werkgelegenheidsbeleid

De overheid heeft zich vanuit verschillende invalshoeken bezig gehouden met werkgelegenheidsbeleid; dat geldt niet alleen voor de Zaanstreek. Toen de industrialisatie opkwam was deze bemoeienis nog van bescheiden aard. Ze had het karakter van corrigerende en werknemersbeschermende maatregelen. In de opbouwfase na de Tweede Wereldoorlog richtte het werkgelegenheidsbeleid zich om begrijpelijke redenen niet zozeer op het scheppen van arbeidsplaatsen. Doelstelling was vooral het gericht kunnen inzetten van de schaarse mankracht ten behoeve van de vele taken die moesten worden verricht. In dat licht moeten ook twee belangrijke besluiten worden gezien die de Nederlandse regering in het kader van werkgelegenheidsbeleid in 1944 in Londen nam; deze waren gewijd aan “Aanstelling en Ontslag' en 'Scholing'. Dat overheid en bedrijfsleven in deze periode redelijk geneigd waren samen te werken ligt voor de hand, ondanks de zonder twijfel bestaande verschillen van inzicht. In de Zaanstreek was in de naoorlogse periode sprake van betrekkelijke rust op de arbeidsmarkt. Wél lag de streek, vanouds bekend om zijn 'rode' invloeden, vaak in de voorste linies bij de strijd om arbeidsvoorwaarden. Maar wie bij de Artillerie Inrichtingen, Bruynzeel, Verkade, Van Gelder Zonen of Wessanen werkte, hoefde niet te vrezen voor werkloosheid. Daarbij kwam dan nog de directe en afgeleide werkgelegenheidsfunctie van de Amsterdamse haven en scheepsbouw. Duidelijk zal zijn dat de roep om overheidsbemoeienis in ieder geval niet uit problemen met de werkgelegenheid (een tekort aan banen) voortkwam. Op het eerste gezicht leek dit een plezierige positie voor de Zaanstreek, maar de situatie had ook een groot bezwaar. Bij de positieve overheidsbemoeienis, zowel in middelen als in mankracht, stond men eigenlijk altijd achter in de rij. Toen ook hier de problemen zich gingen voordoen die de overheid tot ingrijpen inspireerden, haalde de streek de achterstand in problemen snel in, maar de achterstand in de toebedeling van middelen bleef bestaan. Desondanks zijn er, misschien wel juist doordat de Zaanstreek niet in het middelpunt van de overheidsbelangstelling stond, een aantal initiatieven geweest die óf uniek waren en bleven, óf landelijk als voorbeeld hebben gediend. In het begin van de jaren '70 trachtten koppelbazen op de overspannen arbeidsmarkt hun slag te slaan. Vanuit een ongebruikelijke samenwerking tussen de Zaanse Sociale Werkgeverskring, de Kamer van Koophandel en het Gewestelijke Arbeidsbureau (GAB) werd een voorstel uitgewerkt om tot een 'personeelspool' te komen, met als doel zonder winstoogmerk onderling personeel uit te wisselen. De deelname van het GAB werd als logisch beschouwd. Deze samenwerking werd landelijk niet gezien als behorend tot de overheidszorg, hetgeen bleek uit de tegenwerking die de directeur van het GAB vanuit Den Haag ondervond. Het optrekken met het bedrijfsleven door een instelling die vooral als sociaal werd beschouwd, werd met argusogen bekeken. De Zaanstreek leek zich in deze periode van de rest van het land te onderscheiden doordat meer naar de praktische resultaten van de overheidsbemoeienis werd gekeken, dan naar de politieke gevoeligheid. Overigens lijkt dit te gelden voor de hele Randstad ten opzichte van de rest van het land, maar ook binnen de Randstad stak het Zaanse samenwerkingsklimaat positief af. Vanuit deze praktische visie was het ook logisch dat in de Zaanstreek arbeidsextensievere vormen van overheidsdienstverlening tot hun recht kwamen. Deze twee elementen (het samen doen en denken van bedrijfsleven en sociale partners, en het streven naar resultaten in plaats van naar het handhaven van procedures) zijn uitzonderlijk te noemen, zeker gezien het vroege stadium waarin ze -tegen de landelijke verdrukking in -tot stand kwamen. Het beste bewijs voor deze conclusie is te vinden in het feit dat de directeur van het GAB, zo niet bij voortduring dan toch herhaaldelijk, ter verantwoording werd geroepen bij “de Haagse bazen'. De klacht bestond uit het tonen van “te veel betrokkenheid bij het bedrijfsleven'. De voortrekkersrol van de Zaanstreek heeft er echter toe geleid dat deze aanvankelijk in het land verguisde uitgangspunten thans (vanaf 1985) openlijk het credo van de benadering van de arbeidsmarkt door de GAB's zijn geworden. Naast deze algemene beschouwingen geven wij meer concrete voorbeelden, die laten zien dat in de Zaanse praktijk inventief te werk werd gegaan. Een aantal van deze ontwikkelingen is, vaak in afgeleide vorm, thans ook elders en soms landelijk doorgevoerd. waarbij meestal niet bekend is dat de bakermat in de Zaanstreek heeft gelegen. Door het GAB is in samenwerking met onderwijsinstellingen een specialistische vorm van het fenomeen “vacaturebank' in de Zaanstreek ontwikkeld. De jaarlijks terugkerende actie 'Vraagbaak bood schoolverlaters gelegenheid om zich te informeren over: het zoeken naar werk, eventuele vervolgopleidingen en het inzien van de feitelijke vacatures. De ervaring in goede tijden had namelijk geleerd dat zo'n 60 procent van de schoolverlaters op korte termijn een vervolgbestemming vond en dat deze wijze van benadering de meest effectieve bijdrage bood. Een van de hoofdelementen was dat pas werd overgegaan tot inschrijving als werkzoekende wanneer men ná de zomervakantie nog geen werk had gevonden en ook niet was gaan doorstuderen. Eerder schreven we al over een slechte toedeling van mankracht en middelen aan deze streek. Deze toeschrijving was onder meer gerelateerd aan het aantal inschrijvingen. In die zin werd de Zaanse effectiviteit gestraft: toch handhaafde men deze werkwijze. Een ander, misschien niet uniek maar toch in het beeld van samenwerking van organisaties interessant, initiatief was de “Stichting Vakantiewerk`, waarin vertegenwoordigers van bedrijfsleven en sociale partners deelnamen en de overheid een adviserende rol vervulde. Weliswaar is vakantiewerk niet als overheidszorg aan te merken, maar als illustratie van hoe diverse organisaties elkaar met een doel wisten te vinden mag deze stichting niet ongenoemd blijven. Door de directeuren van GAB en Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) zijn al in het begin van de jaren `80 vrij vergevorderde ideeën ontwikkeld over de mogelijkheden tot werken met behoud van uitkering. Dit werd niet gezien als oplossing voor de werkloosheid (en vanzelfsprekend evenmin ter bevordering van concurrentievervalsing). Deze ideeën werden ontwikkeld uit het besef dat het de taak van de overheid is te voorkomen dat voor iemand zonder werk en ontplooiingskansen de kans op betaalde arbeid vanuit de economische situatie uiterst gering is, zo de mogelijkheden voor de toekomst geblokkeerd worden en er uiteindelijk een generatie moet worden afgeschreven. Op landelijk niveau werd deze denkwijze de Zaanse directeuren, in ieder geval in eerste instantie, niet in dank afgenomen. Maar ook deze gedachtenontwikkeling in de Zaanstreek laat zien hoe instanties elkaar door een gemeenschappelijk doel vonden. Het meest in het oog springende voorbeeld is echter de Stichting Personeelsdienst Zaanstreek (PDZ), Stichting Zaanstreek (PDZ). Deze organisatie kwam tot stand door een initiatief van de toenmalige directeur van het GAB (de heer Klopper), was aanvankelijk samengesteld uit werkgevers en gemeentelijke overheid, onder advisering van de Kamer van Koophandel en het GAB, en werd later uitgebreid met vertegenwoordigers van werknemersorganisaties. De doelstellingen van de stichting behoren strikt gezien niet tot de overheidszorg, maar bij goed functioneren neemt de stichting een aantal taken over, waardoor het de overheid mogelijk is haar capaciteit elders in te zetten. Indirect zijn de overheidsinspanningen dus wel gediend bij het werk van de PDZ. De PDZ ging vooraf aan de privatiseringsgedachte en het getuigt van inzicht en durf van de overheidsinstellingen in de streek dat ze dit niet als bedreigend, maar als aanvullend hebben gezien. Ook dit levert een bewijs van de intensieve wijze waarop de onderlinge velden van de sociale kaart in de Zaanstreek elkaar ondersteunden en samen tot resultaten kwamen. Deze ontwikkelingen, die plaats hadden vanaf halverwege de jaren '60 tot in de jaren 80, waren landelijk geen gemeengoed, maar hebben door de successen niet zelden een landelijke voorbeeldfunctie gehad. Zie ook: Economische geschiedenis geschiedenis 2.9.2.l en Economische geschiedenis structuur 2.2. Mr. SJ. Kaper

  • werkgelegenheidsbeleid.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/09/26 20:41
  • door judith