blekerij

Tak van nijverheid met als doel een zuiver witte kleur te geven aan van nature grauwe textielsoorten zoals linnen en katoen. Tegenwoordig worden de vezels of garens daarvan met chemische middelen gebleekt, vroeger behandelde men de geweven stoffen, later ook de garens, door ze te spoelen in een mengsel van plantenas en water. Hierna volgde een behandeling met zure melk, vervolgens werd met schoon water gespoeld en tenslotte stelde men het materiaal bloot aan zonlicht. De op deze manier in de middeleeuwen al beoefende blekerij berustte op de proefondervindelijk vastgestelde alkalische werking van plantenas of potas en de evenzo empirische kennis van lichte zuren, de zure melk, terwijl het nableken in de zon algemeen gebruikelijk was; bij vele woningen bevond zich een bleekveldje.

Ongetwijfeld in verband met de waterkwaliteit waren de blekerijen in Noord-Holland geconcentreerd in het duingebied, de omgeving tussen Haarlem en Egmond. In de Zaanstreek had Oostzaan een groot aantal kleine blekerijen van de 16e tot 18e eeuw, terwijl in Krommenie het bleken van garen ten behoeve van de zeildoekweverij van belang is geweest.

De blekerijen in Oostzaan, hoewel het bleken van weefsels hier op opvallende schaal voorkwam, is over deze, binnen de Zaanstreek vrijwel alleen in Oostzaan uitgeoefende nijverheid, nauwelijks bronnenonderzoek verricht. Adriaan Loosjes vermeldde in Beschrijving der Zaanlandsche dorpen uit 1794, dat er blijkens een verzoekschrift van de Oostzaanse linnenblekers aan de Staten van Holland in 1616 honderd blekerijen waren, die aan duizend mensen werk verschaften. In 1794 was er daarvan nog één over.

Loosjes merkte verder op dat zich onder de honderd blekerijen niet de klerenblekers bevonden, die er oudtijds in merkelijken getale zich bevonden. Voorts vermeldde hij dat er omtrent het midden van 't Dorp gehele streken velds met lijnwaad beslagen waren.

Een andere bron, Zaandam 150 jaar stad, beperkte zich tot de mededeling dat Oostzaan in 1514 280 haardsteden telde en dat de nering bestond uit zeevaart, haringvangst, bouneringhe, en bleken. Een meer uitgebreide beschrijving uit A.M. van der Woude's Het Noorderkwartier, is hierachter vrijwel geheel overgenomen. 'Op zijn laatst sedert het eind van de middeleeuwen werd in de duinstrook bewesten en bezuiden Haarlem het bleken van lijnwaden en garens als aparte bedrijfstak uitgeoefend. Door uitzonderlijk goede fysisch-geografische en verkeers-geografische omstandigheden wist dit veredelingsbedrijf een graad van perfectie te bereiken die toenmaals uniek was en nergens werd geëvenaard. Uit de onmiddellijke nabijheid konden de benodigde grondstoffen voor het veredelingsproces worden betrokken zoals stijfsel en blauwsel uit de Zaanstreek, zeep en turf.

De enige uitzondering was as, maar ook dit uit het buitenland te betrekken product vormde geen probleem door de nabijheid van de Amsterdamse wereldmarkt. Van uitzonderlijk belang was echter vooral de onmiddellijke nabijheid van een veeteeltgebied, waaruit de karnemelk en soms ook wei betrokken kon worden, die in grote hoeveelheden nodig was voor het zogenoemde melken van het lijnwaad en garen. In de bloeitijd van de Haarlemse industrie waren 70 tot 80 boerderijen bij de levering hiervan betrokken.

De kwalitatief zo veel mindere blekerij te Oostzaan noopt tot een aparte beschrijving. Deze is immers kwantitatief van zeer grote betekenis geweest. In Oostzaan werd volgens het verpondingskohier van 1630 49,5 morgen bleekveld genoteerd. Helaas is dit slechts één van de weinige gegevens die over de Oostzaanse blekerij bestaan. Wij mogen naar analogie met de Haarlemse blekerijen veronderstellen dat de grote opgang van het bedrijf eerst na 1580 gezocht moet worden.

Overigens mag de Oostzaner bleek niet met die rondom Haarlem vereenzelvigd worden. Daarvoor was er een te groot kwaliteitsverschil. In Oostzaan legde men zich dan ook toe op het bleken van de minderwaardige stoffen, daarnaast ook op de kwalitatief veel minder hoogstaande bleek van garens. Onder dit laatste schijnt katoengaren een belangrijke plaatst te hebben ingenomen. Dit was voornamelijk bestemd voor de kaarsenpitfabricage te Huizen. Men sprak dan ook wel van kaarsengarenblekers. Aan het kwaliteitsverschil beantwoordde ook het prijsverschil.

Bleken in Oostzaan was beduidend goedkoper dan op de Haarlemse blekerijen. Men werkte er zelfs goedkoper dan in de Zuidelijke Nederlanden. Vermoedelijk zijn dan ook een typisch Zaans verschijnsel, de lonen in Oostzaan lager geweest dan onder Haarlem. Men zou dit tenminste mogen afleiden uit het feit, dat zelfs toen de blekerij in Oostzaan in haar bloeitijd was, arbeidskrachten uit Oostzaan voor seizoenarbeid naar de Haarlemse blekerijen trokken. Vermoedelijk zal men in Oostzaan dan ook niet of weinig met buitenlandse seizoenarbeiders hebben gewerkt.

Een typerend verschil tussen de Oostzaanse en Haarlemmer blekerijen lag in de bedrijfsgrootte. Deze bleef in Oostzaan veel kleiner dan in de duinstreek. Daar namelijk ontwikkelde de blekerij zich tot een grootbedrijf, waarvan er enkele tientallen bestonden die doorgaans een oppervlakte van enige hectaren in beslag namen, met een personeelsbestand van 40 a 50 personen of zelfs meer. De blekerij van Oostzaan bleef steken in het stadium waarin de Haarlemse blekerijen omstreeks 1585 verkeerden, toen men daar een groot aantal kleine bedrijven kende met een gemiddeld aantal van vijf knechten. In 1610 noemt men voor Oostzaan nog het aantal van ongeveer tien arbeiders terwijl dit toen onder Haarlem reeds meer dan vijftig beliep.

De oppervlakte van het gemiddelde bleekveld onder Oostzaan was opvallend veel kleiner dan onder de duinen. Op de bijna 50 morgen die in 1630 als bleekland in gebruik waren hebben ongeveer 100 blekerijen gestaan, een gemiddelde bedrijfsgrootte dus van een halve hectare. Van het genoemd aantal van honderd blekerijen in de eerste helft van de 17e eeuw waren er in het begin van de 18e eeuw nog vijftig a zestig over. In 1768 was er niet meer dan nog één linnen- en wellicht ook nog één garenblekerij. Al tegen 1650 liep het aantal transportakten van bleekvelden opvallend terug. Dit mag dan als een daling van de totale oppervlakte land die als bleekland in gebruik was worden geïnterpreteerd.

Over de specifieke oorzaken van de ondergang van de Oostzaanse blekerij valt bij gebrek aan gegevens weinig met zekerheid te zeggen. Er mag echter worden verondersteld dat hier dezelfde oorzaken als bij de ondergang van de Haarlemmer blekerijen gewerkt zullen hebben, deze oorzaken worden niet door de auteur genoemd. Alleen in het Oostzaanse geval eerder en sterker, doordat het een veel marginaler bedrijfsuitvoering gold: de kwaliteit was slechter, de bedrijven waren kleiner, de lonen lager. Wellicht is de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam mede een factor van belang geweest. Daar kon men dikwijls minder zware en beter betaalde arbeid vinden.

Voor de demografische ontwikkeling van het dorp Oostzaan is de ontwikkeling van de blekerij van grote betekenis geweest. In 1627 werd dit bedrijf de hoofdnering van het dorp genoemd. Een schatting van het aantal Arbeidsplaatsen en bedrijfsgrootte bevestigt dit. Bij een aantal van circa honderd blekerijen in 1630 met een gemiddelde arbeidsbezetting van 10 personen in 1610 zou dit aantal wel ongeveer 1000 kunnen hebben belopen. Het aantal inwoners kan rond 1625 op circa 2500 zielen worden geschat. Tot zover Van der Woude.

Opgemerkt kan worden dat met uitzondering van de waterkwaliteit, Oostzaan aan alle voorwaarden voldeed om de blekerij met succes te bedrijven. Er was volop veeteelt in de omgeving zodat de toelevering van karnemelk of wei was gegarandeerd. De dichtbij gelegen blauwselmolens in Westzaan en de Zaandorpen konden blauwsel leveren. Oostzaan had zelf stijfselmakerijen, het verband tussen blekerij en stijfselmakerij moet overigens niet al te zeer worden benadrukt.

De potas kon via Amsterdam worden betrokken en mogelijk zelfs van de potasbranderijen die in Krommenie ten behoeve van de zeildoekwevers werkten. En tenslotte: rondom het dorp was volop weiland dat als bleekveld kon worden benut. Het zal dus vooral de waterkwaliteit zijn geweest waardoor de Oostzaanse blekerijen een minder product leverden dan de grotere bedrijven in het duingebied.

Een niet te beantwoorden vraag betreft de herkomst van het materiaal als garen, katoen en linnen, dat in Oostzaan werd gebleekt. Gezien de omvang van de bedrijvigheid, duizend arbeidskrachten immers, moet er een voortdurende aan- en afvoer van grote hoeveelheden zijn onderhouden. Er kan nauwelijks aan worden getwijfeld dat deze aan- en afvoer verband hield met de nabijheid van Amsterdam. Weliswaar was er in Oostzaan zelf en in de omringende boerendorpen enige linnenweverij in huisnijverheid, maar deze was van zo onbeduidende omvang dat zij niet kan hebben bijgedragen tot de bloei van zoveel blekerijen.

  • blekerij.txt
  • Laatst gewijzigd: 2018/06/14 22:12
  • door jan