwen tot nu toe geen bakstenen van het (klooster)moppen formaat aangetroffen, zoals elders in NoordHolland wel het geval is geweest. In de 13de en de 14de eeuw werd hier nog niet in of met steen gebouwd. Wat niet wil zeggen dat er helemaal niet gebouwd werd. Het aanleggen van de dijken en de Dam in de Zaan en het begin van ontginningswerken zullen veel onderkomens hebben gevergd. Men mag aannemen dat de huizen toen nog steeds op dezelfde wijze werden gemaakt, zoals honderden jaren voor deze eeuwen, nl. met gevlochten en later wellicht met houten wanden. Daarbij stonden de huizen dan niet op gemetselde poeren, maar werden op skeletstijlen in de grond geplaatst. De huizen werden wel op een enigszins verhoogd terrein neergezet. Men kan aan de afmetingen van bakstenen alleen niet de ouderdom van een gebouw aflezen. Elke fabriek (streek) had zo zijn eigen steenformaten. In de 16de, 17de en 18de eeuw zijn bakstenen van velerlei afmetingen, hardheid en kleur in de handel geweest.

Literatuur:

  • J. Hollestelle, De steenbakkerij in de Nederlanden tot omstreeks 1560; Assen 1961.
  • H. Janse, Bouwers en bouwen in het verleden; Zaltbommel 1965.
  • J.P. Geus, Steenfabricage in westelijk Westfriesland, tijdschrift Holland, Augustus 1979.

Bron: Anno 1961, nr 71, Bouwkundig alfabet

  • baksteen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/05/26 11:22
  • door jan