arbeiders

Zelfstandige jeugdbeweging, opgericht door de SDAP, met financiële steun van het NVV. Direct na de oprichting van de landelijke AJC, in maart 1918, werden er in de Zaanstreek afdelingen opgericht en werden leden van de Jeugd Centrale actief, aanvankelijk onder toezicht en met hulp van het NVV en de SDAP, en later meer en meer als zelfstandige jeugdbeweging. Er ontstonden twee Zaanse afdelingen. In het café van Klein te Assendelft werd de afdeling Noord opgericht, die circa 200 leden kreeg, afkomstig uit Wormerveer, Krommenie, Westzaan en Assendelft. Deze afdeling hield nadien haar bijeenkomsten in een voormalig pakhuis aan de Noorderhoofdstraat te Krommenie.

De afdeling Zuid kreeg circa driehonderd leden, uit de plaatsen Zaandam, Koog en Zaandijk. Deze afdeling kwam aanvankelijk bijeen in een huiskamer van een der leden, later (dankzij steun van de Zaanse Bestuurders Bond) in een gehuurde kelderwoning en vanaf 1923 in een eigen gebouw aan de ds. Baxstraat. De bouwkosten van dit pand (de afdeling was een van de eerste in Nederland met een eigen gebouw) bedroegen 4000 gulden; deze werden opgebracht door verschillende vakbonden, door de verkoop van obligaties en door een hypotheek te nemen.

De AJC viel naar buiten toe op door de kleurige kleding van de leden, en door de optochten met muziek en zang, en fel (rood) gekleurde vlaggen. Voor de leden was roken en gebruik van alcoholhoudende dranken taboe; de vereniging propageerde ook voor het overige een sober en gezond leven met vermijding van luxe. Op de (veelvuldige) bijeenkomsten werd muziek gemaakt, gezongen en aan volksdansen gedaan, en er werden inleidingen gehouden over kunst, natuur, geschiedenis en staatsinrichting. In Bakkum, en later in Bergen en Schoorl, werd gewandeld en gekampeerd. Voorts namen de leden deel aan plaatselijke en landelijke demonstraties. Hoogtepunten van de beweging werden het Pinksterfeest en de vakantiekampen bij de Paasheuvel te Vierhouten.

Het lidmaatschap van de AJC eindigde automatisch bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd. Aanvankelijk konden jongeren vanaf dertien jaar lid worden; in 1928 werd begonnen met het Rode Valken-werk en werd de minimumleeftijd twaalf jaar. Leden bleven tot hun zestiende Rode Valk, daarna werden zij Rode Wacht.

De Rode Wachten hielden zich bezig met meer intellectuele zaken, terwijl de Rode Valken zich vooral op praktische bezigheden richtten, zoals touwknopen en splitsen, kampvuur maken, balspelen, handenarbeid, maar ook het opstellen van een brief, het invullen van een postwissel en het lezen van een spoorboekje. Om als Rode Valk te worden toegelaten moest men een toelatingsexamen doen. De toekomstige leden moesten de Rode Valkenwet kennen en daar naar willen leven. In die wet stonden artikelen als: '“Wij, Rode Valken, voelen ons deel van de strijdende arbeidersklasse”; “Wij, Rode Valken, willen anderen helpen, waar wij kunnen”; “Wij, Rode Valken, hebben eerbied voor iedere eerlijke overtuiging, ook wanneer ze niet de onze is”; “Wij. Rode Valken, verzorgen ons lichaam door reinheid, oefening en harding”

Ook moest men tijdens het examen aantonen het touwknopen voldoende te beheersen om het eigen witte halskoord te knopen. De Rode Valken droegen dit koord op een blauwe kiel, samen met een rode halsdoek. In verband met het 'uniformenverbod van 1933 viel de rode halsdoek later af.

Uit de Rode Valken werden kleine groepjes (jongens en meisjes apart) gevormd, de zogenoemde 'horden'. Deze groepjes stonden onder leiding van een horde-leider, die Rode Wacht was. De horden kwamen eens in de week bijeen bij mensen thuis in de huiskamer, of in de kelder of op zolder. Een aantal jongens- en meisjeshorden vormden samen een troep. Tijdens de troepbijeenkomsten werden balspelen of spoorzoektochten gehouden. De AJC werd in 1940 opgeheven, maar een kleinere groep bleef bijeenkomsten houden, onder andere in een botenhuis in het Westzijderveld.

Direct na de oorlog werd het werk weer begonnen; de rode halsdoek mocht nu ook weer worden gedragen. De omvang van de afdelingen was aanvankelijk minstens even groot als voor de oorlog, maar werd gaandeweg minder. De veranderende tijden maakten de behoefte aan een beweging als de AJC blijkbaar kleiner. In 1959 volgde tenslotte de opheffing van de Arbeiders Jeugd Centrale. Veel voormalige AJC-leden werden later actief in het lokale bestuurlijke en politieke leven. Enkele bekende namen zijn: (in Zaanstreek Zuid) Huib Frederiks, Kees Sikma, Dirk Metselaar, Jo Vis, Rinus Hille, (en in Zaanstreek Noord) Annie en Piet van Eck, Piet Hoefsmit, Siem Jongeneel en Freek Bot.

T. Visser/W.J . Beets

  • arbeiders.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/10/11 15:17
  • door dirk-witte