beschilderde

Wandbekleding, ontstaan als laatste fase van het 18e-eeuwse streven om met textiel de behaaglijkheid binnenshuis op te voeren. Men wenste daar in het koude jaargetijde niet meer dik gekleed te gaan, daarom verving men de slecht brandende schouw door de smuiger, daarom ook werden tegen de betegelde wanden vaak houten beschietingen aangebracht tegen de kou. Maar het oog wilde meer: de houten kamerwanden werden met beschilderd doek bespannen. Dit kamerhoge doek was in Amsterdam te koop. Het werd ook in geplamuurde staat aangeboden, zodat het door anderen en ter plaatse kon worden beschilderd.

In de eenvoudigste vorm werden de motieven met stempels en sjablonen op het doek aangebracht. Dit was vooraf van een fond-kleur (achtergrond-kleur) voorzien. Bepaalde bloemmotieven kleurde men daarna met de hand in. Resten van zulk eenvoudig beschilderd behang zijn gevonden in de koopmanshuizen De Mol en Het Noorderhuis (beide thans aan de Zaanse Schans). De fond-kleur was lichtblauw, waarop in donkerblauw de motieven waren gestempeld en gesjabloneerd. Konden deze behangsels, met een zich herhalend patroon, nog tegen relatief lage kosten worden vervaardigd, anders lag het met die waarop figurale voorstellingen werden geschilderd. Deze doeken werden in de stad in ateliers vervaardigd door gildebroeders, die zich speciaal op het maken van figurale plafond- en wandschilderingen toelegden. In de Amsterdamse grachtenhuizen met hun hoge vertrekken kwamen ook de beschilderde plafonds goed tot hun recht. Bij de veel lagere kamers in de Zaanstreek was dit niet het geval, hier werden alleen de wanden met beschilderd behang bespannen. Deze met de hand beschilderde behangsels waren zeer kostbaar.

Dat een aantal Zaankanters zich deze luxe permitteerde, werd wellicht veroorzaakt doordat ten gevolge van economische neergang aan het eind van de 18e eeuw de vraag naar beschilderde behangsels in de steden was verminderd. Daardoor ontstond er werkloosheid en armoede onder de behangselschilders, waarbij hevige concurrentie de prijzen drukte. Om de werkloosheid tegen te gaan, richtte de doopsgezinde koopman Cornelis Ris in Hoorn de 'Vaderlandsche Maatschappij van Rederij en Koophandel ter Liefde van het Algemeen` op (1777). Behalve dat men vrouwen en kinderen gebreide goederen liet vervaardigen, werd ook een werkplaats gesticht waar werkloze behangselschilders hun arbeid konden blijven verrichten. In het pand Binnenluyendijk 3 te Hoorn werd een toonzaal ingericht. Daarnaast reisden vertegenwoordigers het land af met een map met voorbeelden. Zij kwamen ook bij de Zaanse kooplieden. De behangsels vonden uit Hoorn verder hun weg in Noord- en Zuid-Hollland, Friesland, Groningen en tot in Oost-Friesland toe.

Beschilderde behangsels in de Zaanstreek

Beschilderd behang. Een der vakken in het voormalige gemeentehuis, Lagedijk 104 te Zaandijk

Van de vijf beschilderde behangsels die na de Tweede Wereldoorlog nog in de Zaanstreek aanwezig waren, is het behang uit het pand Kerkbuurt 7 te Westzaan halverwege de jaren '80 verwijderd. De voorstelling op dit behangsel, een arcadisch landschap, ging als een panorama in de hoeken van de kamer door over de andere wanden. Boven de toegangsdeur bevond zich een schildering in grisaille (= schilderwerk waarbij alleen grijze tinten zijn aangebracht). Deze behangsels, die mogelijk onder meer de buitenplaats Rupelmonde aan de Vecht weergeven, zijn afkomstig uit een pand aan de Amsterdamse Herengracht en oorspronkelijk rond 1797/1798 gemaakt in opdracht van de rijke Amsterdamse graanmakelaar Stephanus de Clercq. Hij was ooit bezitter van Rupelmonde. Ze zijn thans in bezit van een antiekhandel in Oss en zijn daar onderdeel van het interieur. Van de overige vier behangsels bevinden zich er drie in Zaandijk en één in Krommenie.

Het eerste is te zien in het pand Lagedijk 80, tegenwoordig Honig Breethuis (voorheen Zaanlandse Oudheidkamer). Op alle wanden van de voorkamer is een bijzonder heldere panoramische voorstelling aangebracht, een landschap met bos- en watergezichten dat uitstekend harmonieert met de oudrose beschilderde betimmering. Het is gesigneerd en gedateerd: Wm Uppink 1830. Ook hier zijn mythologische voorstellingen in camee-imitatie boven de deuren en de Bedstede aangebracht. Willem Uppink (1767 - 1849) was een Amsterdamse kunstenaar die meer behangsels heeft gemaakt. Ook heeft hij enkele portretten en verder landschappen gemaakt. Daarnaast werkte hij tussen 1803 en 1805 mee aan een zeer vroeg en thans verdwenen panorama van Amsterdam, samen met de eveneens Amsterdamse kunstenaar Cornelis de Kruijf.

Honderd meter noordelijker in Zaandijk, op Lagedijk 104 (een in 1752 gebouwd koopmanshuis, van 1852 tot 1974 in gebruik als raadhuis), is beschilderd behangsel aanwezig, net als in Lagedijk 80. In het voormalige raadhuis bestaat de schildering, onderbroken door ramen en deuren, uit dertien vakken, waarop voorstellingen van rivieren met langs de oever buitenplaatsen, tuinhuizen, bos- en dorpsgezichten. Deze voorstellingen konden niet gelokaliseerd worden, behalve die op een klein paneel dat met enige zekerheid het dorp Twisk voorstelt. Boven de deuren en op de schoorsteenboezem zijn schilderingen in grisaille aangebracht. De laatste stelt de muze Terpsichore voor, toepasselijk voor een 'best-end' waarin werd gemusiceerd en waar familiefeestjes werden gehouden. De schitterende reeks schilderingen wordt toegeschreven aan de hiervoor genoemde Hoornse behangselfabriek en kan omstreeks 1806 worden gedateerd.

Even verder, in Lagedijk 110 (vóór de splitsing 110/112), zijn eveneens beschilderde behangsels aanwezig, ook hier in vakken verdeeld. Ze stellen bosgezichten voor, spaarzaam met boeren en boerinnen gestoffeerd, met op de achtergrond een glooiend landschap. Ook deze fraaie schilderingen zijn het werk van Wm Uppink; ze zijn gesigneerd en gedateerd 1832 (dit correspondeert met de Empire-stijl waarin het huis en de binnenbetimmering zijn opgetrokken). Over het beschilderd behangsel in de voorkamer van Noorderhoofdstraat 26 te Krommenie bestaat goede informatie. In 1825 liet de zeildoekreder Jan van Leyden zijn huis moderniseren en de voorkamer verfraaien. De opdracht werd uitgevoerd door de eerder genoemde 'Vaderlandsche Maatschappij' en volgens de bewaard gebleven rekening (26-02-1826) is voor 80,5 el beschilderd behang inclusief het helaas verdwenen schoorsteenstuk, 236 gulden en zes stuiver betaald.
Het is een panoramische schildering, slechts onderbroken door de schoorsteenboezem, die doorliep over de toegangsdeur en de beide kastdeuren. De voorstelling gaat van een bebost duinlandschap over in kronkelende rivieren met zeilschepen en vissers. Deze motieven zijn terug te vinden op de schetstekeningen waarmee de handelsreizigers de boer op gingen. Ze zijn niet geheel nagevolgd; op verzoek van de klanten werden namelijk dikwijls veranderingen aangebracht. In verschillende andere panden in de Zaanstreek zijn fragmenten van beschilderde behangsels aangetroffen.

Zo zijn in het zojuist behandelde pand Noorderhoofdstraat 26 nog twee oudere schilderingen (met walvisvaarders) gevonden, waarschijnlijk beide afkomstig uit een gang met getoogd plafond. In 1983 trof men in het pand Dam 34 te Zaandam achter het behang resten van beschilderd behangsel aan. Opmerkelijk is dat de voorstellingen van landouwen, bossen en duinen alle een vredige sfeer ademen. Er is geen enkele reflectie van de tijdgeest, noch van de strijd om het bestaan in die dagen, noch van de Franse revolutie.

J. Schipper, arch. BNA

  • beschilderde.txt
  • Laatst gewijzigd: 2017/05/26 11:25
  • door jan