partenrederij

Vorm van 17e-, 18e- en 19e-eeuwse bedrijfsvoering, waarbij het ondernemingskapitaal door tenminste twee personen was gestort. De eigenaars richtten daartoe een rederij op. De aandelen in het kapitaal werden 'parten' genoemd, de uit te keren winst werd naar rato van het aantal parten verdeeld. Bij een vergelijking met huidige ondernemingsvormen heeft de partenrederij nog het meeste weg van de besloten vennootschap.

Het is niet duidelijk of deze partenrederij als ondernemingsvorm uitsluitend een Zaans verschijnsel is geweest. In de economisch-historische literatuur komt het zelden voor; wanneer het genoemd wordt is dat echter steeds in verband met de Zaanstreek.

Evenmin is duidelijk wanneer voor het eerst sprake was van partenrederij en waarvoor men toen het bedrijfskapitaal bijeenbracht. De keuze van deze bedrijfsvorm kon verschillende redenen hebben. Zo zal bij de Zaanse walvisvaart, die zeer dikwijls in partenrederij is bedreven, het grote risico aanleiding zijn geweest om het kapitaal te spreiden. Het was veiliger bijvoorbeeld steeds een part in acht verschillende schepen te nemen dan acht parten van één schip.

In andere gevallen treffen we aan dat verschillende ondernemers een partenrederij oprichtten om gezamenlijk een toeleveringsbedrijf te financieren. Voorbeelden hiervan vinden we bij de Zaandamse overtoomrederij en bij de hennepkloppers te Krommenie, die in partenrederij door verschillende rolreders zijn gedreven. Ook bij de traankokerij leidden gezamenlijke belangen tot kapitaal-deelname in de vorm van parten.

Voor de hand liggend is dat bij oprichting van sterk kapitaal-intensieve bedrijven, de papiermolens bijvoorbeeld, de investering door een aantal personen werd bijeengebracht; in zulke gevallen werd eveneens dikwijls een partenrederij opgericht. Het kwam ook voor dat bij overlijden van de eigenaar de familieleden besloten het bedrijf voort te doen zetten door een 'zetbaas', de erfdelen konden dan als parten in een bestaande rederij worden ingebracht. Tenslotte was het mogelijk dat een bestaande onderneming in partenrederij werd omgezet bij de toetreding van een nieuwe firmant.

Grotendeels door achtereenvolgende vererving ontstonden soms ingewikkelde breuken om het bedrijfsaandeel aan te duiden. Zo kon een enkeling 1/1024 part in een molen bezitten. Aandelen van 1/128 part of 5/64 part, om maar enkele voorbeelden te noemen, komt men ook in de boeken tegen. Vererving speelde in de familiebedrijven inderdaad een grote rol bij het kapitaalbezit. Men kreeg daardoor ook belangen in ondernemingen van verschillende aard. Wellicht is dat een van de redenen waarom de welgestelde Zaankanters zich zo dikwijls kooplieden noemden: zij namen deel in zowel de houthandel als de scheepsbouw, zowel in de walvisvaart als de molenindustrie.

Het verkrijgen van kapitaal voor nieuw op te zetten bedrijven kostte in de Zaanstreek destijds waarschijnlijk ook minder moeite dan elders doordat de ondernemers in de streek elkaar kenden, meestal Doopsgezind waren en in vele gevallen elkaars verwanten. De partenrederij lag in deze situatie zelfs voor de hand. De hier genoemde, toch wel bijzondere, vorm van bedrijfsorganisatie en -financiering verdween in de eerste helft van de 19e eeuw geleidelijk. De oorzaak kan ten dele gezocht worden in de Franse tijd en de naweeën daarvan, waardoor vele bedrijven in moeilijkheden kwamen en verdwenen, anderzijds in de opkomst van de handelsbanken die bedrijfskapitaal op onderpand aanboden.

Elders in deze encyclopedie, zie bij Banken, is betoogd dat de Zaanse ondernemers nog lang onderlinge financiering van elkaars bedrijven toepasten, waardoor de oprichting van een Zaanse bank mogelijk onnodig werd geacht. Die onderlinge financiering had echter niet meer de vorm van de eerdere partenrederij, maar van onderhandse, vaak laagrentende leningen.

  • partenrederij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/12/01 00:40
  • door zaanlander