muziekscholen

Als voorlopers van de Volksmuziekschool, die in 1947 werd opgericht, kunnen de zogenaamde Volkszangscholen beschouwd worden. Uit het eind van de vorige eeuw is vooral bekend de volkszangschool van meester Albert Bakker. De roem van deze onderwijzer leefde voort tot ver in deze eeuw, zozeer zelfs dat de school aan de Stadswerf tot aan het moment van verbranden in de bezettingstijd nog altijd Bakkerschool werd genoemd: Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

In 1858 werd de stadsmuziekschool onder leiding van de heer Ludwig opgericht. Het schoolgeld voor de piano-klassen bedroeg 40 gulden per jaar en voor de solo-klasse 60 gulden per jaar. Na het vertrek van Ludwig in 1874 verdween de Stadsmuziekschool officieel van het toneel. Uit advertenties blijkt dat er een paar particuliere instellingen bestonden zoals bijvoorbeeld De Muziekschool Zaandam, met als directeur I.W. Kersbergen en secretaris was burgemeester Versteeg.

Het schoolgeld bedroeg voor de instrumentale klasse 50 gulden per jaar en voor de zangklasse 8 gulden. Verder was er een muziekschool onder leiding van Aug. Winter. Onduidelijk is wanneer deze scholen werden opgeheven. In 1855 werd door het Nutsdepartement Zaandam de Volkszangschool opgericht waarvoor de hoofdonderwijzer A. Bakker werd aangetrokken samen met twee andere onderwijzers. Zij waren bereid om op de donderdagmiddag van twee tot vier uur zangonderwijs te geven. De stad gaf het lokaal van de armenschool aan het Franse pad gratis in gebruik en gaf daarnaast 50 gulden subsidie per jaar. De rest van de kosten, gemiddeld 200 gulden per jaar, werd door 't Nut betaald.

De heer Bakker nam in 1902 afscheid en werd opgevolgd door de heer A.C. Meijer. Ruim 50 jaar was deze school een groot succes met gemiddeld 175 à 200 leerlingen per jaar. Na 1923 ging het aantal leerlingen sterk achteruit. Voornamelijk doordat het opvoeren van kinderoperettes door diverse zangverenigingen meer belangstelling trok dan het grondige muziekonderwijs waaraan de school veel aandacht besteedde. De Volkszangschool werd na een bestaan van 70 jaar opgeheven.

Willem Zijlstra

In Wormerveer bestond rond de eeuwwisseling nog de zangschool onder leiding van meester Willem Zijlstra. Met name wat het instrumentaal onderwijs betreft bestond de 19e-eeuwse muziekschool in de praktijk uit een aantal particuliere docenten onder het dak van een muziekschool. De individuele lesvorm verschilde niet van de lessen, die men bij particuliere leraren thuis kreeg. Van een echt muziekschoolverband was nauwelijks sprake. In de eerste helft van de 20e eeuw handhaafde zich dit type school. Het lessenaanbod was nog beperkt, naast piano (waarnaar de meeste vraag uitging), viool en cello en ook blaasinstrumenten en solozang.

Een voorloper op de naoorlogse vernieuwing in het muziekonderwijs was Willem Gehrels, die al in 1932 in zijn Amsterdamse Volksmuziekschool zijn moderne ideeën, later neergelegd in het boek 'Algemeen Vormend Muziekonderwijs', 1942 en 1963, in praktijk bracht. Na de Tweede Wereldoorlog voltrokken zich op sociaal-maatschappelijk en cultureel gebied grote veranderingen, waardoor in korte tijd een radicale vernieuwing in het muziekschoolonderwijs ontstond.

Rond 1950 kwam de gedachte aan cultuurspreiding op en brak algemeen het al door Gehrels geponeerde inzicht door dat - in tegenstelling tot de traditionele eenzijdige intellectualistische vorming - de muziek en in het bijzonder de muzikale vorming voor ieder mens een noodzakelijk onderdeel is van de harmonische ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid. Dit alles leidde tot het oprichten van vele muziekscholen. In de periode van 1954 tot 1980 groeide het aantal onder rijkstoezicht vallende muziekscholen van 20 naar 170. De gedachte dat muziekles een statussymbool zou zijn van de gegoede klasse had afgedaan. Een geheel nieuw type muziekschool voor alle leeftijden ontstond, passend in het veranderende sociale- en cultuurpatroon.

De nieuwe muziekschool

De muzikale basis wordt bij het jonge kind gelegd in de klassikale Algemene Muzikale Vorming volgens diverse methodieken. Het daaropvolgende instrumentale onderwijs kan worden gegeven in zowel individuele als groepslessen. Hiervoor bestaan verschillende vormen, die - behalve van het instrument en de leerling - afhankelijk zijn van zowel ideële inzichten als financiële mogelijkheden. Ook het workshop-element is aanwezig. Behalve het traditionele instrumentarium, na de oorlog sterk uitgebreid, kregen de blokfluit en gitaar, daarna ook accordeon en elektronisch orgel, voor de Tweede Wereldoorlog uit de school geweerd, een volwaardige plaats.

Een bijzondere verschijning was de kleine harp. Aan bespelers van blaas-, strijk en slaginstrumenten wordt in een zo vroeg mogelijk stadium de kans tot samenspel geboden in diverse ensembles. In de eigen muzieksfeer van de jeugd kreeg ook de amusementsmuziek als big band, combo en dergelijke, een plaats. Sommige muziekscholen hebben een dansafdeling, waarin naast het klassieke balletonderwijs steeds meer jazz- en beatballet wordt gegeven. Een vooropleiding tot een vakstudie behoort tot de mogelijkheden van de begaafde leerling.

De muziekschooldocent kan voorts diensten bewijzen aan het muziekonderwijs in de basisschool door het geven van lesinstructies aan het onderwijzend personeel. Ook de muzikale begeleiding van vrijwilligers in het sociaal gerichte club- en buurthuiswerk kan tot de muziekschooltaken behoren. Een waardevol initiatief van de Stichting Gemeentelijk Cultuurfonds, opgericht door de NV Bank voor Nederlandse Gemeenten, is het Ontmoetingsproject Muziekscholen, waarbij om de twee jaar door leerlingen van verschillende muziekscholen in een regio enkele dagen samen wordt gemusiceerd. Door leerlingen van de Gemeentelijke Muziekschool Zaanstreek werd in 1986 onder leiding van Jan Pasveer een derde plaats behaald bij de landelijke ontmoeting met de uitvoering van 'Tierkreis' van Karlheinz Stockhausen.

Organisatie en kwaliteitsbewaking

Teneinde dit nieuwe type muziekschool ten dienste van de gemeenschap mogelijk te maken, gingen naast de gemeente ook het Rijk en de provincie de muziekschool subsidiëren. Vele (inter)gemeentelijke stichtingen ontstonden uit de oude particuliere of Toonkunst-muziekscholen. Voor de docenten bracht dit een grote sociaal-maatschappelijke positieverbetering met zich mee, met opname in de sociale voorzieningen, redelijke salariëring et cetera.

De behuizing van vele muziekscholen onderging de noodzakelijke verbetering en in sommige gevallen kon nieuwbouw plaatsvinden. Hoewel de gemeenten sinds de invoering van de rijksbijdrageregeling Sociaal-Cultureel Werk zelf de verantwoording dragen voor de onder hen ressorterende muziekscholen, moeten deze van overheidswege toch voldoen aan bepaalde eisen voordat aan de gemeenten een bijdrage wordt verstrekt.

Een rijksinspecteur voor de Kunstzinnige Vorming, sinds 1947 respectievelijk C.L. Walther Boer, J. Daniskas, M.A. Dankmeyer en A.J.M. Smeets, bewaakt de kwaliteit van het muziekonderwijs door toe te zien op het aanstellingsbeleid, docenten moeten voor de door hen gegeven vakken gediplomeerd zijn, en de arbeidsvoorwaarden. Hij verstrekt richtlijnen voor het onderwijs, ook voor de opleiding van leerlingen uit de harmonie- en fanfarekorpsen, en ontwerpt structuurplannen voor de organisatie van het muziekschoolonderwijs. Daarnaast kunnen muziekscholen een rijkserkenning ontvangen voor die activiteiten waarvoor door de minister een raamleerplan is vastgesteld.

De muziekschooldirecteur heeft tot taak voor zijn school de beleidsplanning te maken. In elke provincie vormen de directeuren een werkgroep ter bestudering van gezamenlijke problemen, waaruit rapporten en beleidsnota's voortkomen. Alle muziekscholen zijn afzonderlijk aangesloten bij de Vereniging voor Kunstzinnige Vorming, VKV, die een centrumfunctie vervult bij de ontwikkeling en vernieuwing van het muziekonderwijs en een belangrijke gesprekspartner is voor de rijksoverheid ten aanzien van het subsidiebeleid.

  • muziekscholen.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/02/22 01:23
  • door zaanlander