oostzaan

Zelfstandige gemeente binnen de Zaanstreek, een van de drie Zaanse dorpen die in 1974 niet bij de samenvoeging tot Zaanstad werden betrokken. Hoewel de oorspronkelijke bewoners - zoals nog aan de klank van het plaatselijk dialect valt te horen - Waterlanders zijn geweest, behoort Oostzaan historisch tot de Zaanstreek. De naam zegt dat trouwens al. Jacob Honig Jansz. Jr. noemde het dorp in 1849 terecht een van de 'moederdorpen van de Zaanstreek', terwijl Adriaan Loosjes in de 18e eeuw een belangrijke plaats voor Oostzaan inruimde in zijn 'Beschrijving van de Zaanlandsche Dorpen'.

Tot de samenvoeging van Oost- en Westzaandam in 1811 reikte het grondgebied van de Banne van Oostzanen van de Zaan tot aan het Twiske. Deze Banne bestond uit vier vierendelen, te weten: het Zuider vierendeel (het Zuideinde inclusief de Overtoom), het Middel-, Kerk- of Oostzaner vierendeel (het eigenlijke dorpscentrum), Het Oostzaandammer- of Homer vierendeel en het Haler- of Noorder vierendeel (Haaldersbroek en het Kalf). Binnen de vierendelen waren er verscheidene bewoningskernen: bij de Overtoom, de Kathoeken (bij en achter de kerk), Haal, Heul, Haaldersbroek, het Kalf en Oostzaandam, dat in de 17e eeuw de overige kernen overvleugelde.

Over de ouderdom van Oostzaan heeft lange tijd twijfel bestaan. Aanvankelijk werd aangenomen dat het dorp al in de 10e eeuw bestond en toen 'Hostzegnum' heette. Groesbeek, mr. Johan Willem heeft echter aangetoond dat de naam Hostzegnum niet in verband gebracht kan worden met Oostzaan. Ook wees hij erop dat de eerste schriftelijke vermelding van de plaats pas uit de 14e eeuw dateert. Aangenomen wordt nu dat Oostzaan aan het eind van de 13e of het begin van de 14e eeuw ontstond, waarna vanuit het dorp aan het eind van de 14e eeuw de buurt 'Oostzaandam' moet zijn gevormd. De verhouding tussen Oostzaan en Oostzaandam bleef op den duur niet vrij van spanningen. De oorzaak hiervan was dat Oostzaandam in de 17e eeuw aanzienlijk meer economische betekenis kreeg dan het moederdorp, terwijl het bestuur (het bansbestuur) overwegend uit Oostzaners bleef bestaan. Er gingen stemmen op voor afscheiding. Maar doordat de bestuurders van de Banne - Oostzaners dus - het gebied in 1729 als Ambachtsheerlijkheid van de Staten van Holland hadden gekocht, duurde het nog tot de Franse tijd (1795), alvorens de gewenste scheiding tot stand kwam (zie: Oostzaandam).

Naam

De naam 'Oostzaan' is duidelijk: het dorp ligt ten oosten van de Zaan. Vroeger kwam ook de aanduiding Oostsanen of Oostsanden voor. Naar men veronderstelt was het achtervoegsel daarbij een verbastering of vervorming van 'heem'.

Wapen

Wapen van Oostzaan. Bron Wikimedia

Het in 1816 vastgestelde wapen is bij Koninklijk Besluit van 1949 als volgt omschreven: 'In goud drie smalle blauwe banen; over alles heen een drietandige zwarte greep, met aan iedere punt een graszode'. Sindsdien luidt een door velen aanvaarde verklaring dat de blauwe banen de drie wateren in de Banne symboliseren (Watering, Gouw en Twiske) en de graszoden het polderland. Anderen meenden dat er in het Koninklijk Besluit abusievelijk van graszoden wordt gesproken en dat dit kazen moeten zijn. Ook is het wapen wel in verband gebracht met het middeleeuwse spadeteken (wie destijds niet in staat was aan de dijkplicht te voldoen 'stak een spade' om zijn onvermogen aan te duiden en verbeurde daarmee zijn land). Deze uitleg verdient twijfel: er is een greep of hooivork in het wapen afgebeeld en geen spade. Ook de theorie waarin van kazen sprake is lijkt weinig steekhoudend. Sommigen menen dat in het wapen van Oostzaan eigenlijk drie groene kazen inplaats van drie graszoden op de punten van de hooivork zouden moeten zitten. Het wapen zou dan de van oudsher bedreven veehouderij van het dorp symboliseren. Een legende laat de drie groene kazen uit de Spaanse tijd stammen. Tijdens een gevecht stootte een Oostzaanse vrijbuiter met kracht zijn hooivork in het ruim van een Spaans schip. Toen hij zijn wapen terugtrok bleek hij geen Spanjaard te hebben geraakt, maar zaten er drie groene kazen op de punten van de hooivork. Dit verhaal maakte zo'n indruk dat de Oostzaners het later in hun wapen (tot dan toe een afbeelding van een witte kool) verwerkten. Volgens de legende dan.

Bijnamen

De Oostzaners droegen in het verleden verschillende bijnamen: eendepul (Zaans: iendepul), kooleter (ook koolvreter, koolhaan en koolpikker) en doppehokker. Soms werden zij aangeduid als 'het volk van Klaas Compaen'. Oostzaan is ook wel 'het Nederlandse Genève' genoemd. De bijnamen 'eendepul' en 'doppehokker' hingen samen met de eendenhouderij, die ooit bijna huis aan huis bedreven werd. Als voer werd in de 19e eeuw onder meer het afval (bewaard in 'doppehokken') van de Zaanse pelmolens gebruikt. Misschien werd er vroeger veel kool voor eigen gebruik verbouwd. De 'zeerover' Compaen was uit Oostzaan afkomstig. En tenslotte: de naam 'het Nederlandse Genève' had het dorp te danken aan het feit dat er - evenals in de Zwitserse stad - in grote meerderheid hervormden (gereformeerden) woonden.

Omvang en oppervlakte, grenswijzigingen

Het huidige Oostzaan is nog overwegend een langgerekt lintdorp, met als uitlopers de Haal en de Heul naar het noorden en het Weerpad (Kerkstraat) naar het westen. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er nieuwbouwwijken met een ander stratenpatroon. De lengte van de lintbebouwing is bijna 5 kilometer. Het dorp wordt aan de westkant begrensd door Zaandam-oost en het Kalf; de Watering geldt hierbij als grens. Dat betekent dat niet alleen de Coentunnelweg, inclusief een deel van het klaverblad Zaandam-noord binnen de gemeentegrenzen valt, maar ook een deel van het recreatiegebied Jagersveld in voorbereiding (1990). Als noordgrens geldt de Wijde Wormer (in 1991 gemeente Wormerland). In het oosten grenst Oostzaan aan de polder Purmerland, met daarin de dorpen Purmerland en Den Ilp; deze grens gaat vloeiend over in die met Landsmeer en loopt dwars door het recreatiegebied 't Twiske, dat grotendeels op Oostzaans grondgebied is aangelegd. Aan de zuidkant heeft het dorp grond aan Amsterdam verloren. De nieuwe zuidgrens is moeilijk aan te duiden en alleen zichtbaar door de aanduidingen op de plaatsnaamborden. De huidige oppervlakte bedraagt 1662 hectare.

In het verleden werd verschillende malen een andere oppervlakte van de gemeente genoemd. Vóór de verzelfstandiging van Oostzaandam in 1795 behoorde ruim 1720 hectare tot Oostzaan, waarvan 668 hectare in 1811 tot de samengevoegde gemeente Zaandam ging behoren. Dat, naar mededeling van A.J. van der Aa, de oppervlakte in 1846 weer was toegenomen tot 1925 hectare, zal het gevolg zijn geweest van tussentijdse aankoop van weidegronden.

Bevolking

De vroegste tellingen van het inwonersaantal (in 1514 en 1632) betroffen de Banne: Oostzaan en Oostzaandam waren dus niet uitgesplitst. Pas in 1742 werd het dorp Oostzaan afzonderlijk geteld, er waren toen 1692 inwoners. Dat zullen er een eeuw eerder méér zijn geweest. Aan het begin van de 17e eeuw leverden namelijk ongeveer 100 blekerijen werk aan gemiddeld tien mensen. Aangenomen dat dit in grote meerderheid autochtonen waren, moeten er toen, gezien de gezinsgrootte, tenminste enkele duizenden inwoners zijn geweest. Er was in de 17e eeuw dus sprake van enige ontvolking, die zich blijkbaar versterkt voortzette, want in 1795 was het inwonertal geslonken tot 1101 . Het dieptepunt werd bereikt in 1815, toen er 921 Oostzaners werden geteld. Nadien groeide het dorp gestaag: 1220 inwoners in 1840; 1843 in 1869; 3285 in 1899. Deze groei zette zich ook in de 20e eeuw voort. In 1930 registreerde de gemeente 3807 inwoners; in 1940 4256 en tien jaar later 4464. In 1960 was het getal van 5000 inwoners overschreden (5162), waarna een lichte daling intrad: 4869 personen in 1970. Door nieuwbouw (vooral in de wijk 'De Rietschoot', ten zuiden van de kerk, en vervolgens ten westen van het Zuideinde) volgde verdere toename: 6611 inwoners in 1980; 7291 per l januari 1989. Veel van de nieuwe bewoners zijn afkomstig uit Amsterdam.

Kerkelijke gezindheid

De bijnaam 'het Nederlandse Genève hing samen met de overwegend gereformeerde (lees hervormde) gezindheid van de Oostzaanse bevolking. Zo waren er in 1742 van de 1692 inwoners 1593 gereformeerd, 70 katholiek, 4 doopsgezind en 25 luthers. In 1809 was de verhouding nog weinig veranderd: 965 inwoners, waarvan 887 gereformeerd, 35 katholiek, 14 doopsgezind en 29 luthers. Vooral het geringe aantal doopsgezinden valt bij vergelijking met de andere Zaanse dorpen op. De dominantie van de vroegere staatskerk was het duidelijkst in 1846, toen niet meer dan 30 van de 1350 inwoners een andere godsdienst dan de gereformeerde beleden. Feitelijk is dat nog lang daarna zo gebleven; pas na de Tweede Wereldoorlog liep het aantal hervormden, ook verhoudingsgewijs, sterk terug. In 1947 was de situatie als volgt: 4287 inwoners, waarvan 2250 nederlands hervormd, 260 gereformeerd, 10 christelijk gereformeerd, 50 doopsgezind, 30 evangelisch Luthers, 100 rooms-katholiek, 87 overig en 1500 onkerkelijk.

Politieke gezindheid

Doordat de protocollen van de vóór 1935 gehouden verkiezingen ontbreken in het Oostzaanse gemeente-archief, kunnen we slechts cijfers vanaf dat jaar geven. Desondanks is bekend dat het dorp ook eerder als een 'linkse', 'rode' gemeente gold. De SDAP was de grootste partij in de raad. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dit beeld eigenlijk weinig. Opvallend is wel dat de CPN in 1970 meer raadszetels bezette dan de PvdA. In de jaren '80 werd de liberale VVD de op één na grootste partij. De verkiezingen van 1990 zorgden voor een zeer grote verschuiving in de verdeling van raadszetels; Groen Links werd verreweg de grootste partij.

Burgemeesters

In de bijna 180 jaar dat Oostzaan een zelfstandige gemeente is waren er 15 burgemeesters. De eerste was de stijfselfabrikant Cornelis Avis, die in 1811 maire werd, vervolgens burgemeester en daarna ook schout. Deze laatste titel droeg hij nog tot zijn aftreden in 1817.

Klaas Stam, telg uit een oud Oostzaans geslacht met onder meer een scheepsmakerij op de Overtoom, nam in dat jaar het burgemeesterschap op zich. Hij legde zijn functie in 1831 neer, waarna loco-burgemeester D. Bont de zaken tot 1833 waarnam. In dat jaar werd H. van Leeuwen benoemd, wellicht de eerste niet-Zaankanter op een Zaanse burgemeesterspost. Hij bleef 24 jaar eerste burger, in 1857 werd hij opgevolgd door Jacob Brat Pieterszoon, een geboren en getogen Oostzaner. Na zijn aftreden in 1871 nam wethouder Klaas Brat negen maanden de functie waar. Gemeentesecretaris A. van der Wijk (oorspronkelijk afkomstig uit Epe) werd de volgende burgemeester. Na zijn overlijden in 1882 trad J. Kater Cz. enige tijd als waarnemer op, tot Gerbrand Adrianus Swart werd benoemd, die in 1899 eervol werd ontslagen. De hem opvolgende Arie Emilius Middelkoop overleed al kort na zijn benoeming op 50-jarige leeftijd (1901), terwijl zijn opvolger, T. Lodder Kz. in 1904 een benoeming als burgemeester van Rijssen aanvaardde. Oostzaan kreeg in 1905 David Teer tot burgemeester, die het ambt niet minder dan 27 jaar vervulde. Vervolgens werden benoemd Jan Willem Zigeler (1932-1941), A. Hes (1946-1969), mr. P.J. Reeling Brouwer (1969-1986) en ir. P. Beuse (benoemd 1986). Alle drie naoorlogse burgemeesters waren lid van de Partij van de Arbeid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, van 1942 tot mei 1945, was de SS-er J.A.A. van Bree door de bezetters aangewezen om de gemeente te besturen.

Bewoningsgeschiedenis

In de inleiding is al opgemerkt dat er waarschijnlijk niet vóór het einde der 13e eeuw sprake was van enige bewoning. Zoals in grote delen van Holland en Utrecht bestond de bodem uit moeilijk toegankelijk, moerasachtig hoogveen. Toen dit hoogveenpakket werd ontwaterd (waardoor het geschikt werd voor het verbouwen van graan) erodeerde het en klonk het in. De sterke bodemdaling maakte het blijkbaar zelfs nodig een terp op te werpen, waarop in de late middeleeuwen de kerk werd gebouwd. De huidige kerk ligt nog steeds enigszins verhoogd. Oostzaan was in de 16e en de eerste helft van de 17e eeuw een aanzienlijk dorp. De blekerijen waren tot ver buiten de streek bekend en gaven werk aan 1000 mensen. Daarnaast was er sprake van een bloeiende stijfselfabricage en later van walvisvaart, met schepen die van de Overtoom vertrokken. Doordat deze takken van nijverheid gingen kwijnen, verloor het dorp meer dan de helft van zijn bevolking. De bewoners-aantallen zijn, voor zover bekend, hiervoor vermeld onder het kopje 'Bevolking'.

Middelen van bestaan

De eerste bewoners hebben zich waarschijnlijk met binnenvisserij en vogelvangst en al spoedig met de ontginning van het hoogveen terwille van enige graanteelt beziggehouden. Ook is het niet ondenkbaar dat er al heel vroeg hoogveen is afgestoken in verband met turfwinning. Het is onwaarschijnlijk dat dit turfsteken een grote omvang heeft gekregen; de dikwijls overstroomde bodem had een te hoog zoutgehalte om turf van goede, concurrerende, kwaliteit te winnen. Ook door latere overstromingen is het water brak gebleven. Het ingeklonken land bleek wel geschikt voor veeteelt. In 1514 werden ongeveer 800 koeien geregistreerd. Er waren toen 250 'haardsteden' (huishoudens). Een aantal in- woners hield zich toen ook nog met de visserij bezig; een beroep dat trouwens tot in de 20e eeuw in Oostzaan uitgeoefend bleef. Be- langrijker waren in de 16e eeuw al de blekerijen. Men legde zich toe op het bleken van niet al te hoogwaardige stoffen. Dat was ove- rigens een beslissing van de opdrachtgevende weverijen, die niet in Oostzaan maar vrijwel alle in Amsterdam waren gevestigd. Vermoedelijk was de waterkwaliteit (het zoutgehalte) er de oorzaak van dat er alleen eenvoudige stoffen werden gebleekt; de meer kostbare weefsels gingen naar de duinstreek bij Haarlem. Daar (en in de Zuidelijke Nederlanden) ontwikkelde deze nijverheid zich na 1580 grootschaliger, met bedrijven van 50 of meer arbeiders. In Oostzaan hadden de blekerijen gemiddeld 5 'knechts', een aantal dat rond 1630 was toegenomen tot 10. In dat jaar waren er ongeveer 100 blekerijen in het dorp, die aan bleekvelden 50 morgen land in gebruik hadden. De bedrijvigheid was toen op haar hoogtepunt; aan het begin van de 18e eeuw waren er nog 50 tot 60 blekerijen, waarvan er in 1760 nog slechts één resteerde (plus misschien nog een garenblekerij).

Een andere belangrijke tak van bedrijf is de stijfselmakerij geweest. In 1731 werden er 8 'stijfselhuizen' in het dorp geteld. In de andere Zaanse dorpen waren er toen 18. Het aantal Oostzaanse stijfselmakerijen liep terug tot 6 in 1800 en 5 in 1846. Over het aantal betrokken werknemers is niets bekend. Verondersteld wordt dat het er steeds tussen de 100 en de 200 zijn geweest. In de tweede helft van de 19e eeuw liep de stijfselnijverheid verder terug en bij het begin van de Eerste Wereldoorlog was deze bedrijvigheid uit Oostzaan verdwenen.

Een belangrijke bestaansbron was steeds de veehouderij. In 1811 was 20 % van de bevolking werkzaam in het boerenbedrijf (46 van de 227 geregistreerde arbeiders). In 1930 werden 328 van de 1564 Oostzaanse inkomens in de 'landbouw' verdiend. Hierbij moet worden aangetekend dat ook de eendenhouderij en de andere pluimveebedrijven onder de landbouw werden gerangschikt, zodat het aantal bij de veehouderij betrokkenen enigszins lager was dan de genoemde 328. Overigens was het land in en nabij het dorp van matige kwaliteit. Misschien had dat eerder de komst van de blekerijen in de hand gewerkt; het zou kunnen zijn dat de grond als bleekveld meer opbracht dan als weiland. Loosjes stelde dat er in de 17e eeuw aan het Zuideinde veel kooplieden woonden. Zij handelden met Frankrijk, Spanje en de Oostzeelanden. Hart maakt er melding van dat er tegen het einde van de 16e eeuw al veel Oostzaners op de Oostzee voeren. Hij verklaarde dat door de ligging van het dorp, dicht bij Amsterdam. Een andere oorzaak was dat Oostzaan zelf te weinig werkgelegenheid bood, zodat een aantal mannen buitengaats de kost ging verdienen. De handel hing samen met de zeevaart. De schippers van de nog kleine schepen handelden vaak voor eigen rekening en betrokken daar dorpsgenoten bij. Dezen namen dan deel in het benodigde kapitaal (zie: Partenrederij). De indruk bestaat dat Oostzaanse schippers bij voorkeur scheepsvolk uit het eigen dorp aanmonsterden ('ons kent ons') en dat daarbij ook afspraken werden gemaakt over deelname in de handel. Toen de schepen in de 17e eeuw groter werden nam de partenrederij toe. Uit de periode 1598-1698 konden 537 bevrachtingscontracten worden achterhaald van schepen die aan Oostzaanse kooplieden toebehoorden. Uit de periode 1598-1625 zijn 123 zulke contracten gevonden. De bloeiperiode lag tussen 1616 en 1650 met 287 contracten; tussen 1651 en 1698 zijn 127 contracten geteld.

Bij de Oostzaanse zeevaart en -handel speelde de Amsterdamse stapelmarkt een rol. Het merendeel van Oostzaanse schepen voer echter leeg (in ballast) - en, met het oog op de veel voorkomende zeeroverij, in konvooi - naar Frankrijk of Portugal om daar zout en soms wijn te laden. Deze lading werd naar de Oostzeelanden gevaren. Op de heenreis hoorde de schipper pas in La Rochelle waar hij moest laden. Ook als het schip geladen noordwaarts voer was de bestemming nog onduidelijk. In Helsingör vernam men van een agent waar moest worden gelost. Danzig, Köningshafen en Riga waren bekende havens, ook voer men naar Elbing, Stettin, Reval, Kopenhagen, Köbe, Stockholm en andere Oostzeehavens. Als retourvracht laadde men daar vooral koper, ijzer of teer, bestemd voor Amsterdam. De aangevoerde goederen gingen dus niet naar Oostzaan. Toch bezat het dorp een aantal pakhuizen. In 1731 waren dat er volgens het belastingkohier 21. In dat jaar werden er ook 8 stijfselhuizen. 6 traankokerijen, 1 prutkokerij en 1 lijmkokerij geteld. De aanwezigheid van traan- en prutkokerijen geeft aan dat men vanuit Oostzaan ook ter walvisvaart ging; gegevens hierover ontbreken echter. Het valt op dat bij de inventarisatie van 1731 geen vleethuizen worden genoemd.

Oostzaan had, vergeleken met de Zaandorpen, geen grote molendichtheid. In 1630 werden drie zaagmolens, een oliemolen en een meelmolen geregistreerd. Een eeuw later, in 1731, waren de zaagmolens verdwenen; er waren toen zes pelmolens, een oliemolen, een meelmolen en een volmolen. In de periode tot 1795 verdwenen drie pelmolens en er kwam een snuifmolen bij. Halvewege de 19e eeuw waren er nog drie molens in bedrijf: de meelmolen, een oliemolen en een pelmolen. In totaal hebben er 20 verschillende molens in Oostzaan gefunctioneerd, inclusief de vier poldermolens. De laatste molen (meelmolen Het Wapen van Oostzaan ) is in 1920 gesloopt.

Van het jaar 1811 is precies bekend welke beroepen er in het dorp werden uitgeoefend. Er waren 46 landbouwers, 32 personen werkten in de handel, 54 waren arbeider. 20 produceerden voedingsmiddelen, 13 waren betrokken bij de bouw en 20 bij de jacht en/of visserij. Voor het grootste aantal, 71, werd 'kleding/reiniging' opgegeven, zonder dat dit is toegelicht. Verder waren er 5 betrokken bij verkeer, 4 bij waterstaat, 3 bij houtbewerking en eveneens steeds 3 bij leerbewerking, scheepsbouw, onderwijs en vrije beroepen. Er was toen nog een kleine scheepswerf, die zeker tot 1846 in bedrijf is gebleven. In de tweede helft van de 19e eeuw nam de pluimveehouderij in Oostzaan sterk toe. Naast de veehouderij, waarvoor een eigen melkfabriekje werd gebouwd, ging een flink deel van de bevolking kippen en eenden houden, aanvankelijk als bijverdienste. Vooral de eendenhouderij bereikte in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog een grote omvang. Er was haast geen Oostzaner, of hij hield eenden op het land achter zijn woning. De eieren werden ingekocht door handelaren, die ze aan de Zaanse beschuitbakkerijen sleten; het benodigde voedsel werd aanvankelijk uit de sloten in het veld verzameld. Op den duur werd het noodzakelijk mosselen uit IJmuiden aan te voeren, terwijl ook met 'doppen' uit de Zaanse pelmolens werd gevoerd. De Eerste Wereldoorlog, de watersnood van 1916 en de crisis van de jaren '30 brachten de eendenhouderij zware slagen toe. Uit de bedrijfstak had zich echter inmiddels het poe- liersbedrijf ontwikkeld. Al in het begin van de 20e eeuw leverde men uit Oostzaan konijnen, gevogelte (maar ook kaas, eieren en boter) door het gehele land. Een deel van de productie werd zelfs al geëxporteerd. Ook vis, voor een deel door Oostzaner botters op de Zuiderzee gevangen, werd uitgevoerd. De handel in pluimvee en eieren, alsmede de pluimveeslachterij, hebben zich gehandhaafd. Nog steeds valt tijdens een rit door het dorp het grote aantal poeliers op. Naast enkele kleinere bedrijven ontstonden belangrijke ondernemingen als Rep en Roozendaal bv , Ruig, en Schaft (het laatste bedrijf is overigens in 1989 door een faillissement beëindigd). Machinefabriek Meyn heeft zijn ontstaan aan de pluimveeslachterij te danken, zie aldaar. Overige in deze encyclopedie vermelde bedrijven zijn: P. Flens bv , G.Ph. Homburg bv en Welgraven.

Zie ook: Bestuur en rechtspraak 1.2.6. en 2.3.1. en Landschappen 3.2.

Literatuur:

  • A.M. van der Woude, Het Noorderkwartier, Utrecht 1983;
  • S. Hart, De Zaanstreek en Oostzaandam in het bijzonder in het jaar 1731, en Zaandam in de Franse tijd, in 'Geschrift en getal', Dordrecht 1976;
  • J.J. Schilstra e.a., De Polder Oostzaan, Oostzaan 1979;
  • P. Boorsma, Duizend Zaanse molens, Wormerveer 1950;
  • J. Honig Jsz. Jr., Geschiedenis der Zaanlanden, deel 1, Haarlem 1849;
  • A. Loosjes, Beschrijving van de Zaanlandsche dorpen, Haarlem, 1796;
  • A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, deel 8, Gorinchem 1846;
  • L. van Ollefen, Stads- en dorpsbeschrijver van Kennemerland, Amsterdam 1796;
  • H.N. ter Veen, Problemen der samenvoeging van Zaangemeenten, Haarlem 1941;
  • G.J. Boekenoogen, De Zaanse volkstaal, Zaandijk 1971;
  • D. Vis, De Zaanstreek, Leiden 1948:
  • J.W. Groesbeek, Bestuursaangelegenheden en -problemen rond de samenvoeging van Oost- en Westzaandam in 1811, in 'Zaandam 150 jaar stad', Zaandam 1962;
  • J.C.N. Raadsgelders, Oostzaandam, bestuurlijke ontwikkelingen 1600-1795, Leiden 1985;
  • G.J. Honig, De Zaanse burgemeesters sedert 1814, in 'De Zaende' 1951.

* Assendelft * Jisp * Knollendam * Koog (aan de Zaan) * Krommenie * Krommeniedijk * Westzaan * Wormer * Wormerveer * Oostzaan * Zaandam * Zaandijk

  • oostzaan.txt
  • Laatst gewijzigd: 2019/05/07 15:13
  • door jan