Breda, 24 september 1870 - Hilversum, 12 februari 1934

Burgemeester Cluysenaar wilde zich nooit laten fotograferen, hier is hij gesnapt door Henk Zwart uit Krommenie in zijn karakteristieke houding met hand aan de hoed bij de brand aan de Zaanweg op 2 april 1928.

Theodoor Cluysenaer, liberaal, volgde in Wormerveer burgemeester Eijzinga op van 5 maart 1914 tot 1934, 20 moeilijke jaren gedurende de Eerste Wereldoorlog en de crisisjaren. Cluysenaer was eerder secretaris van Borculo in 1896, burgemeester van Adorp (1997-1899), van Borculo (1899-1907) en van Alblasserdam (1907-1914). Zijn opvolger werd de ooit door de Führer gedecoreerde Dirk Gerrit Draayer die na twee jaar vertrok.

Een opvoering van het Zaandijks Revue-gezelschap is in januari 1929 door burgemeester Cluysenaer van Wormerveer verboden. De auteur, Klaas Smit, had in 'Zo is de Zaan' het optreden van de marechaussee uit Wormerveer op de hak genomen op een manier die volgens Cluysenaer niet door de beugel kon. Zijn ingrijpen veroorzaakte destijds veel opschudding.

Financieel verkeerde Wormerveer tijdens de crisisjaren in zwaar weer hetgeen uitmondde in een faillissementsaanvraag. De Meesters Modderman en Kühn te Amsterdam vroegen bij de Haarlemsche rechtbank het faillissement aan van de gemeente Wormerveer. Dit geschiedde namens de schuldeiser, de N.V. Amsterdamse Bank, houdster van een aantal promessen van de gemeente tot een totaal bedrag van bijna f 300.000. Een aantal van deze promessen was vervallen. Bovendien was gebleken, dat de gemeente ook andere schulden onbetaald liet, terwijl de financiële toestand van dien aard was, dat de gemeente niet in staat was om haar verplichtingen na te komen. Deze faillissements-aanvrage werd op 28 februari 1922 door de civiele Kamer van de Haarlemse rechtbank behandeld.

Namens de gemeente waren burgemeester Cluysenaer, één der wethouders en enige hoofdambtenaren aanwezig. Cluysenaer deelde mee dat de gemeente een voorlopige surseance van betaling had aangevraagd, omdat verondersteld mocht worden, dat de gemeente per 1 april 1922 in staat is aan haar verplichtingen te voldoen. Erkend werd, dat de gemeente daartoe eerder niet in de gelegenheid was. Verwacht mocht worden dat het Rijk de middelen daartoe rechtstreeks zou verstrekken om lopende schulden af te doen en zulks zal geschieden door het intermediair van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, tot welke vereniging de gemeente Wormerveer dan zou toetreden.

Cluysenaer zei dat over de wenselijkheid van een voorlopig surseance in het college van B en W verschil van mening bestaat. Hij is vóór, de wethouders zijn tegen. Wethouder Binnendijk, verzekerde, dat het financieel beheer zeker niet minder goed was dan vorige jaren en dat de gemeente even kapitaalkrachtig is als vroeger. Hij gaf een overzicht van de wijze, waarop de gemeente in financiële ongelegenheid is gekomen. Cluysenaer verklaarde dat de rechtbank zeker geen prijs zou stellen op een tegenspraak van het door de wethouder geleverde betoog, omdat dit buiten de zaak ging. De gemeente was f 269.500 schuldig aan opgenomen kasgeld, die zij niet kon voldoen, terwijl, als er geen hulp komt, met ingang van 1 april de gemeente niet in staat zal zijn de werklozen, werklieden en ambtenaren uit te betalen.

De rechtbank bepaalde, dat de faillissementsaanvraag acht dagen zal worden aangehouden en dinsdag 7 maart 1922 in behandeling worden voortgezet.

Cluysenaer was zowel voorzitter van het watersnoodcomité als het werklozenfonds en lid van het Van Vleutenfonds.

  • cluyseaer_theodoor.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/04/08 12:18
  • door zaanlander