plattelandsvertegenwoordiging

De ontwikkeling tot de democratisch gekozen volksvertegenwoordiging zoals wij die nu kennen, is geleidelijk gegaan. In Nederland werden de Staten al in 1588 dragers van de gewestelijke souvereiniteit, inplaats van de vorst. Hun afgevaardigden in de Staten-Generaal behartigden de zaken van de Unie in haar geheel. Staten betekent letterlijk 'standen', zij waren de representanten van de steden, de geestelijkheid en het platteland. Daarbij was van verkiezing of afvaardiging nog geen sprake. Het platteland - en daartoe behoorde de Zaanstreek - werd vertegenwoordigd door de ridderschap, de adelstand. Feitelijke invloed van de plattelandsbevolking ontbrak dientengevolge vrijwel geheel.

Zelfs tot enkele tientallen jaren na de vorming van het Koninkrijk (1813) bleef het 'volk' op grond van juridische maatstaven verdeeld in drie standen: de ridderschap, de steden en de landelijke stand. Daardoor was tot ver in de jaren '40 van de 19e eeuw de invloed van de ridderschap onevenredig groot, ook in Noord-Holland. Men werd tot deze stand toegelaten indien men van adel was, minstens twee jaar in de provincie woonde en minstens f 20.000 bezat. Wie beseft dat in geheel Noord-Holland boven het lJ slechts 28 personen tot de ridderstand behoorden (1842), die zes van de 72 Statenleden mochten kiezen, komt tot de slotsom dat evenredige vertegenwoordiging toen nog niet aan de orde was. Noord-Holland telde ongeveer 500.000 inwoners, de stedelijke raden mochten 44 leden in Provinciale Staten afvaardigen, het platteland 22.

De 'landelijke stand', in Provinciale Staten werd via een omweg gekozen door stemgerechtigden (mannelijke ingezetenen boven de 23 jaar, die een zekere som in de rijksbelasting betaalden, het zogenoemde censuskiesrecht). Zij kozen kiescolleges die op hun beurt de 22 statenleden aanwezen. De Tweede Kamer in Den Haag werd toen nog door Provinciale Staten gekozen, zoals thans de Eerste Kamer. Zo was er in de vorige eeuw zowel op provinciaal als op landelijk niveau een plattelandsvertegenwoordiging in het overheidsbestuur.

Door een aantal grondwetswijzigingen (de eerste in 1848 door J.R. Thorbecke) kregen geleidelijk de principes van algemeen kiesrecht, de vorming van politieke vertegenwoordiging en rechtstreekse verkiezing (althans van Provinciale Staten en Tweede Kamer) hun beslag.
Zie ook Bestuur en rechtspraak 3.1.1. en Overheidszorg 5.

  • plattelandsvertegenwoordiging.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/08/24 10:30
  • door wies