beschoeiing

Door palen gesteunde houten of betonnen wand langs het water, om de oever te beschermen tegen afkalving, uitspoeling en/of instorting. Van oudsher zijn de meeste buitendijkse erven en terreinen langs de Zaan van een beschoeiing voorzien. In het verleden waren paalwormen (teredo) bedreigend voor onder meer de schoeiingpalen in de Zaan, tegenwoordig worden de waterkeringen zwaar op de proef gesteld door de voortdurende zuiging en golfslag ten gevolge van de toegenomen grootte en vaarsnelheid van de schepen in de beroepsvaart.

In toenemende mate worden voor beschoeiingen harde houtsoorten gebruikt, zoals het tropische basra locus. De toepassing van gewapend beton is aanzienlijk toegenomen, hoewel ook betonschoeiingen van tijd tot tijd onderhoud vergen. In de polders werden door de boeren soms de koppen van het land met lichte en lage “kikkerschoeiingen, tegen afkalving beschermd; de meeste akkers zijn echter onbeschoeid. Anders was (en is) dat binnen de bebouwing. Waar de paden aan een sloot waren gelegen of de dorpsstraat vlak langs de zogenoemde wegsloot liep, werd dikwijls een beschoeiing aangebracht, die het “uitzakken” van de straat naar de slootkant tegenhield.

Zo werd in Zaandijk de wegsloot langs de Lagedijk beschoeid (1806). Het onderhoud van de beschoeiingen was een permanente bron van zorg. Verscheidene timmerbedrijfjes hadden één of enkele timmerlieden in dienst, die zich uitsluitend met dit onderhoud bezighielden. Toen het verkeer toenam en men de wegsloten ter verbreding van de (voordien zeer smalle) rijwegen wilde dempen, was er enige tegenstand. De voorstanders gebruikten onder meer het argument dat onderhoud en op gezette tijden vernieuwing van de beschoeiing door de demping zou komen te vervallen.

  • beschoeiing.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/01/25 17:01
  • door corrie