harenmakerij

Tak van nijverheid die de paardeharen persmatten maakte voor de vele oliemolens en later ook voor de vele stoomolieslagerijen. Ook de cacao-industrie maakte lange tijd gebruik van paardeharen persmatten, die evenwel een ander model hadden dan de `haren` voor de oliemolens. Bekend gebleven is de harenmakerij van Klaas Harenmaker & Comp te Koog. die ook voortleeft in het toneelstuk “Theetaid in de Haremakerai' van W. Smit (1933).

Tot in de jaren `60 stond deze harenmakerij aan de Hoogstraat te Koog, nabij de grens met Zaandijk, ongeveer op de plaats waar nu de toegang tot het industrieterrein van Cacao de Zaan is. Nadien werd het pand naar de Zaanse Schans verplaatst. Het woonhuis achter de harenmakerij draagt het jaartal 1743, maar het oudste boek in het archief van het bedrijf was van de jaren 1671-1677. Het maken van haren was een bedrijvigheid die men in afgesloten ruimtes verrichtte, waarschijnlijk omdat men geen “pottekijkers' wilde en het maken van de ingewikkelde vlechtwerken concentratie vergde.

Voor buitenstaanders was het daardoor onmogelijk een blik op het werk van de harenmaker te werpen, met als gevolg dat de harenmakerij altijd een `geheim` vak is gebleven. Met name de wetenschap hoe men van koestaartehaar en paardehaar koorden sloeg en op welke wijze de ijzersterke paardeharen matten werden gevlochten is met de laatste harenmaker mee het graf ingegaan. Een harenmakerij had een eigen lijnbaan, waar de koorden werden geslagen. Vervolgens werden ze in de werkplaats op een pennebank tot matten van de juiste afmetingen gevlochten en geslagen. Daarna ging de mat met pennen op de strekbank, waar het nieuwe haar gestrekt werd en de schering (een speciaal gedraaid koord met een diameter van circa 1 centimeter) werd aangebracht. Dit geschiedde op zeer vernuftige wijze; aan een afgewerkte haar was geen begin of einde te vinden.

Daarna werd het haar aan de zijkanten afgenaaid en werd er als laatste handeling een stevig leren omslag gesneden, waarin het haar met een spekveter werd vastgenaaid. Een stel nieuwe haren kreeg in de oliemolen vervolgens een speciale behandeling. De leren omslagen waren dik en stug en het kostte nogal wat tijd alvorens de plaats waar het leer moest buigen voldoende soepel was. Daarom werden de haren ingevet en in een pers gezet. Met behulp van een “kerkboek` (een aan de ene zijde hol en aan de andere zijde bol stuk beukehout, dus inderdaad met het model van een kerkboek) werd de ronding in het leer geslagen en vervolgens werd de pers in werking gezet. Na enige minuten werd de pers losgeslagen en daarna werd de handeling herhaald.

Het kon soms enige dagen duren voor gewenste vorm was verkregen. De overgebleven oliemolens in de Zaanstreek gebruiken tegenwoordig een ander soort haren; deze zijn gemaakt van sisal en nylonkoord. Er is langdurig gezocht en geëxperimenteerd voordat (onder meer door de molenaars J. en P. Kaal) het geheim van de harenmakerij met deze materialen kon worden herontdekt. Inmiddels is gebleken dat met deze haren goed gewerkt kan worden, en dat ze lang meegaan.

P. Kaal

  • harenmakerij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2015/10/27 17:39
  • door jan