stadt

Ondernemersgeslacht in Zaandam, vanaf het begin van de 18e eeuw actief in met name de houthandel. Vele leden van de familie van de Stadt waren actief in houtzaken. Eén familiebedrijf, Engel van de Stadt & Zoonen, is zeven generaties van vader op zoon vererfd.

Deze houthandel is terug te voeren tot de broers Jan Simonsz van de Stadt (1707-1751), eerst gehuwd met Adriaantje Willems Bosman (overleden 1729) en daarna met Trijntje Pieters Al (1709-1759) en Huybert Simonsz van de Stadt (1711-1783), gehuwd met Sijtje Engels van Arendsen (1715-1790). Hun vader Simon Huybertsz van de Stadt (1678-1732) was waterschipper, hetgeen inhield dat hij schepen en houtvlotten over het IJ versleepte.

Jan Simonsz van de Stadt erfde vader's kwakschip De Quak en nam later het waterschip De Koe over. Bovendien was hij actief als walvisreder: tussen 1740 en 1751 reedde hij negen walvisvaarders uit. Daarnaast was hij, samen met zijn broer Huybert, ook houtkoper. Na Jan's overlijden zette zijn weduwe Trijntje Al de zaken samen met Huybert voort. In 1752 sloten zij een contract voor het sleepbedrijf en in 1756 voor de houthandel, waarin ook de opvolging door hun zoons werd geregeld.

Jan en Trijntje hadden twee zoons: Simon Jansz van de Stadt, gehuwd met Aagje Jans Pigge (1730-1800) en Pieter Jansz van de Stadt (geb. 1746), gehuwd met Margaretha Goudswaard (1744-1784). Zij waren beiden voorbestemd om in de houthandel van hun vader te gaan. Simon ging naar Hamburg om daar de commissiehandel te behartigen, maar Pieter werd door zijn schoonvader overgehaald in diens houthandel en mastenmakerswerf in Amsterdam te komen. Simon overleed nog voor zijn oom Huybert, zodat alle zaken bij diens tak terecht kwamen.

Huybert en Sijtje hadden een zoon: Engel van de Stadt. Hij kwam zijn vader in zaken helpen. Huybert ging zich voornamelijk met het slepersbedrijf bezig houden, terwijl hij de houtzaken meer en meer aan zijn zoon overliet. Op het laatst werden deze zaken ook formeel gescheiden en na Huybert`s dood heeft weduwe Sijtje de sleperszaken geliquideerd.

Engel van de Stadt (1746-1819) was driemaal getrouwd, eerst met Neeltje Duyn (1747- 1768) dochter van een snuifmolenaar, toen met Maritje Thopas (1746-1777) dochter van een houtkoper met wie hij naar het Kattegat in Oostzaandam verhuisde en tenslotte met Guurtje Kroeger (1750-1827) dochter van een peller en loodwitmaler. Alle drie echtgenotes waren welgesteld en hielpen zijn financiële positie aanzienlijk versterken. Hij was in de eerste plaats handelsman en reder, maar daar profiteerden zijn houtzagerijen ook van. Na zijn tweede huwelijk werd hij gaandehouder op de houtzaagmolen De Bakker, die in 1787 afbrandde maar direct weer werd herbouwd en door hem werd verkocht. Daarnaast had hij aandeel in De Fok en kocht hij de houtwerven De Notenboom en Vreed en Rust. De houthandel werd sterk uitgebreid tot Viborg, Frederikshaven en Narva en anderzijds op Spanje. Hij bevrachtte vaak rechtstreeks van Viborg op Cadiz. Ondanks de moeilijke tijden deed hij zeer goede zaken en kreeg hij nog vijf andere molens in bedrijf: De Witte Ster, De Huisman, De Snoek, De Jonge Beer en De Engel.

Engel van de Stadt was daarnaast zeer actief als reder, hoewel zijn schepen later onder vreemde vlag voeren vanwege de Franse overheersing. Zoals veel Zaankanters was hij een overtuigd patriot en had hij zelfs een aandeel in de kaapvaart onder de Bataafse Republiek. De Bataafse Kaaprederij werd opgericht, waarvan Engel directeur werd. Deze rederij werd een jaar later al weer geliquideerd. De resultaten waren te gering, de verliezen te groot. Zo werd in 1804 tijdens een zeegevecht bij Noorwegen met een Engels fregat een schade opgelopen van f 200.000.

Bovendien was Engel van de Stadt zeer betrokken bij het openbare leven. Hij was schepen, lid der vroedschap en burgemeester alsook kapitein van de Eerste Compagnie Vrijwilligers toen de Engelsen en Russen landden in Noord-Holland. Ook na het vertrek der Fransen bleef hij actief en was hij bijvoorbeeld als één der 600 aanzienlijken des lands betrokken bij het ontwerp van de nieuwe grondwet in 1814. Tenslotte werd hij ook weer president-burgemeester van Zaandam. De dochter van Engel en Guurtje trouwde de houtkoper Willem Middelhoven (1790-1819) en de drie zoons Claas, Huybert en Cornelis kwamen allen in de zaak van hun vader.

Claas van de Stadt (1782-1852), eerst getrouwd met Neeltje Noomen en daarna met Hillegonda Ida Holst (1789-1856) werd in 1805 deelgenoot, maar trad in 1814 uit de zaak om houtkoper in Amsterdam te worden.

Huybert van de Stadt (1786-1844), gehuwd met Guurtje Zwaardemaker (1792-1868), kwam in 1813 in de firma (die vanaf dat moment 'Engel van de Stadt en Zoonen' zou heten), in 1814 gevolgd door zijn broer Cornelis van de Stadt (1793-1857), eerst gehuwd met Maartje Corver (1794-1827) en daarna met Cornelia Hendrika Geukema (1794-1853). Na de dood van hun vader zetten Huybert en Cornelis samen de zaken voort en voegden aan de al in bezit zijnde houtzaagmolens nog Het Vergulde Hert, Het Bruine Schaap en De Boendermaker toe. Kort na het overlijden van hun moeder gingen de beide broers echter in 1828 uit elkaar.

Huybert verkreeg drie houtzaagmolens, De Bakker, De Jonge Beer en De Engel, alsook pelmolen De Bootsman, terwijl Cornelis de overige vijf houtzaagmolens kreeg toegewezen. De zaken van Huybert bleven steeds bij elkaar, maar de zaken van Cornelis werden tussen zijn vele zonen versnipperd (zie hierachter). Huybert stond er dus sedert 1828 alleen voor met de firma Engel van de Stadt en Zoonen. Hoewel hij niet zulke goede jaren als zijn vader meemaakte, bleef hij desondanks een welgesteld man. Naast de houtzaken dreef hij samen met zijn broer Cornelis nog een zeerederij onder firma H. & C. van de Stadt met vier schepen en liet hij in 1826 zelfs een nieuw kofschip bouwen van 500 ton; dat was in 23 jaar niet voorgekomen aan de Zaan. Bouwer was de door Johannes Simonsz opgerichte Maatschappij tot Scheepsbouw, een werf die overigens geen lang leven was beschoren.

Evenals zijn vader was Huybert actief in het openbare leven; hij werd burgemeester van Zaandam en lid van Provinciale Staten. Toen hij overleed had hij een volwassen dochter Guurtje (1813-1860), getrouwd met houtkoper Dirk Nomen (1813-1862), twee volwassen zonen, Jan en Engel, benevens vier minderjarige kinderen, te weten Sijtje, Huybert, Neeltje en Hillegonda Ida. De oudste zoon Jan nam het familiebedrijf over.

Zoon Engel van de Stadt (1818-1859), gehuwd met Maria Christina van Heyningen (1819-1901), werd peller met De Phoenix en de jongste zoon Huybert van de Stadt (1826-1872), gehuwd met Jenneke van Wessem (1827- 1864) werd zelfstandig houtkoper en zager met De IJsvogel, De Kruiskerk (die een stoommachine kreeg), De Vlijt, De Bonsem, De Smid, De Liefde en De Vergulde Hoorn. Aangezien Huyberts enige zoon op 14-jarige leeftijd overleed, werden zijn zaken geliquideerd.

Jan van de Stadt (1816-1871), gehuwd met Alida Mats (1816-1882) zette zijn vaders firma voort en wist de ontstane teruggang wegens ziekte van zijn vader op te vangen en de zaak weer tot bloei te brengen. Hij liet De Jonge Beer slopen en vervangen door een nieuwe molen, die in 1857 door brand werd verwoest, maar weer werd opgebouwd. De handel in grenen en vuren herstelde zich, maar die in eiken bleef moeizaam verlopen. In 1866 liet hij daarvoor speciaal de molen De Tijd bouwen, die uitsluitend eikehout zaagde; de omzet werd daardoor flink vergroot. Spoedig kwamen zijn vier zoons Huybert, Jacob, Jan en Cornelis hem assisteren. De laatste overleed echter al op 24-jarige leeftijd. Na het overlijden van haar man bleef Alida Mats deelgenoot met haar zoons.

Huybert van de Stadt (1838-1907), gehuwd met Maria Wilhelmina Helderman (T 1865), was van 1871 tot 1906 lid der firma, na het overlijden van zijn broers Jacob en Jan een tijd als enig firmant. Hij stierf kinderloos.

Jacob van de Stadt (1840-1898), gehuwd met zijn nicht Elisabeth van de Stadt (1845-1917), specialiseerde zich in de verwerking van hardhout, met De Tijd als wagenschotzager. In 1873 werd de stoomzagerij De Engel opgericht en werd De Bakker verkocht. In 1887 werd De Tijd stilgezet; nadien werd de kleine stoomzagerij Het Bosch gebruikt voor eikehout. Ook Jacob en Elisabeth hadden geen kinderen. Jan van de Stadt (1842-1885), gehuwd met Barbara Martina Schiers (1849-1928, dochter van Jan Schiers en Trijntje Vis), was een ijverig lid der firma die veel nieuwe connecties aanbracht. Daartoe werd een nieuwe firma opgericht: de 'Firma Jan van de Stadt jr & Co', met als firmanten Huybert, Jacob en Jan, met als doel de zakenrelaties uit te breiden met nieuwe afnemers. Deze firma werd in 1904 opgeheven.

Zijn zoon Jan van de Stadt (1878-1973) gehuwd met Maartje Schenk (1880-1937, dochter van Klaas Schenk en Trijntje Duif) kwam in 1895 als volontair in dienst bij zijn ooms Huybert en Jacob. Na het overlijden van Jacob verleende oom Huybert hem procuratie. In 1905 trok Huybert zich terug uit zaken en deed de zaken over aan zijn neef Jan en diens broer Huybert van de Stadt (geb. 1884), eerst gehuwd met Adriana Maria Cornelia Saverijn en daarna met Agathe Anne Blans, terwijl ook de toenmalige reiziger J. Voogd als deelgenoot werd opgenomen. In 1923 trokken Huybert en J. Voogd zich terug en ging Jan alleen verder.

In 1910-'11 was achter het station van Zaandam een geheel nieuwe stoomhoutzagerij gebouwd, die de twee kleinere en ver van elkaar afliggende zagerijen verving. De Eerste Wereldoorlog bracht eerst vooruitgang, later ernstige terugslag. Jan van de Stadt nam in 1931 zijn zonen Jan Huybert, Nicolaas Johan en Gerard Anton als deelgenoten op in de toen gevormde naamloze vennootschap. Jan werd zelf met zijn zoons Nico Jan en Gerard Anton directeur der nv. terwijl Jan Huybert commissaris werd. President-commissaris werd E.G. Duyvis Tz en later diens zoon T. Duyvis EGz. Jan was ook president-commissaris en medeoprichter van E.G. van de Stadt Scheepswerf nv en van 1941-'48 van de nv Houtbewerkingsbedrijf 'Primus'. Hij was tevens heemraad van de Polder Westzaan en hoogheemraad van Uitwaterende Sluizen van West-Friesland en Kennemerland.

In de jaren '30 maakte het houtbedrijf een moeilijke tijd door. Loonschaverij De Prins van Oranje van de gebr. De Vries dreigde failliet te gaan; de houthandels Van de Stadt, Donker en P. Schipper Gzn. namen, elk voor een derde, de aandelen over. Jan van de Stadt werd president-commissaris. In 1941 mocht De Prins van Oranje op last van de bezetter niet meer zo heten. Toen werd de naam Primus gekozen. De werkgelegenheid bleef goeddeels gehandhaafd door overschakeling van import op aankoop van stammen uit de binnenlandse bossen. Door gebruik te maken van stoommachines, gestookt met zaagsel en afvalhout bleef de zagerij draaien. Vlak na de oorlog werd met de stoommachines stroom opgewekt voor de gemeente Zaandam.

Jan Huybert van de Stadt (1901 -1989), gehuwd met Antoinette Clasine de Boer (geb. 1900) kwam eerst in de firma van zijn vader, werd in 1923 procuratiehouder en in 1931 deelgenoot met zijn broers. Op verzoek van zijn schoonvader Hendrik Jacob de Boer werd hij in 1936 belast met de leiding van Zaans Veembedrijf H. de Boer Jz. en in 1950 werd hij benoemd tot directeur van nv Dekker's Houthandel. Daarnaast was hij commissaris bij EG. van de Stadt Scheepswerf NV.

Nicolaas Johan van de Stadt (1878-1984) werd in 1922 in de zaak opgenomen en werd in 1936 directeur der nv. Hij was dijkgraaf van de Polder Westzaan. Zijn zoon Jan Nico van de Stadt (geb. 1930) kwam later in de directie; hij was voorzitter van de Kamer van Koophandel en Hoogheemraad van Uitwaterende sluizen.

Gerard Anton van de Stadt (geb. 1904), gehuwd met Petronella Lampe (geb. 1909) werd naar Engeland gestuurd om speciaal het vak van fijne houtsoorten te leren. Ook hij kreeg in 1928 procuratie, werd in 1931 deelgenoot en in 1936 directeur. Hij was sedert 1949 lid van het Hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen West-Friesland en Kennemerland. De jongste twee zoons van Jan van de Stadt en Maartje Schenk voelden zich meer tot de scheepvaart aangetrokken.

Huybert van de Stadt (geb. 1907), gehuwd met Johanna Houtman werkte voor de Holland-West-Afrikalijn en stichtte in 1934 een handel in scheepsartikelen 'De Brouwer & v.d. Stadt'.

Ericus Gerhardus van de Stadt (geb. 1910), gehuwd met Elisabeth Schuddeboom, volgde de MTS-Scheepsbouw te Haarlem en richtte in 1933 EG. van de Stadt Scheepswerf op, met welk bedrijf hij zich specialiseerde in het ontwerpen en het bouwen van jachten (zie: Van de Stadt & Partners). Nadat in 1962 Jan van de Stadt na 67 jaar uit het bedrijf was getreden, werd in 1966 de Houthandel E. van de Stadt en Zoonen nv overgenomen door Intradur Dwarsligger- en Hardhouthandel nv te Den Haag. Directeur G.A. van de Stadt trok zich terug. In 1967 trad N.J. van de Stadt als directeur af. Hij werd opgevolgd door J.N. van de Stadt. In de daarop volgende jaren volgde het samengaan van Van de Stadt met houtzagerij Endt; in 1970 werd een nieuw bedrijfscomplex onder de naam Van de Stadt en Endt v.o.f. in de Achtersluispolder in gebruik genomen. In 1971 voegde het bedrijf Herngreen te Alphen zich bij het Zaanse bedrijf. Intradur verhuisde in 1974 van Den Haag naar Zaandam. Het jaar daarop werd J.N. van de Stadt algemeen directeur. In 1979 volgde de verandering van Van de Stadt en Endt v.o.f in Houthandel Van de Stadt bv.

Nadat Cornelis van de Stadt (1793-1857) zijn zaken in 1828 van die van zijn broer Huybert scheidde, zag hij ondanks de moeilijke tijden kans zijn deel der houtzaken tot grote bloei te brengen, zelfs grotere bloei dan die van Huybert's deel. In 1838 liet hij in Zaandam de kapitale houtzaagmolen De Vrede bouwen, verbrand in 1848, maar weer opgebouwd. Voorts kocht hij de paltrok De Jonge Arnoldus en hij werd zodoende een der grootste houtzagers in de Zaanstreek in het tweede kwart van de 19e eeuw. Hij moest echter zijn zaken verdelen over acht zoons.

Twee van hen werden pellers: Pieter van de Stadt (1823-1849), gehuwd met Maria Magdalena Keg (1823-1866), met de pelmolen Het Kuiken en Augustinus Aemilius Cornelis (Gus) van de Stadt (1834-1862) met de molen De Twee Gebroeders. Zoon Adriaan van de Stadt (1817-1873), gehuwd met Neeltje Smit (1817-1863) werd evenals zijn schoonvader Evert Smit olieslager met Het Ooster Kattegat en later (uit de nalatenschap van zijn schoonvader) met De Oude Dekker en De Koe.

De overige vijf zoons gingen in houtzaken, maar de meeste van deze firma's hadden een kort bestaan.

  • Cornelis van de Stadt (1818-1875), gehuwd met Antje ten Kate (1820-1891), werkte met De Witte Ster maar liquideerde al in 1864.
  • Willem van de Stadt (1836-1866), gehuwd met Elisabeth Latensteijn (1837-1917), kreeg De Jonge Arnoldus, maar kwam jong te overlijden, waarna zijn zaak niet werd voortgezet.
  • De oudste zoon Engel van de Stadt (1813-1875), gehuwd met Maria Magdalena Keg (1823-1866), weduwe van zijn jongere broer Pieter, kreeg De Stuurman, maar staakte zijn zaken in 1868.
  • De houthandel van Klaas van de Stadt (1827-1875), gehuwd met Christine Kohne (1829-1853), die De Vrede kreeg, is na zijn dood ook niet voortgezet.
  • De enige zoon wiens houtzaken nog door latere generaties werden geleid was Huybert van de Stadt (1825-1884), gehuwd met Helena Kohne (1824-1903), die oorspronkelijk De Huisman en De Boendermaker kreeg van zijn vader. Hij dreef zijn zaken onder eigen naam en was een der eerste Zaanse zagers die gebruik ging maken van een stoommachine.

In 1870 werd de stoomhoutzagerij De Morgenster gebouwd, die in 1880 echter verbrandde. Besloten werd toen zowel De Boendermaker als De Huisman te slopen en te vervangen door een geheel nieuwe stoomzagerij, die eveneens De Morgenster werd genoemd en in 1881 in werking kwam. Na zijn overlijden ging zijn weduwe aanvankelijk met haar zoons Huybert van de Stadt (1860-1928), gehuwd met Jansje Latenstein van Voorst (1861-1935) en Johan Herman van de Stadt (1858-1935) een vennootschap aan. In 1885 gingen deze zoons samen verder met de firma Huybert van de Stadt, die echter in 1915 werd ontbonden.

Vijf stamboomtakken van de Familie van de Stadt.

  • stadt.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/03/15 00:20
  • door zaanlander