asschnegotie

direct

Deze Aschnegotie ook wel Asch-compagnie genoemd, was een bedrijf dat een lucratieve handel voerde in Pot- en Weedas en was onlosmakelijk verbonden met molen De Schenker.

De geschiedenis:

Op 3 maart 1672 kocht Jan Dirksz. Schenk, -hij was toen 27 jaar-, een klein molentje zie De Schenker voor het malen van Schelpzand en Biksteen. De koopsom bedroeg f 1215, waarvan f 205 direct werd betaald en de rest op twee elkaar volgende mei-dagen. Dit duidt dus op een bescheiden begin.

Toch is uit deze onbelangrijke onderneming is een zeer grote en lucratieve zaak gegroeid, door uitbreiding van het eenvoudige artikel schelpzand en biksteen met allerlei chemicaliën, voornamelijk Potas en Weedas. Voor deze artikelen, die geïmporteerd werden uit Koningsbergen in voormalig Duitsland en Dantzig in Polen, bestond hier toen een zeer lonende markt.

Reeds de zoon Gerrit Jansz. Schenk was een welvarend man en de opvolgers in het bedrijf, zijn zoon Jan Gerritsz. Schenk en zijn schoonzoon Pieter Cornelisz. Nanning, een koopmanszoon uit Koog aan de Zaan , getrouwd met Grietje Gerritsd. Schenk, hebben dit in de 18de eeuw tot een grote hoogte weten op te voeren.

Het oude molentje werd door een grote, nieuwe molen vervangen (in 1727 is er sprake van de nieuwe schulpmolen) en verder werden tal van pakhuizen in Wormerveer gebouwd, één bij de molen, “het Veldhuis” aan de Zuidersluissloot, “De Rood-uit” in 1689 en later vergroot, “De Mol” in 1714, “Dantzig” in 1728, “De Klok” in 1729, “De Eendracht” in 1758 en werd “Het Jonge Schaap” in 1769 aangekocht. Deze zaak, in de eerste helft van de 18de eeuw voluit genaamd Jan Schenk & Pieter Nanning & Comp., later Schenk, Vas & Comp., werd in rederij gedreven.

Ook de afstammelingen van de tweede zoon van de oude Jan Dirksz. Schenk, te weten Willem Jansz. Schenk, die olieslager en kaaskoper was geworden, hadden daar een aandeel in. Het lijkt er op dat Pieter Cornelisz. Nanning in deze zaak de leidende persoon is geweest. In het jaar 1754 wordt de z.g. “Asch-compagnie als grootste bedrijf van Wormerveer genoemd. Jan Gerritsz. Schenk, die niet bij het bedrijf woonde, maar op het tegenwoordige adres Zaanweg 21, Wormerveer, had allerlei interesses buiten zijn zaak om.

Naar de mode van zijn tijd had hij in zijn huis een natuurkundig college gesticht, waar hij met andere liefhebbers proeven nam met de ring van Avogadro, de vuurpomp, de Maagdenburger halve bollen en dergelijke.
Zijn grootste belangstelling ging echter uit naar de Rijnsburgse Collegianten, een interkerkelijk of zo men wil een buitenkerkelijk gezelschap, dat zijn leden telde over het gehele land.
Zij kwamen twee maal per jaar in Rijnsburg bijeen, om daar theologische onderwerpen te behandelden. Men doopten door onderdompeling, werd dan geen lid van een bepaald kerkgenootschap maar lid van de onzienlijke christengemeente.
Men vierde het avondmaal met ongedoopte, waartegen van behoudende kant onoverkomelijke bezwaren bestonden. Tal van bekende vaderlanders behoorden tot deze kring en het pleit voor Jan Gerritsz. Schenk, dat hij waardig gekeurd werd om vele malen in Rijnsburg een spreekbeurt te houden.
Al deze liefhebberijen en zijn overtuiging, hebben hem niet verhinderd een rijk man te worden.

Toen hij in 1758 zijn testament maakte legateerde hij aan zijn tweede vrouw Jacoba Dingemans het door hem bewoonde huis Zaanweg 21, Wormerveer met het kaaspakhuis “Gouda” Zaanweg 19 daar ten zuiden van, de tuin aan het Weverspad in Wormerveer, al zijn huisraad en inboedel met de complete bibliotheek, de natuurkundige instrumenten en al het goud en zilverwerk (hoeveel dat was wordt niet aangegeven) en ook nog eens een jaarlijks inkomen van ƒ 4000. Verder maakte hij een lange lijst van legaten tot een gezamenlijk bedrag van ruim ƒ 90.000, waarvan verreweg het voornaamste was een legaat van ƒ 40.000 aan de bestuurders van de Collegiantenkas te Amsterdam, onder de bepaling, dat de inkomsten, indien nodig, moesten dienen tot onderhoud van het Grote Huis te Rijnsburg, zo lang de vergadering daar wordt gehouden en van het daarbij gelegen Bergje. Indien deze mochten worden verlaten dan waren de inkomsten bestemd ter ondersteuning van de bewoners van het Rozenhofje te Amsterdam of andere zaken, die bestuurders nodig zullen vinden.

Enig erfgenaam is voorts zijn nicht Jacoba Pietersd. Nanning, echtgenote van Vastert Claasz. Vas, onder de verplichting het jaargeld van ƒ 4000 aan zijn weduwe uit te keren en waartoe het saldo ruimschoots voldoende was. Vastert Claasz. Vas kwam op deze wijze vrijwel geheel in het bezit van het kapitaal van molen “De Schenker”, want de andere helft kwam, door het overlijden van Pieter Cornelisz. Nanning, aan hem zonder aftrek van al die legaten.

Vastert Claasz. Vas hertrouwde met Guurtje Blaauw, dochter van de grote papiermaker Dirk Blaauw en kwam zo verder nog in het bezit van 1/4 deel van diens belangrijke nalatenschap. Vastert Claasz. Vas was er de man niet naar dit vermogen te verbrassen, maar stak het in zijn zaken, die hij uitmuntend wist te beheren.

Behalve molen De Schenker dreef hij 16 oliemolens en twee stijfselhuizen en had, behalve een voornaam aandeel in de papiermakerij van Blaauw & Briel, aanzienlijke belangen in allerlei andere zaken, zoals de loodwitmolen op de Koog en de blauwselmolens te Westzaan.

Toen Vastert Claasz. Vas in 1808 - midden in de ongunstige Franse tijd - op de leeftijd van 78 jaar overleed, was zijn nalatenschap zeer belangrijk.
Uit het kapitaalboek van zijn dochter Aaltje Vas, getrouwd met Dirk Visser, een Zaandamse houtzager, blijkt dat haar vaderlijk erfdeel ƒ 597.700 en 16 stuivers bedroeg, zijnde 1/3 deel van de boedel. In dit vermogen speelde de zaak van molen De Schenker nauwelijks een rol meer.

Ten gevolge van onbekende oorzaken was het in de tweede helft van de 18de eeuw met dit zo winstgevende bedrijf plotseling afgelopen. De beide directeuren, Hendrik Koekebakker en Jacob Kneppel, vestigden zich als kaaskopers; de pakhuizen werden verkocht of verhuurd en de rest van het bedrijf op veel kleinere schaal voortgezet door Jan Dekker, getrouwd met Guurtje Schenk, die van huis uit in een klein deel van de oude zaak participeerde.

Molen De Schenker zelf bleef nog in het bezit van de nazaten van Vastert Claasz. Vas tot 1845, toen deze werd verkocht aan Dirk Buys, die daarmee maalde tot 1877, in welk jaar hij gesloopt werd. Op de plaats daarvan stichtte de Firma W.J. Boon & Comp. cacaofabriek “de Ruiter”.
De overige zaken van Vastert Claasz. Vas werden voortgezet door diens twee zoons Dirk en Jan Vas. Zij waren ook degenen, die na de Franse tijd getracht hebben de walvisvaart weer in het leven te roepen.
De eerste was ongetrouwd en de tweede had geen kinderen, waarna Vasterd Vas Visser, zoon van Dirk Visser en Aaltje Vas hiervoor genoemd, een deel van de zaken verder overnam. De slechte gang van zaken was wel de reden waarom deze man zich daarvan in de dertiger jaren van de 19de eeuw ontdeed. En zo kwam er dan een vrij spoedig einde aan het voor die tijd enorme bedrijf, dat Vastert Claasz. Vas had opgebouwd.

Potas is de oude benaming van Kaliumcarbonaat, een chemische stof, die onder andere in de verf-, zeildoek-, en zeepindustrie werd gebruikt.

Literatuur:

  • Zaanse verhalen 2009, Ron Couwenhoven
  • Wormerveer langs weg en Zaan, Jan Aten
  • asschnegotie.txt
  • Laatst gewijzigd: 2016/10/28 17:29
  • door gjschenk