Zaandam, 27 juli 1903 - Zaandam, 23 oktober 1989

Cor Inja als 18-jarige

Cornelis (Cor) Poulis Inja groeide op in een arm gezin als oudste van drie kinderen. De familie Inja woonde eerst in een van de krimpersloppen aan het Krimp in Zaandam, daarna een paar jaar in Krommenie en vervolgens weer in Zaandam, in de Russische Buurt. Cor kon goed leren, maar moest helpen om het brood voor het gezin te verdienen. Cor was getrouwd met Ellen Weijl. Het echtpaar Inja woonde gedurende de oorlog op de Kweekerstraat 10. Zowel Ellens vader, een socialistisch denkend fabrikant uit Enschede, als haar moeder waren van joodse komaf. Ellen was echter samen met haar moeder doopsgezind geworden.

Bij Dekker’s Houthandel werkte Cor als stokkenjongen. Hij deed aan avondstudie en werd actief in de Doopsgezinde Jongerenbond van de Oostzijde-gemeente en in de Transportarbeidersbond. Ook ijverde hij voor drankbestrijding, socialisme en pacifisme.

Doopsgezind zijn en militaire dienst weigeren waren voor hem onlosmakelijk verbonden. Omdat in de nieuwe Dienstweigeringswet uit 1923 nog geen plekken waren benoemd voor tewerkstelling deed hij in 1925 geen beroep op deze wet, maar koos hij voor gevangenisstraf. Tijdens de acht maanden in Strafgevangenis Scheveningen schreef Inja een dagboek, Geen cel ketent deze dromen.

Een gedeelte daar uit:
,,Morgen voor de Krijgsraad. Dat houdt me wel bezig. Ik zou er wel niet aan willen denken, maar dat is gewoon onzin. Ieder uur denk ik er aan, elk ogenblik. Toch ben ik wel rustig. De hele dag echter dacht ik er onder het aardappelschillen over wat ik nu wel zou zeggen. Dat was weer eens nieuw, aardappels schillen: een halve mud in je cel en maar schillen. Zo leer je nog eens wat. Toch vond ik de dag snel voorbij gaan. Enkele brieven ontvangen, onder andere van Jan Gleysteen en broeder Bitter en van huis. Ik begrijp niet, dat ze thuis nog niets hebben gehoord. Ik heb toch geen zin om nog meer te schrijven. Over een half uur, dat is half 10, gaat het licht uit. Ik denk toch wel heel veel aan de dag van morgen. Moge God met ons allen zijn, ook deze nacht.

Boevenauto

De dag is voorbij met zijn spanning. De lucht zag er vanmorgen somber uit. Om kwart over zes werd ik gewekt. Na het wassen mocht ik mijn eigen pak aantrekken. Dat gaf een gevoel van vrijheid. Met de auto naar de trein. Op het station een ovatie van de jeugd: van alles werd ons toegestopt: een pakje witbrood, een banaan, sigaretten, een fles melk. Naar 's-Hertogenbosch was de reis. Daar was de Krijgsraadzitting. Ook in Utrecht stond een meisje op het perron met chocola. We waren met z'n drieën. We zetten grote bomen op met de veldwachten die ons begeleidden. In Den Bosch moesten we op de boevenauto wachten. Ik zag nog een kennis uit Amersfoort op het station.

De zitting. De President vroeg of ik al van de wet had gehoord. Wat ik beaamde. Dan de vraag waarom ik er geen gebruik van wilde maken? Ik vertelde dat dit mij te lang zou duren, daar nog niet zeker was hoe en wanneer de wet in werking zou treden. De auditeur-militair stelde dat dit zuiver eigenbelang was. Ik beaamde dit, daar ik gaarne op m'n 25e of 26e jaar mijn handen vrij wilde hebben. Waarop de auditeur zei dat het geen principiële zaak was en daarom voor mij de zwaarste straf eiste voor dienst weigeren: 10 maanden gevangenisstraf.

In mijn laatste woord verklaarde ik dat ik dan 10 maanden gevangenis kreeg omdat ik Jezus gebod probeerde op te volgen. 'Hebt uw naasten lief als u zelve.' De uitspraak kwam 's middags en was gelijk aan de eis. Ik tekende direct hoger beroep aan.

de zwaarste straf

Dit is dus mogelijk in ons land, een staat waar Christenen de regering vormen, waar je voor tien maanden in de gevangenis wordt gestopt, omdat men tracht naar het voorbeeld van Jezus te leven. Indien je eerlijk zegt waarop het staat en er recht voor uitkomt, dat je ook in dit leven je eigenbelang als dienstweigeraar mag laten gelden, krijg je de zwaarste straf. Indien ik even oneerlijk was geweest en had gezegd: die wet is me te bekrompen, dan had ik misschien minder straf gehad. Ik weet echter dat ik voor een goede zaak sta, niet mijn zaak, maar Gods zaak.“

(Uit: “Geen cel ketent deze dromen”, door Alle G. Hoekema e.a. (ed.); uitg. Verloren, Hilversum, 2001, p. 88-90.)

Terug in Zaandam vond hij werk bij het houtzaag- en schaafbedrijf De Prins van Oranje. Cor Inja nam deel aan de grote houtstaking van 1929, zoals ook Wolf Bosboom, maar werd desondanks werfbaas. Begin jaren ’30 was hij lid van het Comité Socialisme en Kerk van Frits Kuiper, toen doopsgezind predikant in Krommenie, Wormer en Jisp. Kuiper was zijn steun en toeverlaat tijdens zijn dienstweigerperiode. Vlak voor de bezetting van Nederland werd de Zaandamse Werkgemeenschap van Quakers en Doopsgezinden door Cor Inja opgericht. Doel van de werkgemeenschap was elkaar niet alleen in woord maar vooral in daad te steunen waar mogelijk.

Groep 2000

Ds. Dozy was lange tijd medebestuurder van de zogenaamde Elspeetsche Vereniging, een doopsgezinde organisatie die zich inzette voor joodse en andere vluchtelingen. In januari 1942 bood hij tijdelijk onderdak aan Cor Inja, die met zijn joodse vrouw Ellen Weijl vanuit Zaandam naar Amsterdam moest verhuizen; zij meldden zich niet bij de Joodse Raad maar verhuisden later met hulp van Dozy, naar Govert Flinckstraat 254, een huis dat eigendom was van een tante van Ellen en werden actief in de verzetsorganisatie Groep 2000.

Cor Inja was de drijvende kracht achter het Christelijk-pacifistische Doopsgezind Vredesbureau, dat zich na de bevrijding van Nederland inzette tegen nieuw oorlogsgeweld. Inja had zich tijdens de Tweede Wereldoorlog op geweldloze, maar effectieve wijze gekeerd tegen de Duitse overheersing en ageerde na 1945 op even vreedzame wijze tegen onder meer de politionele acties in Nederlands-Indië. Dat was voor de Centrale VeiligheidsDienst CVD voldoende om Inja permanent te beloeren en belasteren. “Aangenomen wordt dat hij sympathie heeft voor het communisme”, staat in een even geheim als onjuist CVD-rapport geschreven. 'Deze conclusie is getrokken uit het feit dat hij onlangs heftig van leer trok tegen een voorstel om communisten uit de gemeenschap van oud-illegale werkers te zetten.'

Cor Inja ontwikkelde zich als specialist op het terrein van gewetensbezwaarden, in opdracht van de Doopsgezinde Vredesgroep verrichtte hij geen ander werk verricht dan het bijstaan van de dienstweigeraars en reisde daarvoor het gehele land door. In Baarn richtte Inja het landelijk informatiecentrum voor dienstweigering op. De doopsgezinde pacifist riep echter nooit hiep-hoi als een dienstplichtige bij hem kwam met de mededeling dat hij dienst wilde weigeren. Cor Inja placht kritisch te vragen: waarom? Want aan bevliegingen had hij niets.

Lees ook Kerk, Cor Inja en de dienstweigeraars, een vraaggsprek tussen Cor Inja en A. J. Klei in dagblad Trouw op 8 september 1973.

In mei 1977 voert Fred Lammers van dagblad Trouw een gesprek met de 73-jarige Cor Inja waarin hij aan het eind van het gesprek wijst op het gevaar van 'onze' gasbel.

Bron: o.a. Joods Monument

  • inja_cor.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/02/06 22:34
  • door zaanlander